id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
§ 3
, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht op tegenspraak en het recht op wapengelijkheid: het arrest verklaart ten onrechte de strafvordering niet onontvankelijk; het is namelijk niet mogelijk om de wettigheid van de inlichtingen op basis waarvan het strafonderzoek werd opgestart, na te gaan; doordat de herkomst van de inlichtingen niet nader wordt toegelicht en aan de eiser de verplichting wordt opgelegd om de onwettigheid van de inlichtingen aan te tonen, worden de loyaliteitsplicht van het openbaar ministerie en de wapengelijkheid miskend en wordt de bewijslast omgekeerd; het begrip “politionele inlichtingen” kan niet worden gebruikt om een naar Belgisch of buitenlands recht begane onregelmatigheid bij het verkrijgen van informatie of bij de toepassing van onderzoeksmethoden toe te dekken of om valse informatie in het strafdossier op te nemen; dat de eiser verweer kan voeren over de inlichtingen, volstaat niet om de strafvordering niet onontvankelijk te verklaren of om niet minstens tot bewijsuitsluiting over te gaan. 2. Overeenkomstig artikel 28bis, §
§ 3
, Wetboek van Strafvordering wordt het opsporingsonderzoek à charge en à décharge gevoerd, waakt de procureur des Koning over de wettigheid van de bewijsmiddelen en draagt hij de verantwoordelijkheid voor het opsporingsonderzoek.
- Er bestaan geen algemene rechtsbeginselen van de wapengelijkheid en het recht op tegenspraak, die onderscheiden zijn van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op een eerlijk proces.
- Een inlichting is een gegeven dat op zich geen bewijs oplevert, maar alleen nuttig is om een onderzoek op te starten of in een bepaalde richting te sturen, waarna er autonoom bewijs wordt verzameld.
- Noch het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces en recht van verdediging, noch artikel 28bis, §
§ 3
, Wetboek van Strafvordering verzet zich tegen het gebruik van informatie louter als inlichting, voor zover niet blijkt dat die informatie op een onregelmatige wijze is verkregen.
- Evenmin verzetten die bepalingen en die algemene rechtsbeginselen zich ertegen dat een beklaagde die aanvoert dat dergelijke informatie op een onregelmatige wijze is verkregen, die aanvoering enigszins aannemelijk moet maken. Daartoe volstaat het louter in vraag stellen van de regelmatigheid van de informatie niet.
- Die aanvoeringsplicht impliceert niet dat aan de beklaagde de bewijslast wordt opgelegd van de onregelmatigheid van het lastens hem verkregen bewijs.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt in dezelfde zin, alsook onder meer dat: - het slechts door het uitvoeren van de diverse huiszoekingsbevelen is dat de eigenlijke bewijsgaring in dit dossier een aanvang nam; - de verdediging geenszins aannemelijk maakt dat de geviseerde politionele inlichtingen op onregelmatige wijze werden verkregen; - in het licht van de ganse rechtsgang het recht op een eerlijk proces van de beklaagden door het gebruik van deze politionele inlichtingen als start van het onderzoek in geen enkel opzicht werd aangetast, aangezien de beklaagden over de betwiste inlichtingen, die als dusdanig geen enkele bewijswaarde hebben, uitgebreid verweer hebben kunnen voeren in de loop van het tegensprekelijk debat in eerste aanleg en in hoger beroep en de beklaagden alles hebben kunnen aanvoeren wat nuttig werd geacht voor hun verweer. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het begrip feitelijk vermoeden: het arrest kan uit de vaststellingen die het bevat en die het middel opsomt, de schuld van de eiser aan de telastleggingen A (vervaardigen van BMK), B (aanmaak van amfetamines), C (bezit van amfetamines) en D (verkoop van amfetamines) niet wettig afleiden.
- Het middel dat formeel onwettigheden aanvoert, maar dat in werkelijkheid geheel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van het recht van verdediging: voor de motivering van de beslissingen inzake de regelmatigheid van de bewijsgaring en de schuldigverklaring van de eiser verwijst het arrest enkel naar de redenen van het beroepen vonnis en naar redenen die het vermeldt met betrekking tot een andere beklaagde; met die redenen kan de beslissing van het hof van beroep niet op zichzelf staan; bovendien is het arrest zodoende gemotiveerd op een stereotype en op alle zaken toepasselijke wijze.
- Het arrest motiveert de schuldigverklaring van de eiser aan de respectieve hem ten laste gelegde feiten niet enkel met redenen die het overneemt van het beroepen vonnis, maar ook met eigen redenen.
- Evenmin verwijst het arrest voor de schuldigverklaring van de eiser zonder meer naar louter feitelijke gegevens of informatie, maar vermeldt het telkens de redenen waarom het uit die gegevens of informatie de schuld van de eiser aan de hem ten laste gelegde feiten afleidt.
- In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verbiedt een appelgerecht om een voor dat gerecht ontwikkeld verweer te beantwoorden door overname van redenen van de eerste rechter of door verwijzing naar redenen waarop het de schuldigverklaring van een andere beklaagde aan dezelfde telastlegging steunt. Het appelgerecht maakt zich die redenen immers eigen door de overname ervan of de verwijzing ernaar. Het moet daarvoor die redenen niet herhalen of samenvatten.
- Het feit dat het appelgerecht zijn beslissing onder meer steunt op bepaalde redenen die het overneemt van het beroepen vonnis of die het vermeldt met betrekking tot een andere beklaagde, maakt de motivering van het appelgerecht niet stereotype of zonder meer toepasselijk op alle zaken.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest bevat, met inbegrip van deze die het overneemt en waarnaar het verwijst, vermeldt het de feiten waaraan het de eiser schuldig verklaart, alsook de straf en de toegepaste wetsbepalingen. Die redenen laten de eiser toe zijn schuldigverklaring te begrijpen en laten het Hof toe zijn wettigheidscontrole uit te oefenen. Aldus is het arrest regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 222,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div