← België

D. contra F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.13 Rolnummer: P.25.1548.N Zaak: D. contra F. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-17 Raadplegingen: 697 - laatst gezien 2026-06-18 17:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1548.N K. D. J., inverdenkinggestelde, eiseres, met als raadsman mr. Peter Gonnissen, advocaat bij de balie Gent, tegen G. F., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 oktober 2025. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het arrest bevestigt op burgerlijk gebied de beroepen beschikking waarbij de eiseres wordt veroordeeld tot het betalen van een onbenoemde provisionele schadevergoeding van één euro aan de verweerder, meer rente en de kosten, en verwijst de zaak voor verdere afhandeling van de burgerlijke belangen terug naar de eerste rechter, waarbij het de beslissing over de kosten van het hoger beroep aanhoudt en de zaak op dat vlak onbepaald uitstelt. 2. Behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid, zijn de voormelde beslissingen geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin beslissingen als bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, is het cassatieberoep wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Middel 3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de motiveringsverplichting. Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert aan dat de beslissing tot internering van de eiseres niet regelmatig met redenen is omkleed; de kamer van inbeschuldigingstelling antwoordt immers niet op de appelconclusie van de eiseres waarin zij onder “middel 2” heeft aangevoerd dat de door haar gepleegde feiten moeten worden beschouwd als noodweer en wettige zelfverdediging als reactie op het door de verweerder tegen haar gebruikte, levensbedreigende partnergeweld; het arrest antwoordt evenmin op het verweer van de eiseres dat er geen oorzakelijk verband is tussen een eventuele geestesstoornis en de door haar gepleegde feiten, die voortvloeien uit zelfverdediging; het is voor de eiseres dan ook onmogelijk om de beslissing tot internering te begrijpen. 5. Artikel 9, § 1, Interneringswet, dat de voorwaarden bepaalt om de internering van een persoon te bevelen, vereist niet dat er een oorzakelijk verband wordt vastgesteld tussen de geestesstoornis en de gepleegde feiten op grond waarvan de internering wordt bevolen. Dat in het verplicht te bevelen forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek bij toepassing van artikel 5, § 1, 2°, Interneringswet moet worden nagegaan of er mogelijk een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten, doet hieraan geen afbreuk. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 6. Het arrest (p. 10-11, nr. 8.1) oordeelt dat het in het verslag van de gerechtsdeskundige vastgestelde beeld van cluster B (borderline) persoonlijkheidsstoornis met chronisch middelenmisbruik met mogelijk cognitieve aantasting wijst op een onderliggende geestesstoornis die het oordeelsvermogen van de eiseres of de controle over haar daden, ook op het ogenblik van het arrest, ernstig aantast, waarbij er volgens de gerechtsdeskundige een oorzakelijk verband bestaat tussen de geestesstoornis en de feiten. Het arrest (p. 9) oordeelt tevens dat: - de eiseres zich niet op de rechtvaardigingsgrond van de wettige verdediging kan beroepen; - de eiseres zelf meermaals verklaarde dat ze het aardappelmes waarmee ze de verweerder heeft verwond op voorhand mee in bed had genomen en verstopt onder haar matras voor het geval de verweerder haar opnieuw zou aanvallen; - de eiseres op voorhand al de intentie had om de verweerder ernstig te verwonden; - het door de eiseres gebruikte geweld niet evenredig was met het door de verweerder gebruikte geweld, dat ze zich achteraf erover beklaagde dat ze “niet hard genoeg gestoken zal hebben” en hieruit ook blijkt dat ze zich ook niet bevond in een situatie van morele dwang zoals bedoeld in artikel 411 Strafwetboek; - hieraan geen afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat de verweerder werd veroordeeld omdat hij haar slagen en verwondingen heeft toegebracht. Met die redenen, die de eiseres in staat stellen de beslissing tot internering te begrijpen, verwerpt en beantwoordt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 7. Het onderdeel voert aan dat de beslissing tot internering van de eiseres niet regelmatig met redenen is omkleed omdat de kamer van inbeschuldigingstelling zich beperkt tot de vaststelling dat is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor de internering en niet motiveert waarom niet wordt geantwoord op het verweer van de eiseres dat de feiten uitsluitend verklaarbaar zijn ingevolge noodweer en er geen oorzakelijk verband is tussen een eventuele geestesstoornis en die feiten. 8. Het onderdeel is volledig afgeleid uit het in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel 9. Het onderdeel voert aan dat de beslissing tot internering van de eiseres niet regelmatig met redenen is omkleed; de kamer van inbeschuldigingstelling antwoordt immers niet op de appelconclusie van de eiseres waarin zij onder “middel 5” heeft aangevoerd dat de verslagen van de artsen L. en K. afwijken van het verslag van gerechtsdeskundige S. en dat er geen enkele reden is om dat laatste verslag te verkiezen boven de verslagen van de artsen L. en K.; het arrest baseert zich op het verslag van gerechtsdeskundige S. zonder te motiveren waarom de verslagen van de artsen L. en K. geen waarde zouden hebben; het is voor de eiseres dan ook onmogelijk om de beslissing op dit punt te begrijpen. 10. Het arrest (p. 9-10, nr. 5) oordeelt voldoende te zijn ingelicht door het verslag van gerechtsdeskundige S. en dat de aanstelling van een nieuwe forensische gerechtspsychiater of een college van deskundigen zich dan ook niet opdringt, dat de gerechtsdeskundige S. omstandig heeft geantwoord op de diverse opmerkingen op zijn voorverslag en daarbij ook het medisch verslag van de behandelende arts van de eiseres, dokter K., heeft betrokken in zijn advies. Het oordeelt bovendien (arrest, p. 11) dat de bevindingen van gerechtsdeskundige S. ook steun vinden in het medisch verslag van dokter K. die heeft gesteld dat de eiseres bij hem gekend is met een borderline- en verslavingsproblematiek, en dat bovendien ook uit het rapport van wetsarts D. blijkt dat in de in beslag genomen medische dossiers sprake is van escalerend cannabis- en amfetaminegebruik. Met die redenen, die de eiseres toelaten de beslissing op dit punt te begrijpen, verwerpen en beantwoorden de appelrechters het in het onderdeel bedoelde verweer met betrekking tot de medische en psychiatrische verslagen over de geestestoestand van de eiseres. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel 11. Het onderdeel voert aan dat de beslissing tot internering van de eiseres niet regelmatig met redenen is omkleed omdat de kamer van inbeschuldigingstelling niet motiveert waarom niet wordt geantwoord op het verweer van de eiseres dat het verslag van gerechtsdeskundige S. niet kan worden verkozen boven de verslagen van de artsen L. en K. en waarom geen bijkomend onafhankelijk deskundigenonderzoek of de aanstelling van deskundigen aangewezen is. 12. De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter de redenen van zijn redenen moet vermelden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit het in het derde onderdeel vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.