id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.12 Rolnummer: P.26.0129.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Unierecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-02-06 Raadplegingen: 615 - laatst gezien 2026-06-18 06:21 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Overeenkomstig artikel 20, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel levert enkel de definitieve beslissing van het onderzoeksgerecht om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen de titel van vrijheidsbeneming van de over te leveren persoon op tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20, § 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20, § 4 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 3 - 5 De beslissingen van het openbaar ministerie om de overlevering van de betrokkene uit te stellen en het uitstel van de overlevering te beëindigen omdat de redenen ervoor niet meer bestaan, zijn slechts uitvoeringsmodaliteiten van de overlevering waartoe reeds door het onderzoeksgerecht definitief en na een procedure op tegenspraak werd beslist; voor het nemen van die beslissingen is enkel het openbaar ministerie en niet het onderzoeksgerecht bevoegd
(1).
(1)Zie Cass. 30 januari 2024, AR P.24.0112.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.16; Cass. 27 juni 2023, AR P.23.0898.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Fiches 6 - 10 De beslissing van het openbaar ministerie om het uitstel van de overlevering te beëindigen levert geen nieuwe titel van vrijheidsberoving op en evenmin dient die beslissing te zijn gemotiveerd of staat een rechtsmiddel ertegen open; dat de betrokkene met het oog op zijn fysieke overlevering aan de gerechtelijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat van zijn vrijheid wordt benomen, terwijl hij zich in de periode daarvoor bevond in een hechtenisvervangende toestand ingevolge een beslissing in die zin van het onderzoeksgerecht dat zich over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgesproken, doet daaraan geen afbreuk; dit houdt geen schending in van artikel 47 Handvest Grondrechten EU, noch een miskenning van de in de middelen bedoelde grondrechten vermits deze worden gevrijwaard door, eensdeels, de rechten die de betrokkene kan uitoefenen voor het onderzoeksgerecht naar aanleiding van de procedure tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, en, anderdeels, de mogelijkheid voor degene die zich in een overleveringsdetentie bevindt op grond van een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, een verzoek in te dienen tot voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of omzetting van een hechtenis in de gevangenis in een hechtenis onder elektronisch toezicht, met name wanneer de overlevering is uitgesteld overeenkomstig artikel 24, § 1, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel en dit tot het uitstel is beëindigd. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 5 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie van 12 december 2007 - 12-12-2007 - Art. 47 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 20 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 24 - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0129.N L. A., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiser, met als raadslieden mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, mr. Luk Delbrouck en mr. Jan Keulen, beiden advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 22 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. VOORGAANDEN
- Op 28 maart 2023 heeft een Italiaanse rechterlijke autoriteit tegen de eiser een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op strafvervolging.
- Op 3 mei 2023 heeft de onderzoeksrechter op basis van dat Europees aanhoudingsbevel een bevel tot inhechtenisneming tegen de eiser verleend.
- Op 16 mei 2023 heeft de raadkamer beslist tot de tenuitvoerlegging van dit Europees aanhoudingsbevel. Het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, heeft het hoger beroep van de eiser tegen die beslissing bij arrest van 15 juni 2023 ongegrond verklaard. Het Hof heeft het cassatieberoep van de eiser tegen dit arrest bij arrest van 27 juni 2023 verworpen.
- Op 29 juni 2023 heeft de procureur des Konings bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel beslist de overlevering uit te stellen in afwachting van de vervolging en berechting van de eiser in een andere zaak in België.
- De verzoeken van de eiser van 5 september 2023 en 27 november 2023 om in afwachting van zijn effectieve overlevering aan Italië zijn hechtenis in de gevangenis om te zetten in een hechtenis onder elektronisch toezicht, werden door de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling verworpen.
- Een nieuw dergelijk verzoek van de eiser van 9 februari 2024 werd in hoger beroep door de kamer van inbeschuldigingstelling ingewilligd bij arrest van 26 februari
- Een verzoek van de eiser van 16 januari 2025 om de hechtenis onder de modaliteit van elektronisch toezicht op te heffen werd door de kamer van inbeschuldigingstelling ingewilligd bij arrest van 3 februari 2025, met de precisering dat de eiser onmiddellijk in vrijheid wordt gesteld mits betaling van een borgsom en de naleving van voorwaarden.
- Op 18 december 2025 heeft de procureur des Konings bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel beslist de uitvoering van de overlevering niet langer uit te stellen.
- Op 20 december 2025 werd de eiser effectief overgeleverd aan de Italiaanse autoriteiten.
- Op 24 december 2025 heeft de eiser een verzoek ingediend ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, ertoe strekkende het openbaar ministerie te bevelen de onwettige toestand te doen beëindigen en de eiser onverwijld naar België te laten overbrengen. Bij beschikking van 2 januari 2026 heeft de raadkamer dit verzoek ontvankelijk, maar ongegrond verklaard. De kamer van inbeschuldigingstelling verklaart het hoger beroep van de eiser bij arrest van 22 januari 2026 niet ontvankelijk. Dit is de bestreden beslissing. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen
- Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 6, 47, 49 en 52.3 Handvest Grondrechten EU, artikel 5 EVRM en de artikelen 12 en 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsplicht eigen aan jurisdictionele beslissingen: het arrest oordeelt ten onrechte dat het hoger beroep van de eiser niet ontvankelijk is; bij arrest nr. 90/2019 van 28 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof beslist dat personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden en wier overlevering door het openbaar ministerie wordt uitgesteld bij toepassing van artikel 24 Wet Europees Aanhoudingsbevel, de mogelijkheid moeten hebben om te verzoeken om hun voorwaardelijke invrijheidstelling of invrijheidstelling tegen borgstelling, dan wel om de uitvoering van hun hechtenis onder elektronisch toezicht; de blijvende wettelijke lacune volgend op dat arrest vormt op zichzelf reeds een miskenning van het legaliteitsbeginsel; het arrest beantwoordt niet eisers verweer over de toepassing van onder meer artikel 5 EVRM en artikel 52.3 Handvest Grondrechten EU; de aanhouding tot overlevering van de eiser valt onder artikel 5.1.f EVRM; de rechtmatigheid van de nieuwe vrijheidsberoving van de eiser op 20 december 2025 moet door de rechter worden beoordeeld in een gerechtelijke procedure overeenkomstig het nationale recht, dit wil hier zeggen in een procedure met een dubbele aanleg overeenkomstig de Voorlopige Hechteniswet; de in deze zaak gewezen beslissingen, in het bijzonder de arresten van de kamer van inbeschuldigingstelling van 26 februari 2024 en 3 februari 2025, bevestigen dat de beslissing van de procureur des Konings van 29 juni 2023 een beslissing tot uitstel van de overlevering van de eiser betrof in afwachting van zijn vervolging en berechting in een andere zaak in België; aldus vormen die beslissingen de detentietitel, aangezien de door het Grondwettelijk Hof vastgestelde lacune diende te worden opgevuld; deze rechterlijke beslissingen vervangen de beslissingen van de procureur des Konings; de constitutief noodzakelijk gemotiveerde wijziging van deze detentietitel diende dus aan het bevoegde onderzoeksgerecht te worden voorgelegd; een nieuw aanhoudingsbevel was noodzakelijk; het aanhoudingsbevel van 13 maart 2023 en 28 maart 2023 ontmoeten deze nieuwe omstandigheden niet; het samenlezen van de artikelen 47 en 52.3 Handvest Grondrechten EU met artikel 5.1.f en artikel 5.4 EVRM heeft tot gevolg dat de eiser wel degelijk de raadkamer rechtstreeks kon vatten en tevens hoger beroep kon aantekenen tegen de beslissing van de raadkamer en dit overeenkomstig het toepasselijk gemeenrecht. Het tweede middel voert schending aan van het Handvest Grondrechten EU, “o.m.” de artikelen 6, 20, 21, 47, 48 en 52.3, artikel 5 EVRM, “o.m.” artikel 5.1, 5.2 en 5.4, het kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (hierna Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel) en de artikelen 10, 11 en 149 Grondwet, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en de motiveringsplicht eigen aan jurisdictionele beslissingen: het arrest oordeelt ten onrechte dat het hoger beroep van de eiser niet ontvankelijk is; de aan de eiser ter beschikking staande procedure is onzeker, waardoor willekeur in de hand wordt gewerkt; overeenkomstig de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en van het Hof beschikt een aangehoudene wiens overlevering wordt uitgesteld over een rechtsmiddel, meer bepaald bij de onderzoeksgerechten; er bestaat geen andere wettelijk voorgeschreven procedure dan dat het openbaar ministerie dat het uitstel van de overlevering beëindigt, daartoe een gemotiveerde beslissing moet nemen en in overleg met de gerechtelijke autoriteiten van de uitvaardigende Staat een nieuwe datum voor de overlevering moet vaststellen; die lacune houdt op zichzelf reeds een miskenning in van het legaliteitsvereiste in strafzaken, alsook een schending van de voormelde bepalingen; het arrest beantwoordt dat verweer niet, minstens niet wettig; er ligt geen wettelijke bepaling noch wetsvoorbereiding voor met betrekking tot de rechtstoestand van de eiser op 20 december 2025, dit is op het moment van de definitieve beslissing over het einde van het uitstel van zijn overlevering; hierdoor staat het recht van verdediging van de eiser onder druk bij gebrek aan wettelijke effectieve waarborgen voor zijn grondrechten; evenmin wordt met de betekening van het vonnis van de raadkamer vermeld over welke rechtsmiddelen de eiser beschikt om deze beslissing aan te vechten, wat onverenigbaar is met artikel 5 EVRM; alle uniehandelingen moeten worden uitgelegd in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel; het arrest heeft het middel geput uit het gelijkheidsbeginsel niet wettig beantwoord, daar de mogelijkheid van hoger beroep wordt ontkend zonder verder onderzoek van de ingeroepen rechtsbepalingen. Het middel vraagt de volgende prejudiciële vragen te stellen: - aan het Grondwettelijk Hof: “Wordt het gelijkheidsbeginsel onder de artt. 10 en 11 van de Grondwet geschonden in de mate dat, in uitvoering van art. 24 §1 van de wet op het EAB (wet van 19 december 2003) de nieuwe bevolen aanhouding na de herroeping van de redenen tot uitstel van de overlevering, die beoordeeld wordt door de bij verzoekschrift gevatte raadkamer, niet verder vatbaar is voor een tweede aanleg in beroep, terwijl de wet op de voorlopige hechtenis van 20 juli 1990 wel een beroepsmogelijkheid tot toetsing van de rechtmatigheid van de aanhouding mogelijk maakt (art. 30 van de wet VH), en dit in het licht van art. 5.1.f, art. 5.4 EVRM en de artt. 47 en 52 Handvest Grondrechten EU, zoals hierboven ontwikkeld[?]” - aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Is het verzoenbaar met art. 52
(3)Handvest Grondrechten EU en met het algemeen gelijkheidsbeginsel van het Handvest Grondrechten EU dat, bij de rechtstreekse toepassing van art. 47 Handvest Grondrechten EU, geen beroepsmogelijkheid wordt voorzien voor de toetsing van het aanhoudingsbevel bij toepassing van art. 24 § 1 van de wet op het EAB, bij gebrek aan elke nationale wettelijke regeling voor de uitvoering van deze bepaling, zonder verdere motivering en dus willekeurig, terwijl de nationale wet alle vrijheidsberovingen onder art. 5.4 EVRM aan een dubbele aanleg onderwerpt, en conform art. 52
(3)van toepassing is, maar deze bij het Europese Aanhoudingsbevel uitsluit bij gebrek aan enige specifieke en gemotiveerde wetgeving[?] Aldus worden schijnbaar vergelijkbare gevallen op verschillende wijze beoordeeld. ”
- Artikel 12 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Voortgezette hechtenis van de persoon Wanneer een persoon wordt aangehouden op grond van een Europees aanhoudingsbevel, beslist de uitvoerende rechterlijke autoriteit of betrokkene in hechtenis blijft overeenkomstig het recht van de uitvoerende lidstaat. Deze persoon kan op elk tijdstip overeenkomstig het interne recht van de uitvoerende lidstaat in voorlopige vrijheid worden gesteld, onverminderd de maatregelen die de bevoegde autoriteit van die lidstaat noodzakelijk acht om de vlucht van de gezochte persoon te voorkomen.”
- Overeenkomstig artikel 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel kan de onderzoeksrechter gelasten dat de persoon wiens overlevering wordt gevraagd, op grond van het Europees aanhoudingsbevel in hechtenis wordt geplaatst of blijft. De onderzoeksrechter kan de betrokkene ook onder oplegging van een of meerdere voorwaarden, dan wel tegen betaling van een borgsom, in vrijheid laten tot op het tijdstip dat met betrekking tot de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel een definitieve beslissing wordt gewezen.
- Artikel 16, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt dat de raadkamer binnen vijftien dagen te rekenen van de arrestatie bij wege van een met redenen omklede beslissing uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. Hoger beroep en cassatieberoep, telkens binnen de vierentwintig uur na de desbetreffende beslissing dan wel de betekening ervan, zijn mogelijk overeenkomstig de artikelen 17 en 18 Wet Europees Aanhoudingsbevel. Zowel de kamer van inbeschuldigingstelling als het Hof dienen uitspraak te doen binnen de vijftien dagen na het instellen van het rechtsmiddel. Artikel 20 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “§
- De beschikking van de onderzoeksrechter gegeven overeenkomstig artikel 11 blijft gevolg hebben tot het besluit tot uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel definitief is geworden. §
- De onderzoeksrechter kan onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, §§ 4 tot 6, en na hem bijgestaan of vertegenwoordigd door zijn advocaat te hebben gehoord, de betrokken persoon op elk moment van de procedure in vrijheid stellen, totdat het besluit tot uitvoering van het Europees aanhoudingsbevel definitief is geworden. §
- Indien de onderzoeksrechter geen uitspraak heeft gedaan binnen 15 dagen volgend op een verzoek tot invrijheidstelling van de betrokken persoon of indien dit verzoek wordt verworpen, kan de betrokken persoon zijn verzoek aan de raadkamer richten. §
- Het definitieve besluit het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen levert de titel van vrijheidsbeneming op tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat. In het definitieve besluit het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen kan evenwel worden voorzien in de voorwaardelijke invrijheidstelling of in de invrijheidstelling tegen borgstelling van de betrokken persoon onder de voorwaarden bedoeld in artikel 11, §§ 4 en 5, tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat.” Overeenkomstig artikel 22, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel stelt het openbaar ministerie samen met de bevoegde autoriteit van de uitvaardigende Staat zo spoedig mogelijk de datum van overlevering vast. Deze datum valt in ieder geval ten laatste tien dagen na de definitieve beslissing tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. De betrokken persoon wordt daarvan onmiddellijk in kennis gesteld. Artikel 24, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: “Het openbaar ministerie kan in afwijking van het bepaalde in artikel 22 de overlevering van de betrokken persoon uitstellen opdat hij in België zou kunnen worden vervolgd of indien hij reeds is veroordeeld, de straf zou kunnen ondergaan die hem is opgelegd wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft. De tenuitvoerlegging van het Europees uitleveringsbevel heeft plaats zodra die redenen niet meer bestaan. Het openbaar ministerie stelt daarvan onmiddellijk de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende Staat in kennis en bepaalt met haar een nieuwe datum voor overlevering. Die nieuwe datum volgt uiterlijk binnen 10 dagen. In dit geval vindt de overlevering plaats binnen tien dagen, overeenkomstig de overeengekomen nieuwe datum. Ingeval de persoon zich nog steeds in hechtenis bevindt na het verstrijken van de termijn bedoeld in het vorige lid, wordt hij in vrijheid gesteld.”
- Bij arrest nr. 90/2019 van 28 mei 2019 heeft het Grondwettelijk Hof gezegd voor recht: “Artikel 20, §§ 2, 3 en 4, van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het aan de personen die krachtens een uitvoerbaar verklaard Europees aanhoudingsbevel in hechtenis worden gehouden en wier overlevering aan de uitvaardigende Staat wordt uitgesteld met toepassing van artikel 24 van de wet van 19 december 2003, opdat in België vervolging kan worden ingesteld wegens een ander feit dan dat waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, niet de mogelijkheid biedt om te verzoeken om hun voorwaardelijke invrijheidstelling of om hun invrijheidstelling tegen borgstelling, noch om te verzoeken om de hechtenis onder elektronisch toezicht uit te voeren.”
- Het Grondwettelijk Hof heeft daarbij geoordeeld dat de ontstentenis van een mogelijkheid voor de aangehoudene om na de beslissing tot uitvoerbaarverklaring van het Europees aanhoudingsbevel te verzoeken om zijn voorlopige invrijheidstelling, zijn voorwaardelijke invrijheidstelling of zijn invrijheidstelling tegen borgstelling verantwoord en evenredig is, gelet op de korte termijn tussen die beslissing en de overlevering van de betrokkene aan de autoriteiten van de uitvaardigende Staat. Wordt evenwel de overlevering uitgesteld opdat de aangehoudene in de uitvoerende lidstaat kan worden vervolgd voor een ander feit dan dat beoogd in het Europees aanhoudingsbevel, dan is de hechtenis niet meer gebonden aan een bepaalde termijn en kan de overlevering gedurende een lange periode worden uitgesteld. In dat geval moet de betrokkene, in het licht van artikel 5.4 EVRM en de overeenkomstige toepassing van de Voorlopige Hechteniswet, aan het onderzoeksgerecht dat zich uitspreekt over de handhaving van zijn hechtenis kunnen vragen om zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, zijn invrijheidstelling tegen borgstelling of de uitvoering van zijn hechtenis onder elektronisch toezicht. In zoverre artikel 20, § 2, § 3 en § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet in die mogelijkheid voorziet, is er sprake van een wettelijke lacune. Die lacune is uitgedrukt in voldoende nauwkeurige en volledige bewoordingen die toelaten artikel 20, § 2, § 3 en § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel toe te passen met inachtneming van de door het Grondwettelijk Hof getoetste referentienormen, zodat de verwijzende rechter in afwachting van een optreden van de wetgever een einde dient te maken aan de schending van die normen.
- Dat arrest betreft enkel de hechtenistoestand van de persoon wiens overlevering, na de definitieve uitvoerbaarverklaring van het Europees aanhoudingsbevel, voor een niet nader bepaalde periode is uitgesteld met het oog op zijn vervolging in de uitvoerende Staat voor een ander feit dan dat beoogd in het Europees aanhoudingsbevel. Dat arrest houdt derhalve geen verband met de hechtenistoestand van de betrokkene nadat het openbaar ministerie een einde heeft gesteld aan dat uitstel. In dat geval is voor de fysieke overlevering van de betrokkene immers opnieuw voorzien in een strikte periode van tien dagen na de beslissing.
- Overeenkomstig artikel 20, § 4, Wet Europees Aanhoudingsbevel levert enkel de definitieve beslissing van het onderzoeksgerecht om het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen de titel van vrijheidsbeneming van de over te leveren persoon op tot de daadwerkelijke overlevering van de persoon aan de uitvaardigende Staat.
- De beslissingen van het openbaar ministerie om de overlevering van de betrokkene uit te stellen en het uitstel van de overlevering te beëindigen omdat de redenen ervoor niet meer bestaan, zijn slechts uitvoeringsmodaliteiten van de overlevering waartoe reeds door het onderzoeksgerecht definitief en na een procedure op tegenspraak werd beslist. Voor het nemen van die beslissingen is enkel het openbaar ministerie en niet het onderzoeksgerecht bevoegd.
- De beslissing van het openbaar ministerie om het uitstel van de overlevering te beëindigen levert dan ook geen nieuwe titel van vrijheidsberoving op. Evenmin dient die beslissing te zijn gemotiveerd of staat een rechtsmiddel ertegen open. Dat de betrokkene met het oog op zijn fysieke overlevering aan de gerechtelijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat van zijn vrijheid wordt benomen, terwijl hij zich in de periode daarvoor bevond in een hechtenisvervangende toestand ingevolge een beslissing in die zin van het onderzoeksgerecht dat zich over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgesproken, doet daaraan geen afbreuk.
- Dit houdt geen schending in van artikel 47 Handvest Grondrechten EU, noch een miskenning van de in de middelen bedoelde grondrechten. Deze worden immers gevrijwaard door, eensdeels, de rechten die de betrokkene kan uitoefenen voor het onderzoeksgerecht naar aanleiding van de procedure tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel, en, anderdeels, de mogelijkheid voor degene die zich in een overleveringsdetentie bevindt op grond van een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, een verzoek in te dienen tot voorwaardelijke invrijheidstelling, invrijheidstelling tegen borgstelling of omzetting van een hechtenis in de gevangenis in een hechtenis onder elektronisch toezicht, met name wanneer de overlevering is uitgesteld overeenkomstig artikel 24, § 1, eerste lid, Wet Europees Aanhoudingsbevel en dit tot het uitstel is beëindigd.
- In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen zij naar recht.
- Hieruit volgt dat de middelen hoe dan ook niet tot cassatie kunnen leiden en dienvolgens, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk zijn.
- Om diezelfde redenen worden de in de middelen opgeworpen prejudiciële vragen, die louter betrekking hebben op de mogelijkheid om rechtsmiddelen aan te wenden in een procedure die niet bestaat en die niet nodig is voor de vrijwaring van eisers fundamentele rechten, niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.12 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230627.2N.41 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240130.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div