id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.7 Rolnummer: P.24.1119.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-02-17 Raadplegingen: 962 - laatst gezien 2026-06-18 19:39 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: SOCIALE ZEKERHEID - WERKNEMERS Tekst van de beslissing Nr. P.24.1119.N 1. D. V., beklaagde, eiser, 2. DRV-INTERTRANS bv, met zetel te 8730 Beernem, Schooldreef 97, ON 0417.698.628, beklaagde, eiseres, beiden met als raadsman mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8830 Hooglede, Bruggesteenweg 315, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 juni 2024, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 9 mei 2023. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 435, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het Hof heeft bij arrest van 9 mei 2023 het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 februari 2021 vernietigd in zoverre het uitspraak deed over de strafvordering betreffende de feiten omschreven onder de telastleggingen A (in verband met de verplichting tot onmiddellijke aangifte van tewerkstelling) en B (in verband het met het oogmerk geen of minder bijdragen te betalen) omdat de appelrechters niet hadden onderzocht of een redelijke termijn was verstreken zonder dat het Slovaakse orgaan van afgifte had onderzocht of de A1-verklaringen terecht waren uitgereikt en een standpunt had ingenomen over de door de Belgische sociale inspectie verstrekte concrete gegevens die erop wijzen dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen; uit dat oordeel blijkt dat voor het Hof de problematiek van de A1-verklaringen voor beide telastleggingen relevant was; het arrest oordeelt echter dat de problematiek van de intrekking van de A1-verklaringen niet relevant is voor de beoordeling van de feiten omschreven onder de telastlegging A. 2. Uit artikel 435, tweede lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat in geval van vernietiging van een arrest, het gerecht waarnaar de zaak is verwezen zich naar het door het arrest van het Hof beslechte rechtspunt voegt. 3. Bij arrest van 9 mei 2023 heeft het Hof het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 11 februari 2021 vernietigd in zoverre het uitspraak deed over de strafvordering betreffende de feiten omschreven onder de telastleggingen A en B. Het Hof oordeelde dat de appelrechters niet vaststelden dat er een redelijke termijn was verstreken sinds het verzoek aan het Slovaakse orgaan van afgifte betreffende het terecht uitreiken van de A1-verklaringen en de door de Belgische sociale inspectie verstrekte concrete gegevens die erop duidden dat die verklaring op frauduleuze wijze was verkregen of ingeroepen. 4. Het door het Hof beslechte rechtspunt had derhalve betrekking op de noodzaak voor de rechter die aan het bindend karakter van A1-verklaringen wil voorbijgaan, vast te stellen dat er een redelijke termijn is verstreken zonder dat het Slovaakse orgaan van afgifte een standpunt heeft ingenomen betreffende het frauduleus karakter van de A1-verklaringen. Het Hof heeft zich niet uitgesproken over de relevantie van de intrekking van de A1-verklaringen voor de schuldbeoordeling van de eisers aan de feiten omschreven onder de telastlegging A. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 76.6 Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna Verordening (EG) nr. 883/2004), artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna Verordening (EG) nr. 987/2009), artikel 7 van het Besluit nr. A1 van de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels van 12 juni 2009 betreffende de instelling van een dialoog- en bemiddelingsprocedure met betrekking tot de geldigheid van documenten, het bepalen van de toepasselijke wetgeving en het verlenen van prestaties uit hoofde van Verordening (EG) nr. 883/2004 (hierna A1-Besluit) en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van de bewijskracht van een akte, van het recht van verdediging en van het principe van tegenspraak: het verzoek tot intrekking en de intrekking van A1-verklaringen kan slechts geldig zijn en gevolg opleveren indien bij dat verzoek daadwerkelijk stavingstukken worden meegestuurd, deze stukken aan tegenspraak kunnen worden onderworpen, ze een volledig zicht geven op de situatie en ze niet beperkt blijven tot een louter IMI-verslag; om duidelijkheid te verkrijgen over de inhoud en de stavingstukken die nodig zijn om een verzoek tot intrekking van A1-verklaringen als een werkelijk verzoek tot intrekking te kunnen beschouwen, dienen de volgende prejudiciële vragen te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Kan er slechts besloten worden tot het bestaan van een verzoek tot intrekking van een A1-document in toepassing van art. 76 lid 6 van de Verordening 883/2004, art. 5 van de Verordening 987/2009 en art. 7 van het Besluit A1 van 12 juni 2009 in zoverre het verzoek vergezeld gaat van het relevante ondersteunende bewijs of dienen de vermelde bepalingen zo geïnterpreteerd dat bij gebreke aan het meesturen van het relevante ondersteunende bewijs en het voorleggen van dit relevante ondersteunde bewijs, er geen verzoek tot intrekking van een A1-document is geschied, zodoende dat de A1-documenten tegenwerpelijk blijven aan de rechterlijke instanties van de lidstaat van ontvangst, ook in het kader van een strafprocedure? Kan er slechts worden besloten tot het bestaan van een verzoek tot intrekking van een A1-document in toepassing van art. 76 lid 6 van de Verordening 883/2004, art. 5 van de Verordening 987/2009 en art. 7 van het Besluit A1 van 12 juni 2009 in zoverre het verzoek vergezeld gaat van het relevante ondersteunende bewijs, welk bewijs volledig dient te zijn (met name alle stukken en documenten waarover de autoriteiten van de lidstaat van uitgifte beschikken) ten einde de bevoegde autoriteit van de lidstaat van uitgifte toe te laten om met kennis van alle stukken een beslissing te nemen?” Het onderdeel voert verder aan dat het arrest oordeelt dat het verzoek tot intrekking van 22 september 2017 was vergezeld van de nodige stavingstukken, terwijl die stukken niet aan te treffen zijn in het dossier; het arrest miskent zodoende de bewijskracht van het verslag dat inspecteur D. in antwoord op de vraag van 26 maart 2024 van het openbaar ministerie overmaakte, door aan te nemen dat er stavingstukken werden meegestuurd met het verzoek tot intrekking van 22 september 2017, terwijl uit voormeld verslag blijkt dat dergelijke stukken niet werden gevoegd en niet werden vernoemd; het arrest miskent tevens eisers recht van verdediging en het principe van tegenspraak door aan te nemen dat de stukken bestaan, terwijl die niet in het debat werden gebracht, en door op die grond aan te nemen dat een geldig verzoek tot intrekking werd ingediend. 6. Het arrest (p. 25) steunt de met het onderdeel bekritiseerde beslissingen niet op het verslag van sociaal inspecteur D. Het kan dan ook de bewijskracht van dat verslag niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. 7. Het arrest (p. 22-23) stelt vast dat bij het verzoek tot intrekking van 26 oktober 2016 het IMI-verslag als bijlage werd meegestuurd en de stukken op 20 mei 2024 werden gevoegd aan het dossier, alsook dat het verzoek tot intrekking opnieuw op 22 september 2017 werd verstuurd en de stukken werden gevoegd aan het dossier op 9 november 2017. Het arrest stelt tevens vast (p. 40) dat het verzoek van 26 oktober 2016 was gemotiveerd en dat als bijlage “het antwoord van het IMI-verzoek” werd gevoegd, en dat ook het tweede verzoek van 22 september 2017 was gemotiveerd en uit dit verzoek blijkt dat de documenten van het onderzoek die wettelijk toegelaten waren om te delen, met de Slovaakse socialezekerheidsinstelling werden gedeeld. Het oordeelt ook dat “uit het antwoord van de Slovaakse socialezekerheidsinstelling van 19 maart 2018 blijkt dat ze op basis van de vaststellingen en bezorgde stukken door de Belgische autoriteiten standpunt hebben ingenomen met betrekking tot de feitelijke zetel van de vennootschap” en het leidt uit dit alles af “dat de Belgische RSZ het ondersteunende relevante bewijs dat de aanleiding vormde voor het verzoek tot intrekking van de A1-verklaringen, heeft verstrekt aan de Slovaakse autoriteiten”. Verder blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat het verzoek tot intrekking van 26 oktober 2016, het IMI-verslag en het verzoek tot intrekking van 22 september 2017 werden gevoegd aan het dossier. In zoverre het onderdeel aanvoert dat deze stukken niet werden gevoegd en niet aan tegenspraak werden onderworpen, mist het feitelijke grondslag. 8. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het door het Unierecht voorziene principe van loyale samenwerking veronderstelt dat alle stukken waarover het orgaan van ontvangst beschikt, moeten worden meegestuurd en een verzoek tot intrekking niet kan worden gemotiveerd op grond van een louter beperkt IMI-verslag, zonder te verduidelijken waarom dit verslag niet voldoet en welke documenten dan wel moeten worden meegestuurd om te voldoen aan de vereiste van loyale samenwerking, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 9. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest uit het verzoek tot intrekking van 22 september 2017, volgens hetwelk “de documenten van het onderzoek die wettelijk toegelaten waren om te delen, met de Slovaakse socialezekerheidsinstelling gedeeld werden”, afleidt dat er andere documenten moeten bestaan die niet werden meegedeeld, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 10. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juli 2018 in de zaak C-356/15, Europese Commissie t. België, volgt dat het A1-besluit weliswaar een hulpmiddel kan zijn voor de socialezekerheidsorganen belast met de toepassing van het Unierecht, maar dat het die organen niet kan verplichten bij de toepassing van de voorschriften van het Unierecht een bepaalde methode of een bepaalde uitlegging te volgen, en dat het A1-besluit niet normatief van aard is. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 11. De aangevoerde schending van artikel 76.6 Verordening (EG) nr. 883/2004 en artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 is afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. 12. De prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie worden bijgevolg niet gesteld. Derde onderdeel 13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009: de procedure met de vraag tot intrekking van de A1-verklaringen werd niet tijdig en onverwijld ingesteld; er ging bijna drie jaar voorbij alvorens werd overgegaan tot het eigenlijke verzoek tot intrekking; het arrest dat niettemin aanvaardt dat de procedure tijdig en onverwijld werd ingesteld, is niet verzoenbaar met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie; de wijze van handelen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gaat in tegen de principes van loyale samenwerking; ondergeschikt moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet art. 5 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 zo worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht een A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, deze A1-verklaring buiten beschouwing kan laten in zo verre dat blijkt dat de bevoegde autoriteit die de intrekking van de bewuste A1-verklaring vordert, de intrekking hiervan pas vorderde na een substantieel tijdsverloop na aanvang van het onderzoek (meer dan 2 jaar) en als blijkt dat diezelfde bevoegde autoriteit zelf niet langer antwoordde aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van uitgifte?” 14. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft met het arrest van 2 april 2020 in de gevoegde zaken C 370/17 en C 37/18, Vueling Airlines, een gelijkaardige prejudiciële vraag als de in het onderdeel voorgestelde prejudiciële vraag, als volgt beantwoord: “Artikel 11, lid 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 647/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, moet aldus worden uitgelegd dat de gerechten van een lidstaat waarbij een gerechtelijke procedure is ingeleid tegen een werkgever wegens feiten die kunnen wijzen op frauduleuze verkrijging of frauduleus gebruik van E 101-verklaringen die op grond van artikel 14, punt 1, onder a), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr. 118/97, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 631/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004, zijn afgegeven aan werknemers die hun werkzaamheden in deze lidstaat uitoefenen, het bestaan van fraude slechts kunnen vaststellen en deze verklaringen dientengevolge slechts buiten beschouwing kunnen laten na zich ervan te hebben vergewist: - ten eerste, dat de procedure van artikel 84 bis, lid 3, van deze verordening onverwijld werd ingeleid en het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte dus in staat was gesteld de gegrondheid van de afgifte van die verklaringen opnieuw te onderzoeken in het licht van de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens, die erop duiden dat die verklaringen op frauduleuze wijze zijn verkregen of ingeroepen, en - ten tweede, dat het bevoegde orgaan van de lidstaat van afgifte heeft nagelaten een dergelijke heroverweging te verrichten alsmede binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over deze gegevens en de betrokken verklaringen in voorkomend geval nietig te verklaren of in te trekken.” 15. Het Hof van Justitie van de Europese Unie bracht in het arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken deze rechtspraak bij de uitlegging van artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 als volgt in herinnering: “Dienaangaande dient in herinnering te worden gebracht dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat de rechterlijke instantie van de lidstaat van ontvangst waarbij een zaak aanhangig is gemaakt tegen een werkgever wegens feiten die kunnen wijzen op frauduleuze verkrijging of frauduleus gebruik van A 1-verklaringen, slechts definitief uitspraak kan doen over de vraag of er sprake is van dergelijke fraude en deze verklaringen buiten beschouwing kan laten indien zij vaststelt, zo nodig na schorsing van de gerechtelijke procedure overeenkomstig haar nationale recht, dat de procedure van artikel 76, lid 6, van verordening nr. 883/2004 onverwijld was ingeleid en dat het orgaan van afgifte van deze verklaringen heeft nagelaten deze verklaringen opnieuw te onderzoeken alsmede binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte gegevens en die verklaringen in voorkomend geval nietig te verklaren of in te trekken (zie naar analogie arrest van 2 april 2020, CRPNPAC en Vueling Airlines, C-370/17 en C-37/18, EU:C:2020:260, punt 80).” 16. De rechter dient derhalve na te gaan of de procedure onverwijld werd ingeleid en het orgaan van afgifte dus in staat werd gesteld de gegrondheid van de afgifte van de A1-verklaringen opnieuw te onderzoeken in het licht van de door het orgaan van ontvangst verstrekte concrete gegevens, dan wel of het orgaan van afgifte heeft nagelaten een dergelijke heroverweging te verrichten, alsmede binnen een redelijke termijn een standpunt in te nemen over deze gegevens en de betrokken verklaringen in voorkomend geval nietig te verklaren of in te trekken. 17. De rechter oordeelt onaantastbaar of de procedure van artikel 76.6 Verordening (EG) nr. 883/2004 onverwijld is ingeleid. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 18. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 19. Het arrest (p. 13-14, p. 21-23 en p. 39-40) stelt vast dat: - op 11 oktober 2014 een visitatiebezoek doorging op het adres van de eiseres en de inspectie op 1 december 2014 de eiser verhoorde in aanwezigheid van zijn raadsman; - het eerste IMI-verzoek nr. 36940 van de Belgische sociale inspectie aan de Slovaakse nationale arbeidsinspectie dateert van 7 november 2014 en dit verzoek op 16 januari 2015 werd beantwoord; - het tweede IMI-verzoek nr. 52182 op 26 april 2016 werd verzonden; - uit het antwoord van de Slovaakse socialezekerheidsinstelling van 27 mei 2016 duidelijk werd welke werknemers een A1-verklaring hadden; - het orgaan van ontvangst de vraag tot intrekking van de A1-verklaringen richtte aan het Slovaakse orgaan van afgifte op 26 oktober 2016; - dit eerste verzoek tot intrekking van de A1-verklaringen gemotiveerd was en als bijlage het antwoord van het IMI-verzoek 52182 was gevoegd; - het Slovaakse orgaan van afgifte op 20 december 2016 een antwoord verzond met de voorlopige intrekking van de A1-verklaringen en met een aantal bijkomende vragen; - het tweede verzoek tot intrekking van 22 september 2017 ook gemotiveerd was en uit dit verzoek blijkt dat de documenten van het onderzoek die wettelijk toegelaten waren om te delen, met het Slovaakse orgaan van afgifte werden gedeeld; - uit het antwoord van het Slovaakse orgaan van afgifte bij brief van 19 maart 2018 blijkt dat dit orgaan op basis van de vaststellingen en de door het orgaan van ontvangst bezorgde stukken standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de feitelijke zetel van de vennootschap; - het Slovaakse orgaan van afgifte op 19 maart 2018 binnen een redelijke termijn standpunt heeft ingenomen over de door de Belgische RSZ verstrekte concrete gegevens die erop duiden dat de A1-verklaringen op frauduleuze wijze zijn verkregen, maar zij gelet op haar standpunt hierover deze A1-verklaringen niet binnen een redelijke termijn heeft nietig verklaard of (definitief) ingetrokken; - het Slovaakse orgaan van afgifte op 19 maart 2018 meedeelde dat het ervan overtuigd is dat de feitelijke zetel van de vennootschap MD Intercargo sro zich in België bevond; - desondanks het Slovaakse orgaan van afgifte deze A1-verklaringen niet nietig verklaarde noch deze verklaringen (definitief) introk, maar het hieraan voorwaarden koppelt. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat het verzoek tot intrekking tijdig en onverwijld is gebeurd. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 20. De aangevoerde schending van artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 is afgeleid uit die vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. 21. Gelet op die niet-ontvankelijkheid wordt de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie niet gesteld. Vierde onderdeel 22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009 en artikel 435, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: met het oordeel dat het antwoord van de Slovaakse Dienst Sociale Zekerheid op het Belgische verzoek tot intrekking van de A1-verklaringen niet redelijk was, miskent het arrest het bijzondere gezag van het arrest van het Hof van 9 mei 2023; de vraag van de vermelde Slovaakse dienst of de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de betrokken werknemers ten laste zou nemen om te vermijden dat zij zonder sociale zekerheid zouden komen te vallen, is niet onredelijk; met het oordeel dat deze vraag onredelijk is, stelt het arrest zich in de plaats van dit orgaan; ondergeschikt moet de volgende prejudiciële vraag worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet art. 5 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 zo worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht een A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, deze A1-verklaring buiten beschouwing kan laten in zoverre dat blijkt dat de bevoegde autoriteit van uitgifte van de A1-documenten de al dan niet definitieve intrekking van een A1-document laat afhangen van de ten laste neming van de bewuste werknemers in de sociale zekerheid van de lidstaat van ontvangst van de werknemers en de bevoegde autoriteit die de intrekking van de bewuste A1-verklaring vordert, niet langer antwoordt op deze stellingname van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van uitgifte en dus de administratieve procedure niet verder zet?” 23. Het arrest oordeelt niet dat de vraag van het Slovaakse orgaan van afgifte aan de Belgische Rijksdienst voor Sociale Zekerheid of deze de betrokken werknemers ten laste zou nemen, onredelijk is en stelt zich zodoende niet in de plaats van dit orgaan. Het kan in dat opzicht het bijzonder gezag van het arrest van het Hof van 9 mei 2023 niet miskennen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. 24. Artikel 11.1 Verordening (EG) nr. 883/2004 bepaalt dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één lidstaat zijn onderworpen. Het orgaan van ontvangst kan het orgaan van afgifte verzoeken een A1-verklaring in te trekken overeenkomstig de dialoog- en bemiddelingsprocedure bedoeld in artikel 76.6 Verordening (EG) nr. 883/2004. De toepassingswijze van deze procedure is nader uitgewerkt in artikel 5 Verordening (EG) nr. 987/2009. Artikel 5.1 Verordening (EG) nr. 987/2009 bepaalt dat “(
- de)door het orgaan van een lidstaat voor de toepassing van de basisverordening en de toepassingsverordening afgegeven documenten over iemands situatie en de bewijsstukken op grond waarvan de documenten zijn afgegeven, voor de organen van de andere lidstaten bindend (zijn) zolang de documenten of bewijsstukken niet door de lidstaat waar zij zijn afgegeven, zijn ingetrokken of ongeldig verklaard.” Artikel 5.2 en 5.3 van die verordening bepaalt welke stappen de organen moeten ondernemen ingeval er twijfel bestaat over de geldigheid van dergelijke documenten en bewijsstukken of over de juistheid van de feiten die aan de daarin opgenomen vermeldingen ten grondslag liggen. Zij verplichten het orgaan van afgifte namelijk opnieuw te onderzoeken of die documenten terecht zijn afgegeven en deze zo nodig in te trekken. Artikel 5.4 bepaalt dat, indien de betrokken organen het niet eens worden, de zaak door de bevoegde autoriteiten kan worden voorgelegd aan de Administratieve Commissie voor de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, die een voor beide zijden aanvaardbare oplossing tracht te vinden binnen zes maanden nadat de zaak aan haar is voorgelegd. 25. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bij arrest van 2 maart 2023 in de gevoegde zaken C-410/21, Intertrans en C-661/21, Verbraeken, de door het Hof gestelde prejudiciële vragen als volgt beantwoord: “Artikel 5 van verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 465/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012, moet aldus worden uitgelegd dat een door het bevoegde orgaan van een lidstaat afgegeven A1-verklaring bindend is voor de organen en de rechterlijke instanties van de lidstaat waar het werk wordt verricht, ook wanneer dat orgaan van afgifte na een verzoek van het bevoegde orgaan van laatstgenoemde lidstaat om die verklaring te herzien en in te trekken, heeft meegedeeld de bindende kracht ervan voorlopig op te schorten totdat het definitief op dat verzoek heeft beslist. In dergelijke omstandigheden kan een rechterlijke instantie van de lidstaat waar het werk wordt verricht, waarbij een strafprocedure aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht die A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, desondanks vaststellen dat er sprake is van fraude en die verklaring bijgevolg ten behoeve van die strafprocedure buiten beschouwing laten voor zover, ten eerste, een redelijke termijn is verstreken zonder dat het orgaan van uitgifte heeft onderzocht of de verklaring terecht is afgegeven, een standpunt heeft ingenomen over de door het bevoegde orgaan van de lidstaat van ontvangst verstrekte concrete gegevens die erop duiden dat die verklaring op frauduleuze wijze is verkregen of ingeroepen, en die verklaring in voorkomend geval nietig heeft verklaard of ingetrokken en, ten tweede, de aan het recht op een eerlijk proces verbonden waarborgen die aan die personen moeten worden verleend, worden geëerbiedigd.” Dit antwoord en de eraan ten grondslag liggende overwegingen (ro 48-57) bevestigen dat het bindend karakter van een A1-verklaring niet verdwijnt door de mededeling door het orgaan van afgifte dat de bindende kracht voorlopig wordt opgeschort. De bindende kracht kan alleen worden ontnomen door een besluit tot intrekking dat het orgaan van afgifte neemt overeenkomstig de dialoog- en bemiddelingsprocedure, en dus nadat dat orgaan opnieuw heeft onderzocht of de verklaring terecht is afgegeven en het op de betrokken werknemer het toepasselijke socialezekerheidsstelsel heeft vastgesteld. Het antwoord verduidelijkt verder de voorwaarden waaronder in het kader van een strafprocedure die aanhangig is gemaakt tegen personen die ervan worden verdacht de A1-verklaring op frauduleuze wijze te hebben verkregen of gebruikt, kan worden vastgesteld dat er sprake is van fraude en de A1-verklaring buiten beschouwing kan worden gelaten. Uit het antwoord volgt dat een voorlopige intrekking niet leidt tot de niet-toepasselijkheid van de socialezekerheidswetgeving van het land van uitgifte van de A1-verklaring. 26. Zonder zich in de plaats van het Slovaakse orgaan van afgifte te stellen, oordeelt het arrest wettig dat die dienst niet binnen een redelijke termijn een van de mogelijke wettige antwoorden heeft gegeven op het Belgische verzoek tot intrekking van de aan de orde zijnde A1-verklaringen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 27. Er is bijgevolg geen grond om de prejudiciële vraag te stellen. Tweede middel 28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 16, 2° en 3°, Sociaal Strafwetboek: het arrest weigert de werknemers vermeld onder de telastlegging A te laten ondervragen om te onderzoeken of er een gezagsrelatie is tussen de eiseres en deze werknemers; de vaststelling dat MD Intercargo sro in en vanuit België wordt geleid, verantwoordt niet dat de eiseres als werkgever wordt aanzien; het arrest is bovendien tegenstrijdig gemotiveerd door enerzijds te oordelen dat MD Intercargo sro in België wordt geplaatst, wat logischerwijze tot gevolg heeft dat deze vennootschap als werkgever de Dimona-verplichting had moeten voldoen en anderzijds te oordelen dat de eiseres dit had moeten doen. 29. Artikel 16, 2° en 3°, Sociaal Strafwetboek bepaalt dat werknemers de personen zijn die krachtens een arbeidsovereenkomst arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon, en werkgevers de personen zijn die het gezag over de werknemers uitoefenen. 30. De rechter oordeelt onaantastbaar of er sprake is van een arbeidsovereenkomst en tussen welke personen deze wordt gesloten. Voor die beoordeling moet de rechter niet noodzakelijk de beschikking hebben over de verhoren van de werknemers. 31. Het Hof gaat evenwel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 32. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 33. Het arrest (p. 28 - 30) stelt vast dat: - hoewel de maatschappelijke zetel van MD Intercargo sro zich op papier in Bratislava bevond, de plaats van het centrale bestuur gevestigd was in Beernem; - het de maatschappelijke zetel van de eiseres was waar de documenten met betrekking tot MD Intercargo sro tijdens het visitatiebezoek werden gevonden; - er een grote verwevenheid blijkt tussen de vennootschappen, waaronder de eiseres en MD Intercargo sro, met steeds de eiser als bestuurder, en er geen lijn kan worden getrokken tussen wie de opdrachten uitvoert; - uit geen enkel stuk blijkt dat de werknemers in Slovakije werden aangeworven; - bij mail van M.B. van 12 juli 2013 aan de eiser afschriften van allerlei documenten van de chauffeurs worden overgemaakt om de arbeidscontracten te kunnen opmaken; - de eiser de opdrachten aan de chauffeurs geeft; - de chauffeurs zich vooral in België en in mindere mate in Nederland en Frankrijk bevonden, de vermelding SK (Slovakije) geen enkele keer voorkomt op de prestatielijsten en uit het IMI-rapport blijkt dat MD Intercargo sro enkel activiteiten heeft in Zwitserland, Luxemburg, Nederland en België, maar geen transporten van en naar Slovakije uitvoerde; - de eiser bijhoudt welke prestaties de chauffeurs de afgelopen maand hebben verricht en voor welk land ze per dag een dagvergoeding dienen te krijgen; - de eiser de lonen uitbetaalt, nadat deze zijn uitgerekend door tussenkomst van ISC Trans sro; - de chauffeurs hun dag- en weekrapporten in het Industriepark Noord te Beernem achterlaten; - de chauffeurs over een Belgisch oproepnummer beschikten; - uit het IMI-rapport van 16 januari 2015 blijkt dat er geen bedrijfsvestigingen van het bedrijf MD Intercargo sro op diens maatschappelijke adres waren in december 2014, terwijl de betrokken chauffeurs in dienst waren tot en met 31 december 2014. 34. Het arrest (p. 34) stelt tevens vast dat MD Intercargo sro “een postbusvennootschap betrof, minstens een schijnvennootschap”. 35. Op grond van deze vaststellingen kan het arrest wettig oordelen “dat de Roemeense chauffeurs duidelijk aan het werk waren voor de [eisers] als werknemers” en dat “het duidelijk (
- is)dat de eisers de Belgische socialezekerheidsbijdragen voor haar Roemeense werknemers wilden ontwijken door middel van een postbusvennootschap (minstens een schijnvennootschap)”. In zoverre het middel aanvoert dat de eiseres niet als de werkgever van de betrokken werknemers kan worden aanzien, kan het niet worden aangenomen. 36. Het oordeel van het arrest dat MD Intercargo sro “een postbusvennootschap betrof, minstens een schijnvennootschap”, en “in werkelijkheid vanuit België werd geleid”, heeft niet tot gevolg dat het arrest oordeelt dat MD Intercargo sro als werkgever de Dimona-verplichting had moeten voldoen. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat dan ook niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 37. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 206,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.