id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.5 Rolnummer: P.26.0097.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-17 Raadplegingen: 622 - laatst gezien 2026-06-18 23:06 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0097.N I. G., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Christian Clement, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 13 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 37, eerste lid, Wet Strafuitvoering: de strafuitvoeringsrechter doet uitspraak over eisers verzoek tot elektronisch toezicht zonder hem te horen, hoewel hij daartoe gehouden is; een eerder verzoek van de eiser tot elektronisch toezicht werd afgewezen bij vonnis van 16 september 2025 en in zijn verzoek van 16 november 2025 heeft hij uitdrukkelijk gevraagd om te worden gehoord. 2. Artikel 37, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat wanneer de strafuitvoeringsrechter weigert de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit toe te kennen, de veroordeelde het recht heeft om bij het volgende verzoek tot toekenning van eenzelfde strafuitvoeringsmodaliteit te vragen om te worden gehoord. 3. Artikel 4 van de wet van 18 juli 2025 houdende maatregelen met het oog op de vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft, die in werking is getreden op 4 augustus 2025, bepaalt dat, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, tot 1 juni 2030 onder meer artikel 37 Wet Strafuitvoering niet van toepassing is ten aanzien van de veroordeelde die een of meer vrijheidsstraffen ondergaat waarvan het uitvoerbaar gedeelte drie jaar of minder bedraagt. 4. Uit geen enkele andere wettelijke bepaling volgt dat gedurende de periode van niet-toepasbaarheid van artikel 37, eerste lid, Wet Strafuitvoering de strafuitvoeringsrechter slechts uitspraak kan doen over het verzoek van een veroordeelde tot toekenning van een strafuitvoeringsmodaliteit nadat hij de veroordeelde heeft gehoord. Noch het feit dat de veroordeelde in zijn verzoek tot toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit uitdrukkelijk heeft gevraagd om te worden gehoord noch het feit dat voorheen een of meer verzoeken van de veroordeelde werden afgewezen, laat toe anders te oordelen. 5. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel 6. Het middel voert schending aan van artikel 782bis, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek: uit het vonnis noch uit een ander dossierstuk blijkt dat het vonnis werd uitgesproken in aanwezigheid van het openbaar ministerie. 7. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 13 januari 2026, waarop het vonnis werd uitgesproken, blijkt dat P. V. T. namens het openbaar ministerie ter rechtszitting aanwezig was. Aldus werd het vonnis wel degelijk in aanwezigheid van een lid van het openbaar ministerie uitgesproken. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.