← België

C. contra K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.3 Rolnummer: P.25.1599.N Zaak: C. contra K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-17 Raadplegingen: 664 - laatst gezien 2026-06-18 16:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Tekst van de beslissing Nr. P.25.1599.N 1. F. C., beklaagde, eiser, 2. S. S., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Fouad Marchouh, advocaat bij de balie Limburg, beide cassatieberoepen tegen 1. S. K., burgerlijke partij, 2. M. S., burgerlijke partij, verweersters. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 6 november 2025. De eiser 1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiseres 2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser 1 1. Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 8 en 9bis Probatiewet: met het oordeel dat enkel een effectieve gevangenisstraf van zes jaar recidive kan voorkomen, verantwoordt het arrest niet naar recht dat aan de eiser 1 geen probatiemaatregel kan worden opgelegd; de eiser 1 heeft voor het hof van beroep verzocht om een met redenen omkleed advies in te winnen van een dienst, gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten, alvorens hem een straf met probatie-uitstel op te leggen; het arrest weigert om een dergelijk advies in te winnen, terwijl dit precies ertoe strekt de opportuniteit en de noodzakelijkheid van een eventuele probatiemaatregel na te gaan, wat immers onmogelijk door de strafrechter zelf kan worden bepaald; aangezien de weigering om een straf met uitstel op te leggen met redenen moet zijn omkleed, is het arrest dan ook evenmin afdoende gemotiveerd. 2. Volgens artikel 8, § 1, eerste lid, Probatiewet is uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf niet mogelijk indien het vonnisgerecht de beklaagde veroordeelt tot een hoofdvrijheidsstraf van meer dan vijf jaar. Aangezien in dat geval ook geen probatie-uitstel van tenuitvoerlegging kan worden verleend, dient de rechter die de beklaagde veroordeelt tot een hoofdvrijheidsstraf van meer dan vijf jaar niet te antwoorden op een verzoek om een dergelijk uitstel. 3. Volgens artikel 9bis, eerste lid, Probatiewet dient de rechter, alvorens op grond van een in die bepaling bedoeld misdrijf, gepleegd op minderjarigen of met hun deelneming, een probatiemaatregel op te leggen, een met redenen omkleed advies in te winnen van een dienst, gespecialiseerd in de begeleiding of de behandeling van seksuele delinquenten. Die verplichting geldt niet wanneer de rechter oordeelt dat geen uitstel van de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf kan worden verleend, ook al heeft de beklaagde uitdrukkelijk om de toepassing van die bepaling verzocht. 4. Het middel, dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel van de eiser 1 en middel van de eiseres 2 5. Het middel voert schending aan van artikel 162bis Wetboek van Strafvordering, de artikelen 557 en 1022 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 2 en 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: de veroordeling van de eisers tot het betalen aan de verweerster 2 van een rechtsplegingsvergoeding van 1.650,00 euro voor de procedure in eerste aanleg en een rechtsplegingsvergoeding van 1.726,74 euro voor de procedure in hoger beroep, is niet naar recht verantwoord; de appelrechters gaan aldus ten onrechte uit van een vordering in de schaal van 10.000,01 euro tot 20.000,00 euro, terwijl de verweerster 2 in haar laatste conclusie een totale schadevergoeding vorderde van 9.620,00 euro; die vordering situeerde zich bijgevolg in de schaal van 5.000,01 euro tot 10.000,00 euro, zodat de rechtsplegingsvergoeding voor de procedure in eerste aanleg 1.350,00 euro bedraagt en deze voor de procedure in hoger beroep 1.412,79 euro; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de tegenstrijdige motivering van het arrest (p. 30), dat in het motiverend gedeelte rechtsplegingsvergoedingen van 1.350,00 euro en 1.412,79 euro vermeldt, maar in het beschikkend gedeelte ervan de eisers veroordeelt tot rechtsplegingsvergoedingen van 1.650,00 euro en van 1.726,74 euro. 6. Uit artikel 1022, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1, eerste lid, en 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding en de daarin gemaakte verwijzing naar de artikelen 557 en 618 Gerechtelijk Wetboek volgt dat in beginsel het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor een in geld waardeerbare vordering wordt bepaald volgens de in artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding vermelde tabel en dit op grond van de som van de vordering in de laatste conclusie, waarbij rekening wordt gehouden met de gevorderde vergoedende interesten, dit zijn de gevorderde interesten vervallen tussen de datum van het misdrijf en de datum waarop de burgerlijke partij haar in geld waardeerbare vordering voor het strafgerecht heeft geformuleerd, zonder dat daarbij rekening wordt gehouden met de gerechtelijke vergoedende interesten, dit zijn de interesten vanaf de datum waarop de burgerlijke partij haar voor de strafrechter in geld waardeerbare vordering heeft geformuleerd en de datum van de rechterlijke beslissing, noch met de gerechtelijke verwijlinteresten, zijnde de interesten vanaf de uitspraak. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de verweerster 2, nadat de zaak ingevolge de verwijzingsbeschikking van 16 februari 2024 door de raadkamer bij de correctionele rechtbank aanhangig werd gemaakt, een vordering tot schadevergoeding tegen de eisers heeft ingesteld ten belope van een bedrag van 9.620,00 euro, namelijk 2.120,00 euro wegens materiële schade en een bedrag van 7.500,00 euro wegens morele schade, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 31 maart 2019, dit is de begindatum van de bewezenverklaarde misdrijven, tot aan de datum van het beroepen vonnis en vanaf dan te vermeerderen met de gerechtelijke intresten tot aan de dag van de volledige betaling; - deze vordering in het beroepen vonnis van 4 oktober 2024 gegrond werd verklaard; - de verweerster 2 in hoger beroep heeft gevorderd dat de eisers zouden worden veroordeeld om haar een materiële schadevergoeding te betalen van 2.120,00 euro en een morele schadevergoeding van 7.500,00 euro, te vermeerderen met vergoedende interesten vanaf 31 maart 2019 en gerechtelijke intresten. 8. Het arrest veroordeelt de eisers in solidum tot een definitieve morele schadevergoeding van 7.500,00 euro, te vermeerderen met de compensatoire intresten aan wettelijke intrestvoet vanaf 31 maart 2019 tot de datum van het arrest en met de moratoire intresten op dit bedrag aan dezelfde intrestvoet vanaf de datum van het arrest tot de algehele betaling, alsook tot een definitieve materiële schadevergoeding van 2.120,00 euro, te vermeerderen met de compensatoire intresten aan wettelijke intrestvoet vanaf 15 maart 2023 tot de datum van het arrest en met de moratoire intresten op dit bedrag aan dezelfde intrestvoet vanaf de datum van het arrest tot de algehele betaling. 9. Gelet op de gevorderde totale hoofdsom van 9.620,00 euro en de voormelde gevorderde vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet op de bedragen van 7.500,00 euro en van 2.120,00 euro, is het oordeel van de appelrechters dat de aan de verweerster 2 toekomende rechtsplegingsvergoedingen moeten worden bepaald op grond van een vordering in de schaal van 10.000,01 euro tot 20.000,00 euro, naar recht verantwoord. De vermelding van rechtsplegingsvergoedingen van 1.350,00 euro en 1.412,79 euro in het motiverend gedeelte van het arrest (p. 30, nr. 55, vierde alinea), dat eveneens de correcte rechtsplegingsvergoedingen van 1.650,00 euro en van 1.726,74 euro vermeldt (p. 30, nr. 55, eerste alinea), berust op een klaarblijkelijke verschrijving. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 166,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.