← België

MINISTER VAN FINANCIËN contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

§ 2

, a), Accijnswet 2009 is elk handelen dat tot gevolg heeft dat aan de algemene administratie van de douane en accijnzen, al is het maar tijdelijk, de toegang tot de onder douanetoezicht staande goederen wordt belemmerd en dat die administratie de door de douane- en accijnswetgeving voorgeschreven controles niet kan verrichten

(1).
(1)Zie Cass. 10 maart 2020, AR P.19.1200.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.8, AC 2020, nr. 175. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 79.1, a) Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 257, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 6, §§

2,

  1. a)- 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 45 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Fiche 2 In het geval van opslag van de accijnsgoederen die onderworpen zijn aan een accijnsschorsingsregeling is er onttrekking aan douanetoezicht bij iedere fysieke afwezigheid van aan die regeling onderworpen goederen zonder voorafgaande toelating van de algemene administratie van de douane en accijnzen in de door haar toegelaten opslagplaats; feitelijke omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de fysieke afwezigheid van de goederen zijn daarbij niet bepalend. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie - 09-10-2013 - Art. 79.1,
  2. a)Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 257, § 3 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 6, §§

2,

  1. a)- 13 ELI link Pub nr 2009003493 Wet 22 december 2009 betreffende de algemene regeling inzake accijnzen - 22-12-2009 - Art. 45 - 13 ELI link Pub nr 2009003493 Fiches 3 - 5 De door de algemene administratie van de douane en accijnzen ingestelde rechtsvordering tot invordering van door een douane- of accijnsmisdrijf ontdoken rechten of accijnzen als bedoeld in artikel 283 AWDA, is een burgerlijke vordering die weliswaar samengaat met de strafvordering, maar hiervan losstaat aangezien deze zelfstandige burgerlijke vordering niet voortvloeit uit het misdrijf, maar rechtstreeks haar grondslag vindt in de wet die de verplichting tot betaling van rechten en accijnzen oplegt; de omstandigheid dat de algemene administratie van de douane en accijnzen als vervolgende partij in haar verklaring van hoger beroep aangeeft dit rechtsmiddel te richten tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, maar in het grievenformulier slechts grieven aanvoert tegen beslissingsonderdelen op strafgebied, heeft tot gevolg dat de saisine van het appelgerecht zich niet uitstrekt tot de beschikkingen op de burgerlijke vordering van die administratie; die laatste beslissingsonderdelen zijn niet onafscheidelijk verbonden met de beslissingsonderdelen op strafgebied. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Burgerlijke rechtsvordering (bijzondere regels) Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Wettelijke bepalingen: Algemene Wet 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen - 18-07-1977 - Art. 283 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 203, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 204, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0383.N BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de regionale directeur van de algemene administratie van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Administratief Centrum Ter Plaeten, Sint-Lievenslaan 27, ON 0308.357.159, vervolgende partij, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest, tegen 1. F. D., beklaagde, 2. BELGIUM LUXURY TRADING bv, met zetel te 8790 Waregem, Henri Lebbestraat 188, ON 0537.576.275, beklaagde, 3. E. S.R, beklaagde, 4. M. B., beklaagde, 5. MACHTELYNCK TH. ET FILS nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Noorderlaan 147 bus 13, ON 0400.095.702, beklaagde, 6. I. V.D.S., beklaagde, verweerders, de verweerders 1, 2, 5 en 6 vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar deze verweerders woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 29 januari 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 79.1.
  2. a)en 242.1.
  3. a)DWU, artikel 257, § 3, AWDA en de artikelen 6, §

§ 2

, a), 7, § 1, a),

  1. i)en 45 Accijnswet 2009: met het oordeel dat het materieel bestanddeel van het misdrijf wederrechtelijke bestemmingswijzing van goederen niet bewezen is omdat dit louter toe te schrijven is aan een historisch gegroeid voorraadtekort bij de verweerster 2 en aan menselijke vergissingen en onnauwkeurigheden, verantwoordt het arrest de vrijspraak van de verweerders niet naar recht; voor dit misdrijf moeten de begrippen bestemmingswijziging en onttrekking aan het douanetoezicht objectief worden beoordeeld, zodat de vaststelling van een fysiek voorraadverschil volstaat als materieel bewijs ervan; de oorzaak van dat verschil is voor de beoordeling van het materieel bestanddeel niet relevant. 2. Artikel 257, § 3, AWDA stelt strafbaar het zonder voorafgaande toelating van de algemene administratie van de douane en accijnzen, aan de goederen vermeld in de douanedocumenten waarvan sprake in § 1 van die bepaling, een andere bestemming geven dan daarin uitdrukkelijk is aangeduid. 3. Artikel 79.1.
  2. a)DWU bepaalt dat een douaneschuld bij invoer onder meer ontstaat indien aan invoerrechten onderworpen goederen aan douanetoezicht worden onttrokken. 4. De rechter kan het begrip bestemmingswijziging en zodoende de strafbaarstelling vervat in artikel 257, § 3, AWDA bepalen aan de hand van het toepassingsgebied van artikel 79.1.
  3. a)DWU. 5. Artikel 45 Accijnswet 2009 stelt strafbaar iedere overtreding van de bepalingen van die wet, die tot gevolg heeft dat accijnzen opeisbaar worden. 6. Artikel 6, §

§ 2

, a), Accijnswet 2009 bepaalt dat accijnzen verschuldigd worden op het tijdstip van de uitslag tot verbruik in België, waaronder ook wordt verstaan het onttrekken van accijnsgoederen aan een accijnsschorsingsregeling met inbegrip van het onregelmatig onttrekken.

  1. Aan een accijnsschorsingsregeling onderworpen accijnsgoederen staan onder douanetoezicht, dit is onder toezicht van de algemene administratie van de douane en accijnzen.
  2. Onttrekking aan douanetoezicht in de zin van artikel 79.1.a) DWU en artikel 6, §

§ 2

, a), Accijnswet 2009 is elk handelen dat tot gevolg heeft dat aan de algemene administratie van de douane en accijnzen, al is het maar tijdelijk, de toegang tot de onder douanetoezicht staande goederen wordt belemmerd en dat die administratie de door de douane- en accijnswetgeving voorgeschreven controles niet kan verrichten.

  1. In het geval van opslag van de goederen is er onttrekking aan douanetoezicht bij iedere fysieke afwezigheid van aan die regeling onderworpen goederen zonder voorafgaande toelating van de algemene administratie van de douane en accijnzen in de door haar toegelaten opslagplaats. Feitelijke omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de fysieke afwezigheid van de goederen zijn daarbij niet bepalend.
  2. Het arrest (p. 30, nr. 33) dat oordeelt dat een materiële actieve strafbare onttrekking niet bewezen is omdat het zeer miniem voorraadtekort aan sigaren historisch gegroeid is en louter het gevolg is van menselijke vergissingen en onnauwkeurigheden of onjuistheden in de omschrijving van de sigaren in de administratieve documenten, schendt de geviseerde bepalingen. Het onderdeel is in zoverre gegrond. Tweede en derde onderdeel
  3. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 79.1.a) en 242.1.a) DWU, artikel 257, § 3, AWDA en de artikelen 6, §

§ 2

, a), 7, § 1, a),

  1. i)en 45 Accijnswet 2009: door te oordelen dat er gerede twijfel is dat de verweerders wetens en willens als dader, mededader, medeplichtige of belanghebbende materialiter actief bij de onttrekking van de sigaren betrokken zijn geweest en dat de eiser niet erin slaagt enige zware nalatigheid bij de verweerders aannemelijk te maken, verantwoordt het arrest de vrijspraak van de verweerders voor die telastlegging niet naar recht; bij gebrek aan de vaststelling van overmacht of onoverwinnelijke dwaling bij de verweerders volstaat voor strafbaarheid immers de loutere overtreding van de desbetreffende strafbepalingen en dient de eiser geen verder bewijs te leveren. Het derde onderdeel voert schending aan van de artikelen 79.1.
  2. a)en 242.1.
  3. a)DWU, artikel 71 Strafwetboek, artikel 257, § 3, AWDA en de artikelen 6, §

§ 2

, a), 7, § 1, a), i) en 45 Accijnswet 2009: door niet vast te stellen dat de verweerders geloofwaardig hebben gemaakt dat zij ingevolge overmacht of onoverwinnelijke dwaling hebben gehandeld, verantwoordt het arrest de vrijspraak van de verweerders niet naar recht; minstens kunnen voor de verweerders dergelijke vaststellingen dat besluit niet wettigen.

  1. Bij het misdrijf onttrekking aan douanetoezicht leidt het feit van de overtreding zelf tot strafbaarheid, behoudens wanneer een beklaagde zijn handelen aannemelijk kan verantwoorden door overmacht, onoverwinnelijke dwaling of een andere schulduitsluitingsgrond en hij daardoor het wettelijk vermoeden van schuld kan doen omkeren.
  2. In geval van strafbare deelneming aan het misdrijf onttrekking aan douanetoezicht is voor strafbaarheid vereist dat de mededader, medeplichtige of belanghebbende weet dat hij zijn medewerking aan dat misdrijf verleent, alsook dat hij het opzet heeft daaraan zijn medewerking te verlenen.
  3. Het arrest dat met betrekking tot het moreel bestanddeel slechts oordeelt zoals het tweede onderdeel vermeldt, maar nalaat te preciseren of de verweerders als dader dan wel als deelnemer niet schuldig zijn aan het misdrijf onttrekking aan douanetoezicht, wat een verschillend oordeel over het moreel bestanddeel van dat misdrijf vereist, verantwoordt de beslissing niet naar recht. De onderdelen zijn in zoverre gegrond. Tweede middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 203, § 1, en 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering: het oordeel dat de burgerlijke vordering van de eiser tegen de verweerders ontvankelijk maar ongegrond is en de beslissing om het beroepen vonnis op burgerlijk gebied te vernietigen, zijn niet naar recht verantwoord; de beslissing op de burgerlijke vordering van de eiser was immers niet aanhangig in hoger beroep; blijkens zijn verzoekschrift was het hoger beroep van de eiser beperkt tot de beslissingen op strafgebied en behoudens het openbaar ministerie heeft geen andere partij hoger beroep ingesteld; op burgerlijk gebied beslissen de appelrechters bijgevolg buiten hun saisine.
  5. Artikel 203, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat het recht van hoger beroep vervalt indien de verklaring van hoger beroep niet is gedaan op de griffie van de rechtbank die het vonnis heeft gewezen uiterlijk dertig dagen na de dag van de uitspraak indien het een op tegenspraak gewezen vonnis betreft.
  6. Artikel 204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat op straffe van verval van het hoger beroep het verzoekschrift of het grievenformulier (hierna het grievenformulier) nauwkeurig de grieven moet bepalen die tegen het vonnis worden ingebracht en dat dit grievenformulier moet worden ingediend binnen dezelfde termijn als de verklaring van hoger beroep.
  7. Een grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming vraagt door het appelgerecht.
  8. Uit de artikelen 203, §

204, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en hun wetsgeschiedenis volgt dat de saisine van het appelgerecht in de eerste plaats wordt bepaald door de verklaring van hoger beroep en vervolgens binnen de door die verklaring bepaalde grenzen verder door de in het grievenformulier opgegeven grieven.

  1. Uit die bepalingen volgt verder dat indien in de verklaring van hoger beroep wordt aangegeven dat het hoger beroep is gericht tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis en in het grievenformulier slechts bepaalde grieven worden opgegeven, de saisine van het appelgerecht is beperkt tot de in het grievenformulier vermelde beslissingsonderdelen, alsook tot de beslissingsonderdelen die daarmee onafscheidelijk zijn verbonden.
  2. De door de algemene administratie van de douane en accijnzen ingestelde rechtsvordering tot invordering van door een douane- of accijnsmisdrijf ontdoken rechten of accijnzen als bedoeld in artikel 283 AWDA, is een burgerlijke vordering die weliswaar samengaat met de strafvordering, maar hiervan losstaat. Deze zelfstandige burgerlijke vordering vloeit immers niet voort uit het misdrijf, maar vindt rechtstreeks haar grondslag in de wet die de verplichting tot betaling van rechten en accijnzen oplegt.
  3. De omstandigheid dat de algemene administratie van de douane en accijnzen als vervolgende partij in haar verklaring van hoger beroep aangeeft dit rechtsmiddel te richten tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis, maar in het grievenformulier slechts grieven aanvoert tegen beslissingsonderdelen op strafgebied, heeft tot gevolg dat de saisine van het appelgerecht zich niet uitstrekt tot de beschikkingen op de burgerlijke vordering van die administratie. Die laatste beslissingsonderdelen zijn niet onafscheidelijk verbonden met de beslissingsonderdelen op strafgebied.
  4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - het beroepen vonnis heeft de verweerders vrijgesproken voor de enige telastlegging en de burgerlijke vordering van de eiser gegrond verklaard tegen de verweerster 2 maar ongegrond tegen de overige verweerders; - de eiser heeft verklaard hoger beroep in te stellen tegen alle verweerders en alle beschikkingen van het beroepen vonnis; - de eiser heeft de rubrieken “Schuld”, “Straf en/of maatregel” en “Andere” van het grievenformulier aangekruist met de respectieve vermeldingen “constitutieve bestanddelen, inz. het moreel element, wel degelijk bewezen in hoofde van alle beklaagden”, “passende bestraffing dient opgelegd” en “gerechtskosten”. De rubriek “Burgerlijke rechtsvordering” werd niet aangekruist; - het openbaar ministerie heeft verklaard hoger beroep in te stellen tegen de verweerders 1, 3, 4 en 6 en alle beschikkingen van het beroepen vonnis. In het grievenformulier werd als grief enkel “Schuld” aangekruist; - er zijn geen overige appellanten.
  5. Uit het voorgaande volgt dat de burgerlijke vordering van de eiser niet tot de saisine van het appelgerecht behoorde. Het arrest dat over die burgerlijke vordering niettemin oordeelt en beslist zoals het middel aanhaalt, schendt de vermelde bepalingen. Het middel is gegrond. Overige grieven
  6. De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie, behoeven geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest, behoudens waar dit de hogere beroepen van de eiser en het openbaar ministerie ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat een tiende van de kosten van het cassatieberoep ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Bepaalt de kosten op 2.072,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260203.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200310.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.