id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.12 Rolnummer: P.25.1461.N Zaak: P. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-17 Raadplegingen: 689 - laatst gezien 2026-06-18 16:58 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: MISDRIJF - POGING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1461.N D. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 8 oktober 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 51 Strafwetboek: uit de vaststelling dat omstaanders op de eiser zijn afgestapt en dat het slachtoffer weerstand bood, leidt het arrest af dat de uitvoering van het misdrijf niet spontaan werd gestaakt en beschouwt het arrest het bestaan van een externe tussenkomst ten onrechte als voldoende en beslissend om een spontane terugtred uit te sluiten; het arrest onderzoekt daarbij niet of de eiser nadien vrijwillig en uit eigen beweging afzag van verdere uitvoering, hoewel hij daartoe nog de mogelijkheid had; het arrest stelt vast dat de eiser het mes niet verder gebruikte, zich afwendde van het slachtoffer, de uitvoering definitief staakte en wegreed, zonder nieuwe uitvoeringshandelingen te stellen, maar preciseert niet waarom deze vaststellingen niet wijzen op een vrijwillige keuze van de eiser om het misdrijf niet door te zetten, terwijl hij objectief nog in staat was om zijn voornemen verder uit te voeren; bovendien typeert het arrest de eiser als impulsief en agressief, lijdend aan verminderde impulscontrole en emotieregulatieproblemen en handelend onder invloed van alcohol en cocaïne, maar verantwoordt het niet hoe deze vaststellingen, die veronderstellen dat eisers handelen werd gekenmerkt door plotse, niet-geplande agressieve uitbarstingen, verenigbaar zijn met het besluit dat hij zijn voornemen niet uit eigen beweging heeft gestaakt; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat de eiser niet werd vastgenomen of overmeesterd, het mes behield, zich alsnog verwijderde uit de situatie en zijn vermeend voornemen tot doden niet verder heeft gezet en dus bewust heeft afgezien van verdere uitvoeringshandelingen, hoewel hij nog de mogelijkheid tot verdere uitvoering had; het arrest stelt niet vast dat de eiser alles heeft gedaan wat hij kon om het slachtoffer te doden. 2. Krachtens artikel 51 Strafwetboek bestaat er strafbare poging, wanneer het voornemen om een misdaad of een wanbedrijf te plegen zich heeft geopenbaard door uitwendige daden die een begin van uitvoering van die misdaad of dat wanbedrijf uitmaken en alleen ten gevolge van omstandigheden, van de wil van de dader onafhankelijk, zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist. 3. Er is strafbare poging wanneer de dader niet spontaan en uit eigen beweging een einde maakt aan de uitwendige daden die een begin van uitvoering van de misdaad of wanbedrijf uitmaken, maar dat enkel doet ten gevolge van een externe gebeurtenis. 4. De rechter oordeelt onaantastbaar of de uitwendige da den die een begin van de uitvoering van het misdrijf uitmaken, alleen ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de dader zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist. 5. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 6. Artikel 149 Grondwet, noch enige andere bepaling of algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter die vaststelt dat de uitwendige daden zoals bedoeld in artikel 51 Strafwetboek alleen ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van de wil van de dader zijn gestaakt of hun uitwerking hebben gemist, om verder te motiveren waarom er volgens hem geen sprake kan zijn geweest van een vrijwillige terugtred, behoudens bij daartoe strekkende conclusie. 7. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 8. Het arrest (p. 16-17) oordeelt, nadat het heeft vastgesteld dat de eiser handelde met het oogmerk om het slachtoffer te doden en met voorbedachten rade, als volgt: “Tot slot werd het misdrijf een halt toegeroepen door omstandigheden onafhankelijk van de wil van [de eiser]. Het is slechts doordat het slachtoffer trachtte te vluchten en weerstand bood en vervolgens ook de omstaanders ingrepen, dat [de eiser] de verdere uitvoering staakte en de vlucht nam. [G.C.] verklaarde: “Een collega van mij, zijnde [H.] stapte op de man af, waarop [de eiser] stopte en de vlucht nam met de wagen van de vrouw”. Dit wordt ook bevestigd door de verklaring van [B.J.]: “Op dat ogenblik stonden al meerdere mensen buiten en ging een collega [H.] naar de man om hem van de vrouw weg te halen. De man met het mes had opeens door dat wij allemaal dichter begonnen te komen teneinde de vrouw te helpen, hierop liep hij naar de auto en stapte in. Hij vertrok met gierende banden”. Alsook in deze van [H.R.]: “[De eiser] heeft haar bij het haar en snijdt haar in de halsstreek. Daarop spreek ik [de eiser] aan “Laat haar met rust”. [De eiser] bedreigt mij hierop met het mes. Hij wijst in mijn richting. Ik zeg hierop “laat haar met rust, als je wilt vechten, vecht met mij”. Hierop kijkt [de eiser] naar mij. Hij neemt het mes mee en loopt naar het voertuig en vertrekt met gierende banden.” Ook het slachtoffer verklaarde dat het doordat de omstaanders op hem zijn beginnen roepen dat hij in zijn wagen was gestapt.” 9. Met deze redenen kan het arrest wettig oordelen dat het voornemen van de eiser om de moord op het slachtoffer te plegen alleen ten gevolge van omstandigheden, van de wil van de eiser onafhankelijk, is gestaakt of zijn uitwerking heeft gemist, zonder verder te moeten motiveren waarom er volgens hem geen sprake kan zijn geweest van een vrijwillige terugtred. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.