← België

Y.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 42

, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 43bis

- 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 4 - 7 Wanneer een telastlegging inzake witwassen niet bepaalt welk het bedrag is dat het voorwerp van dat misdrijf uitmaakt, staat het aan de rechter om dat bedrag te bepalen en de rechter is daarbij niet gebonden door de bedragen waarvan het openbaar ministerie de verbeurdverklaring op grond van die telastlegging vordert. Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen:

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 8 - 10 De omstandigheid dat het voorwerp van een witwasmisdrijf bestaat uit zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, belet de rechter niet om dat voorwerp zo nodig ex aequo et bono te bepalen en ontneemt hem niet de principiële verplichting om de verbeurdverklaring van dat voorwerp te bevelen op grond van artikel 505, zesde lid, thans vijfde lid, Strafwetboek. Thesaurus CAS: HELING Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505

- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Wettelijke bepalingen:

Art. 42

, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850

Art. 505- 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.

P.25.1331.N I A. Y., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie. II G. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Dimitri de Béco, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 12 september

  1. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eiser I heeft op 5 februari 2026 ter griffie een noot bedoeld in artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel van de eiser I
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 1° en 3°, 43bis en 505 Strafwetboek: het arrest bepaalt het voorwerp van het globale witwasmisdrijf onder de telastlegging E, dat in die telastlegging zelf niet is bepaald, op een bedrag van 6.000.000,00 euro; van dit bedrag beveelt het lastens de eiser I, op grond van de telastlegging E.3, de bijzondere verbeurdverklaring (hierna verbeurdverklaring) per equivalent van 300.000,00 euro, als bedrag dat in verhouding staat tot de mate waarin de eiser I bij het misdrijf betrokken was; uit geen enkel stuk of gegeven blijkt op grond van welke gegevens het arrest het bedrag van het totale voorwerp van het witwasmisdrijf bepaalt op 6.000.000,00 euro; het arrest stelt niet vast dat er geen gegevens voorliggen die de rechter toelaten het bedrag aan vermogensvoordelen of de geldwaarde ervan exact vast te stellen; in zoverre het arrest dit bedrag ex aequo et bono bepaalt, is de beslissing aldus niet naar recht verantwoord; ook indien het bedrag niet ex aequo et bono zou zijn bepaald, is de bepaling van dit bedrag volstrekt willekeurig, aangezien uit geen enkel gegeven blijkt dat deze waarde overeenstemt met het geldbedrag van de vermogensvoordelen die onder telastlegging E werden witgewassen en het niet blijkt dat het arrest de gegevens van het strafdossier in aanmerking neemt die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van dit bedrag toelaten; alleszins kan het Hof, op grond van de enkele overweging “het hof (van beroep) raamt het voorwerp van het witwasmisdrijf op een bedrag van 6.000.000 euro”, niet nagaan of dit bedrag overeenstemt met het geldbedrag van de vermogensvoordelen die onder telastlegging E werden witgewassen; het arrest dat niet de essentiële gegevens bevat die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de toegepaste verbeurdverklaring uit te oefenen, is niet regelmatig gemotiveerd.
  3. Bij afwezigheid van gegevens die de rechter toelaten het bedrag van een witgewassen vermogensvoordeel exact vast te stellen, mag hij dit bedrag ex aequo et bono bepalen. Daarvoor dient de rechter die gegevens van het strafdossier in aanmerking te nemen die een zo nauwkeurig mogelijke bepaling van de omvang van het witgewassen vermogensvoordeel toelaten. Niet vereist is dat de beslissing die gegevens ook uitdrukkelijk vermeldt. Het volstaat dat de beslissing de essentiële gegevens bevat die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole op de toegepaste straf van de verbeurdverklaring uit te oefenen.
  4. De rechter oordeelt onaantastbaar over de omvang van het witgewassen vermogensvoordeel. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
  5. De rechter moet zijn ex aequo et bono-bepaling van de witgewassen vermogensvoordelen niet uitdrukkelijk steunen op het niet-voorhanden zijn van gegevens die hem toelaten het bedrag aan die vermogensvoordelen of de geldwaarde ervan exact vast te stellen. Die omstandigheid kan blijken uit het geheel van de redenen van de beslissing.
  6. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  7. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (nr. 84, p. 73-74) oordeelt het bestreden arrest (nr. 16, p. 23, alinea 2 en nr. 17, p. 25) onder meer als volgt: “De rechtbank stelt vast dat het dossier vele gewichtige en onderling integraal overeenstemmende elementen bevat die, zonder enige redelijke twijfel, toelaten om met de nodige gerechtelijke zekerheid te besluiten dat de 1ste, de 2de, de 3de [de eiser I], de 4de, de 5de, de 6de en de 7de beklaagde zich hebben schuldig gemaakt aan het witwasmisdrijf. Ter zake steunt de rechtbank zich in het bijzonder op de hierna volgende elementen van het strafdossier:
  8. Het onderzoek heeft aangetoond dat gebruik werd gemaakt van digitale portefeuilles Skrill en Neteller om de gokaccounts op naam van derden van fondsen te voorzien om te gokken op gemanipuleerde tenniswedstrijden en om omkoopgelden aan de tennisspelers over te maken;
  9. Tussen juni 2016 en maart 2018 werd er in totaal een bedrag van 8.229.182,65 euro ontvangen op de Skrillaccount (…) gebruikt door de 2de beklaagde. Een bedrag van 1.321.561,99 euro werd afgehaald, en er werd voor meer dan 7.000.000 euro aan geldsommen verzonden op 1.671 verschillende accounts;
  10. Op een andere Skrillaccount gebruikt door de 2de beklaagde (…) werd tussen juni 2016 en november 2017 een bedrag ontvangen van 642.062,60 USD, waarvan 481.217,40 USD werd verstuurd naar 125 verschillende accounts en 171.000 USD werd afgehaald; (…)
  11. Het onderzoek heeft aangetoond dat de 1ste, de 2de, de 3de [de eiser I], de 4de, de 5de en de 6de beklaagde voortdurend op zoek waren naar nieuwe identiteiten en bankgegevens om gokaccounts te kunnen aanmaken zodat het gokken op verspreide wijze kon gebeuren, ook de omkoopgelden werden verstuurd met deze anonieme money transfer kanalen om de illegale herkomst te verbergen. Op grond van bovenstaande elementen stelt de rechtbank vast dat de 1ste tot en met de 6de beklaagde door gebruik te maken van digitale portefeuilles Skrill en Neteller en door gebruik te maken van gokaccounts op naam van derden, trachtten de illegaal verkregen gokwinsten te verbergen en zich aldus schuldig maakten aan het witwasmisdrijf zoals voorzien in artikel 505, lid 1,3° Sw.”
  12. Op grond van die redenen, die de essentiële gegevens vermelden die het Hof toelaten zijn wettigheidscontrole uit te oefenen, kan het arrest het globale voorwerp van het onder de telastlegging E bepaalde witwasmisdrijf wettig bepalen op een bedrag van 6.000.000,00 euro. Aldus is het arrest eveneens regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  13. In zoverre het middel het arrest verwijt lastens de eiser I de verbeurdverklaring van een witwasvoorwerp ten bedrage van 300.000,00 euro te hebben bevolen, is het afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser II Eerste onderdeel
  14. Het onderdeel voert schending aan van artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser II ten onrechte schuldig aan de telastlegging E.6 en het beantwoordt niet het verweer van de eiser II, waarbij hij de materiële bestanddelen en het moreel element van het tweede witwasmisdrijf betwistte voor elk van de drie bedragen (76.922,95 euro, 15.632,83 euro en 23.601,75 euro) die volgens de verduidelijking van het openbaar ministerie in zijn appelconclusie en in zijn in eerste aanleg genomen schriftelijke vordering tot verbeurdverklaring het voorwerp van de telastlegging E.6 uitmaken; er kan geen sprake zijn van een voltrokken overdracht van gelden, zoals bedoeld in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, aangezien de winsten van weddingschappen werden bewaard op spelersaccounts, zonder te zijn overgeschreven op een rekening van de eiser II of van derden; bovendien heeft de telastlegging E.6 betrekking op gelden die werden opgebracht door een spelersaccount op de eigen naam van de eiser II; deze gelden zouden dan opnieuw zijn overgeschreven op een bankrekening op zijn eigen naam; bijgevolg kan er, zoals door de eiser II in zijn verweer gesteld, geen sprake zijn van het bijzonder opzet om de illegale herkomst van gelden te verbergen.
  15. Het arrest oordeelt niet dat het voorwerp van de telastlegging E.6 bestaat uit de in het onderdeel vermelde bedragen van 76.922,95 euro, 15.632,83 euro en 23.601,75 euro. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  16. Met de redenen die het overneemt van het beroepen vonnis (nr. 83, p. 72-73), preciseert het arrest (p. 22) eerst de constitutieve bestanddelen van het in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bepaalde misdrijf. Het (p. 22-23) oordeelt verder als volgt: - “Uit de dossiergegevens volgt dat de spelersaccounts [K.], [R.] en [de eiser II] betrekking hebben op [de eiser II]. Die identiteiten kunnen immers gelinkt worden aan [de eiser II] en hij maakte hiermee spelersaccounts, plaatste er weddenschappen mee en liet op die accounts gelden toekomen. Het in bewaring nemen van die gelden, die moesten worden overgeschreven, is een daad van overdracht, als deelnemingsdaad van het tweede witwasmisdrijf. Wat betreft [K.], moet helemaal niet zijn aangetoond dat het bedrag moest overgeschreven worden op rekening van een derde, in dit geval [R.]. Het volstaat dat het op de bewuste rekening in bewaring werd genomen, zeker nu blijkt dat dit deel uitmaakt van een witwasconstructie, waarbij ook de account [R.], gelinkt aan [de eiser II], betrokken is. Ook dat wat betreft [R.] nog gelden op het account bleven en nog niet werden overgeschreven, brengt niet mee dat er niet al sprake was van overdragen in de zin van het tweede witwasmisdrijf. Dat zowel de herkomst als de identiteit ([R.]) niet verhuld werden, is evenmin relevant, gezien de bewaring al deel uitmaakte van de witwasconstructie”; - “Dat wat betreft de spelersaccount op zijn eigen naam (…) [de eiser II] enkel gelden overschreef van zijn eigen spelersaccount naar zijn eigen bankrekening, ontneemt de handelingen evenmin hun witwaskarakter. Hij deed dit immers in nauwe samenwerking met [S.], waarbij hij derden rekruteerde om hun bankgegevens- en rekening ter beschikking te stellen en dus met het oog op de gokfraude en het realiseren van de witwasmisdrijven. Hij wendde hiertoe ook zijn eigen rekening aan. (…)”; - “Het bovenstaande brengt ook mee dat het bedrag van de verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwasmisdrijf in beginsel niet beperkt kan worden tot effectief van de spelersaccounts overgeschreven bedragen, gezien ook de bewaring in de vermelde omstandigheden een witwashandeling vormde.”
  17. Met die redenen beantwoordt het arrest het verweer van de eiser II en verantwoordt het naar recht de beslissing dat voldaan is aan de materiële en morele constitutieve bestanddelen van het in artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek bepaalde witwasmisdrijf. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: vooraleer over te gaan tot de motivering waarom er wel degelijk sprake is van handelingen die het tweede witwasmisdrijf uitmaken, stelt het arrest vast dat “[u]it het schriftelijk verweer van [de eiser II] volgt dat hij niet zozeer de schuld aan het witwasmisdrijf betwist, maar wel de bedragen of de omvang van het witwasmisdrijf”; het arrest beantwoordt bijgevolg niet het bij appelconclusie gevoerde verweer van de eiser II, waarin hij wel degelijk zowel het materieel bestanddeel als het moreel bestanddeel van het desbetreffende misdrijf betwistte; het arrest beantwoordt voor het overige ook helemaal niet het verweer van de eiser II, in het bijzonder voor wat betref het moreel bestanddeel van het witwasmisdrijf.
  19. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel beantwoordt het arrest het verweer van de eiser II over het voldaan zijn aan de door artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek vereiste constitutieve bestanddelen. Bijgevolg kan de eiser II niet gegriefd zijn door het in het middel aangehaalde citaat over de draagwijdte van zijn verweer. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  20. Voor het overige heeft het onderdeel dezelfde strekking als het eerste onderdeel en kan het om dezelfde redenen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser II Eerste onderdeel
  21. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 42, 1° en 505, zesde lid, thans vijfde lid, Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: aangezien het voorwerp van de telastlegging E.6 volgens de vordering tot verbeurdverklaring van het openbaar ministerie beperkt was tot de bedragen 76.922,95 euro, 15.632,83 euro en 23.601,75 euro, kan het arrest het verbeurd te verklaren voorwerp van de telastlegging E niet zonder overschrijding van die vordering bepalen op 6.000.000,00 euro; als de appelrechters de vermogensvoordelen wilden verbeurdverklaren die door alle veroordeelde beklaagden werden verkregen, diende dit te gebeuren op grond van artikel 43bis Strafwetboek en niet, zoals in het geval van de eiser II, op grond van artikel 42, 1°, Strafwetboek.
  22. Wanneer een telastlegging inzake witwassen niet bepaalt welk het bedrag is dat het voorwerp van dat misdrijf uitmaakt, staat het aan de rechter om dat bedrag te bepalen. De rechter is daarbij niet gebonden door de bedragen waarvan het openbaar ministerie de verbeurdverklaring op grond van die telastlegging vordert.
  23. De omstandigheid dat het voorwerp van een witwasmisdrijf bestaat uit zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek, belet de rechter niet om dat voorwerp zo nodig ex aequo et bono te bepalen en ontneemt hem niet de principiële verplichting om de verbeurdverklaring van dat voorwerp te bevelen op grond van artikel 505, zesde lid, thans vijfde lid, Strafwetboek.
  24. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet de berekening van de voor verbeurdverklaring in aanmerking komende bedragen in de appelconclusie van de eiser II; het gaat uit van een forfaitaire berekening van het wederrechtelijke vermogen, legt niet uit hoe het tot dat bedrag komt en waarom het eisers berekening niet volgt; het arrest beantwoordt evenmin eisers verzoek om vermindering van de verbeurdverklaring teneinde niet te worden onderworpen aan een onredelijk zware straf.
  26. In zijn appelconclusie heeft de eiser II op grond van een aantal geldbewegingen op de aan hem toegeschreven spelersaccounts een berekening gemaakt van de maximaal lastens hem verbeurd te verklaren bedragen, alsook, zonder verdere precisering, gevraagd om het bedrag van de verbeurdverklaring te verminderen, rekening houdend met de anciënniteit van de feiten, zijn blanco strafregister en zijn beperkte financiële middelen.
  27. Het arrest beveelt lastens de eiser II op grond van de telastlegging E.6 de verbeurdverklaring van een bedrag van 70.000,00 euro en vermindert zodoende de in eerste aanleg lastens de eiser II bevolen verbeurdverklaring van de bedragen van 76.922,95 euro, 15.632,83 euro en 23.601,75 euro. Het (p. 29) oordeelt dat dit bedrag in verhouding staat tot zijn aandeel en geen onredelijke straf vormt. Aldus beantwoordt het arrest het desbetreffende verweer van de eiser II.
  28. Met de redenen vermeld in het antwoord op het middel van de eiser I en deze vermeld in antwoord op het eerste middel van de eiser II, onder meer dat het bedrag van de verbeurdverklaring van het voorwerp van het witwasmisdrijf in beginsel niet kan worden beperkt tot effectief van de spelersaccounts overgeschreven bedragen, motiveert het arrest waarom het de berekeningen van de eiser II verwerpt en beantwoordt het zijn verweer.
  29. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 205,21 euro, waarvan de eiser I 102,60 euro is verschuldigd, en de eiser II 102,61 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260210.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.