id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.6 Rolnummer: P.25.1555.N Zaak: M. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-02-17 Raadplegingen: 707 - laatst gezien 2026-06-18 17:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Tekst van de beslissing Nr. P.25.1555.N S. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen E. H., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 22 oktober 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het beroepen vonnis verklaart op burgerlijk gebied de vordering van de verweerster gegrond in die mate dat de eiser wordt veroordeeld om haar de som van 7.500,00 euro als provisionele schadevergoeding te betalen en het stelt een geneesheer-deskundige aan om nauwkeurig de bij de verweerster vastgestelde letsels en aandoeningen, hun evolutie, de ondergane behandelingen, de eventuele verwikkelingen en de geformuleerde klachten te beschrijven en te verduidelijken in welke mate ze toe te schrijven zijn aan het door de eiser gepleegde misdrijf. Het houdt de beslissing over de definitieve bepaling van de schadevergoeding voor de verweerster, de verschuldigde intresten en vergoeding van de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan. Het arrest bevestigt het bestreden vonnis op burgerlijk gebied, met die wijziging dat de provisionele schadevergoeding wordt bepaald op 10.000,00 euro, verzendt de zaak terug naar de eerste rechter voor verdere afhandeling van de burgerlijke vordering van de verweerster en houdt de beslissing over de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, aan. Dit zijn geen eindbeslissingen in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en die beslissingen zijn evenmin bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, behoudens wat betreft de beslissing over het beginsel van aansprakelijkheid. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 417/1, 1° en 2°, Strafwetboek: het arrest kan niet wettig oordelen dat de wurging moet worden afgezonderd van het geheel aan feiten van in het bijzonder de telastleggingen B (opzettelijke slagen aan partner die een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge hebben) en C (onmenselijke behandeling) en dat die wurging onder de telastlegging A moet worden omschreven als het misdrijf foltering, met de verzwarende omstandigheid dat de handeling een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt; de verwijzingsbeschikking, noch de dagvaarding, zonderen de wurging af van het geheel aan gedragingen die zich voordeden op 18 juni 2023; de eerste rechter oordeelde dat de kwalificatie van poging doodslag niet past voor de telastlegging A en dat de feiten van die telastlegging te vereenzelvigen zijn met de feiten onder de telastlegging B; de schuldigverklaring aan de telastlegging B behoorde, net zoals de schuldigverklaring aan de telastlegging C, niet meer tot de saisine van het hof van beroep. 3. De vonnisrechter oordeelt aan de hand van de verwijzingsbeslissing en zo nodig de daaraan ten grondslag liggende gegevens van het strafdossier onaantastbaar welke feiten het onderzoeksgerecht bij hem aanhangig heeft gemaakt. 4. Wanneer het beroepen vonnis oordeelt dat de feiten van een telastlegging zich vereenzelvigen met de feiten van een andere telastlegging en het openbaar ministerie tegen die beslissing hoger beroep aantekent en hierover een grief formuleert, oordeelt het appelgerecht onaantastbaar of onder de onderscheiden telastleggingen dezelfde dan wel andere feiten worden bedoeld. Het kan daarbij oordelen dat specifieke feiten uit een ruimer complex van feiten wel, en andere niet, onder de omschrijving van een bepaalde telastlegging vallen. 5. Het Hof gaat wel na of de vonnisrechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond van die vaststellingen onmogelijk te verantwoorden zijn. 6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 7. Het beroepen vonnis (p. 8) oordeelde dat er geen sprake was van een poging doodslag door de eiser, zoals bedoeld in de telastlegging A, omdat hij, “hoewel het voornemen om te doden er was (zijn bedreigingen) en hij daartoe uitwendige daden heeft gesteld (het wurgen tot zij het bewustzijn verloor)”, uit eigen wil de poging tot het doden heeft gestaakt. Het vonnis oordeelde verder dat de feiten onder de telastlegging A daarom te “vereenzelvigen” zijn met de feiten onder de telastlegging B omdat beide telastleggingen dezelfde handelingen, namelijk geweldplegingen van de eiser op de verweerster viseren, waardoor zij ernstige verwondingen opliep met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Het beroepen vonnis (p. 8) oordeelde verder dat de feiten onder de telastlegging B bewezen zijn, verwijzend naar de verklaringen van zowel de verweerster als van de eiser, het fotodossier, het attest van arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van betwisting. Het veroordeelde de eiser onder meer voor de telastlegging B, “waarmee telastlegging A zich vereenzelvigt”. Over de feiten onder de telastlegging C oordeelde het beroepen vonnis (p. 9) dat deze bewezen zijn, evenwel zonder de verzwarende omstandigheid. Het omschrijft deze feiten als volgt: “[De eiser] heeft tot twee maal toe het hoofd van [de verweerster] in het toilet geduwd en doorgespoeld, liet haar hondenvoeding eten, liet haar water uit de drinkbak van de hond drinken, deed haar een leiband om, verplichtte haar zijn schoenen schoon te likken, verplichtte haar zijn handen schoon te likken,… en dit om haar te verplichten eerlijk te zijn over wat zij met een andere jongen zou hebben gedaan, om haar te straffen en om zijn macht over haar te tonen.” 8. Het openbaar ministerie formuleerde in zijn grievenformulier, zoals bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering, een grief over de schuld: “Mijn ambt betwist de vereenzelviging van telastlegging A met de feiten onder telastlegging B. De feiten betreffen zowel poging doodslag als opzettelijke slagen en verwondingen.” 9. Het tussenarrest van 15 januari 2025 oordeelt dat het beroepen vonnis aan de beoordeling van het appelgerecht onderworpen is, onder meer voor wat betreft de schuld van de eiser aan de telastlegging A en de daaraan gekoppelde kwalificatie. 10. Het arrest herkwalificeert de feiten onder de telastlegging A naar een inbreuk op de artikelen 417/1, 1° en 417/2, tweede lid, 2°, Strafwetboek, namelijk de verweerster te Brugge op 18 juni 2023 te hebben onderworpen aan foltering, zijnde elke opzettelijke onmenselijke behandeling die hevige pijn of ernstig en vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden veroorzaakt, met de verzwarende omstandigheid dat de handeling een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt, en verklaart deze geherkwalificeerde feiten bewezen. 11. Het arrest (p. 28-30) steunt dit oordeel op onder meer de volgende redenen: - uit het feitenrelaas zoals door de verweerster geschetst blijkt dat de eiser herhaaldelijk heeft gedreigd haar te doden en dat hij haar herhaaldelijk heeft gewurgd, waarbij ze enkele keren het bewustzijn heeft verloren, maar ook dat telkens zij het bewustzijn verloor, de eiser haar opnieuw begon te slaan tot ze weer wakker werd en de eiser zei “je moet erbij blijven, ik ben nog niet klaar met jou”; ook de eiser legde een gelijkaardige verklaring af omtrent het wurgen; - bijgevolg kan niet boven elke gerede twijfel worden vastgesteld of de eiser effectief de volgehouden bedoeling had de verweerster te doden; - ook de gebeurtenissen erna ondersteunen dit; - hieruit blijkt wel dat de eiser haar opzettelijk leed wou toebrengen; - de door de eiser gestelde handelingen, zoals geviseerd door de telastlegging A, met name het herhaaldelijk wurgen van de verweerster met de gelijklopende mondelinge bedreiging haar te doden om vervolgens haar na het ingevolge de wurging ingetreden bewustzijnsverlies opnieuw wakker te slaan en deze handelingen van voor af aan opnieuw te stellen, maken in casu wel degelijk het misdrijf foltering uit; - dat de eiser in het beroepen vonnis ook onder de telastlegging C definitief werd veroordeeld voor de onmenselijke behandeling (inbreuk op de artikelen 417/1, 2° en 417/3, eerste lid, Strafwetboek), staat deze herkwalificatie niet in de weg, gezien deze betrekking heeft op andere feitelijke gedragingen (zoals dat ook blijkt uit de motivering van het beroepen vonnis zijnde “[de eiser] heeft tot twee maal toe het hoofd van [de verweerster] in het toilet geduwd en doorgespoeld, liet haar hondenvoeding eten, liet haar water uit de drinkbak van de hond drinken, deed haar een leiband om, verplichtte haar zijn schoenen schoon [te] likken, verplichtte haar zijn handen schoon te likken…”; - door zich te beperken tot de wurging worden geen nieuwe feiten toegevoegd aan de geherkwalificeerde telastlegging A die oorspronkelijk de poging doodslag (door wurging zoals blijkt uit het strafdossier) voorzag; - hetzelfde geldt voor wat betreft de telastlegging B dat (enkel) betrekking heeft op opzettelijke slagen en verwondingen met een tijdelijke arbeidsongeschiktheid en gespreid in de tijd, met name niet alleen op 18 juni 2023, maar ook ervoor en erna; eenzelfde feit kan trouwens verscheidene misdrijven opleveren. 12. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de feiten van “het herhaaldelijk wurgen van de verweerster met de gelijklopende mondelinge bedreiging haar te doden om vervolgens haar na het ingevolge de wurging ingetreden bewustzijnsverlies opnieuw wakker te slaan en deze handelingen van voor af aan opnieuw te stellen” een geheel van feiten uitmaakt dat afzonderlijk bestaat van de feiten van de overige telastleggingen en dat die feiten onder de telastlegging A te kwalificeren zijn als foltering met de vermelde verzwarende omstandigheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel 13. Het middel voert schending aan van artikel 417/1, 1° en 417/2, tweede lid, 2°, Strafwetboek: het arrest kan met de erin gedane vaststellingen niet wettig oordelen dat de feiten, die gespecificeerd worden tot de wurging van de verweerster, het misdrijf foltering uitmaken met de verzwarende omstandigheid dat de handeling een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden, hetzij een volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt; het arrest kan de volledige minachting voor het individu van de verweerster immers niet louter afleiden uit het feit dat de wurging in hetzelfde kader zou zijn gepleegd als de feiten onder de overige telastleggingen; het arrest kan bovendien de vereiste hevigheid van het toegebrachte leed niet vaststellen aan de hand van de verwondingen bij de verweerster, want zo gaat het voorbij aan het gegeven dat de fysieke verwondingen en het psychische leed tevens het gevolg zijn van de andere telastleggingen, namelijk opzettelijke slagen en verwondingen en onmenselijke behandeling, hetgeen niet meer tot de saisine van het hof behoorde; bovendien werden bijvoorbeeld geen puntbloedingen en ontlasting bij de verweerster vastgesteld, hetgeen toch bijzonder typerend is bij verregaande wurging. 14. Volgens artikel 417/1, 1°, Strafwetboek wordt onder foltering verstaan elke opzettelijke onmenselijke behandeling die hevige pijn of ernstig en vreselijk lichamelijk of geestelijk lijden veroorzaakt. 15. Dat misdrijf vereist gewelddaden die gekenmerkt worden door de ernst van de handeling in zoverre de handeling getuigt van volledige minachting voor het individu, alsook door de hevigheid van het opzettelijk aan het slachtoffer toegebrachte leed. De rechter oordeelt hierover onaantastbaar. 16. Het is de appelrechter bij deze beoordeling niet verboden om ook andere feiten uit een ruimer complex van feiten te betrekken, die het voorwerp kunnen zijn van andere, door de eerste rechter definitief bewezen verklaarde telastleggingen, zoals het toebrengen van slagen of verwondingen of het onderwerpen van het slachtoffer aan een onmenselijke behandeling, zoals bedoeld in artikelen 417/1, 2° en 417/3, eerste lid, Strafwetboek, in dezelfde tijdsperiode als de te beoordelen specifieke feiten van foltering. 17. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond van die vaststellingen onmogelijk te verantwoorden zijn. 18. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 19. Het arrest (p. 29) oordeelt dat: - de door de eiser op de verweerster gestelde handelingen, met name het herhaaldelijk wurgen van de verweerster met de gelijklopende mondelinge bedreiging haar te doden om vervolgens haar na het ingevolge de wurging ingetreden bewustzijnsverlies opnieuw wakker te slaan en deze handelingen van voor af aan opnieuw te stellen, getuigen van een volledig misprijzen voor de fysieke en mentale integriteit van haar individu; - de wurging door de eiser immers in hetzelfde kader werd gepleegd als de andere feiten van die dag en de dag erna (zijnde de opzettelijke slagen, de onmenselijke behandeling, de wederrechtelijke vrijheidsberoving vermeld onder de telastlegging D, de verkrachting(
- en)vermeld onder de telastlegging F en de bedreigingen vermeld onder de telastlegging G), met name een kader van een misprijzen en diepe minachting van de verweerster die op dat ogenblik als een te straffen en te vernederen object werd behandeld; - de eiser opzettelijk de verweerster aan een onmenselijke behandeling heeft onderworpen die bij deze hevige pijn en ernstig en vreselijk lichamelijk lijden heeft veroorzaakt; het opzettelijk toegebrachte leed was zeer hevig en blijkt uit de aard van de gestelde handelingen, de opgelopen fysieke verwondingen en het psychisch leed (zoals dit ondersteund wordt door het verslag van dr. W.); uit de verklaring van de verweerster blijkt bovendien dat hoewel ze aanvankelijk in de relatie getracht had zich te verzetten, dit tevergeefs was en in tegendeel de eiser nog driester te werk ging of zoals de verweerster het zelf verwoordde: “Ik heb rap geleerd dat dit geen goed plan was, omdat ik het dan dubbel en dik terug krijg”; het is dan ook zeer begrijpelijk dat ze, zoals ze zelf meermaals verklaarde, uit vrees niet inging tegen de eiser; - er reeds werd verwezen naar de verwondingen die naderhand werden vastgesteld; ook de foto’s gevoegd aan het strafdossier spreken boekdelen; dat hierop ook andere verwondingen te zien zijn die het gevolg zijn van andere feiten/telastleggingen, doet hieraan geen afbreuk; uit de foto’s blijken duidelijk de verwondingen aan de hals; de petechiën tonen de materialiteit van de gestelde wurging op de hals afdoende aan; - er hierbij volledig geloof wordt gehecht aan de verklaring van de verweerster, wiens verwondingen ter zake, zoals deze ook blijken uit de foto’s, haar verklaring des te meer ondersteunen; dit in tegenstelling tot de verklaring van de eiser, die tijdens zijn verhoor weliswaar gedeeltelijke bekentenissen aflegde, maar omtrent de zwaarste aantijgingen voornamelijk stelde zich niets of weinig te herinneren, dan wel de feiten te ontkennen; - uit de bevindingen van het deskundigenverslag blijkt dat er sprake is van een blijvende ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid met een weerslag op de economische en professionele situatie; de pertinente overwegingen in het verslag die tot de voormelde conclusie hebben geleid worden bijgetreden; dat het, gelet op de aard en ernst van de door de eiser gestelde voormelde handelingen, ten zeerste aannemelijk is dat er bij de verweerster sprake is van een ernstig post-traumatisch stresssyndroom dat een dergelijke weerslag heeft op haar geschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid. 20. Anders dan het middel aanvoert, blijkt niet dat het arrest de volledige minachting van de eiser voor het individu van de verweerster louter afleidt uit het feit dat de wurging in hetzelfde kader zou zijn gepleegd als de feiten onder de overige telastleggingen, aangezien de appelrechters bij hun beoordeling ook betrekken dat deze minachting blijkt uit de door de eiser gestelde handelingen van het herhaaldelijk wurgen van de verweerster met de gelijklopende mondelinge bedreiging haar te doden om vervolgens haar na het ingevolge de wurging ingetreden bewustzijnsverlies opnieuw wakker te slaan en deze handelingen van voor af aan opnieuw te stellen. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 21. Waar het middel verder aanvoert dat het arrest de vereiste hevigheid van het toegebrachte leed niet kan vaststellen aan de hand van de verwondingen bij de verweerster, omdat het zo voorbij gaat aan het gegeven dat de fysieke verwondingen en het psychische leed tevens het gevolg zijn van de andere telastleggingen, namelijk opzettelijke slagen en verwondingen en onmenselijke behandeling, berust het eveneens op een onvolledige lezing van het arrest, aangezien de appelrechters bij hun beoordeling tevens onder meer de aard van de onder de telastlegging A gestelde handelingen betrekken en het gegeven dat uit de foto’s duidelijk de verwondingen aan de hals blijken en de petechiën de materialiteit van de gestelde wurging op de hals afdoende aantonen. In zoverre mist het middel eveneens feitelijke grondslag. 22. De appelrechters kunnen met de hierboven vermelde redenen dan ook wettig oordelen dat de eiser schuldig is aan de feiten van de telastlegging A, geherkwalificeerd naar het misdrijf foltering met de vermelde verzwarende omstandigheid. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 23. In zoverre het middel aanvoert dat bij de verweerster geen puntbloedingen en ontlasting werden vastgesteld, komt het op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel 24. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt, enerzijds, dat de feiten onder de bewezenverklaarde telastlegging A, gekwalificeerd als foltering, een blijvende ongeschiktheid bij de verweerster hebben teweeggebracht en stelt, anderzijds, een geneesheer-deskundige aan om de verweerster te onderzoeken en de tijdelijke, dan wel blijvende schade vast te stellen; deze motivering is tegenstrijdig. 25. Het oordeel van het arrest (p. 34) dat er sprake is van een blijvende ongeschiktheid ingevolge een post-traumatisch stresssyndroom en dat ingevolge de veroordeling voor de telastlegging A deze blijvende ongeschiktheid is vervat in de door de verweerster geleden schade, zonder evenwel te preciseren om welke ongeschiktheid het gaat, is niet tegenstrijdig met de bevestiging van de door de eerste rechters aan de gerechtsdeskundige gegeven opdracht, die uitgaat van het bestaan van door de bewezenverklaarde misdrijven veroorzaakte blijvende letsels, om alle overige blijvende en tijdelijke schade, die ook het gevolg kan zijn van de overige bewezen telastleggingen, te onderzoeken. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 26. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 170,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.