← België

Versluys Bouwgroep nv c. BELGISCHE STAAT FOD Financiën

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 2

, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 2 Uit de vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat er sprake is van een rechtstreeks verband wanneer twee prestaties van elkaar afhankelijk zijn, dit wil zeggen dat de ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht, en omgekeerd; indien wordt vastgesteld dat de betaling door de ene partij aan de andere een voorwaarde was voor de dienst van de andere partij, en dat de ene partij deze bedragen uitsluitend als tegenprestatie voor die prestatie heeft betaald, dient volgens diezelfde rechtspraak te worden geoordeeld dat er een rechtstreeks verband tussen die twee prestaties bestaat

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 2

, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 3 Voor het bestaan van een rechtstreeks verband tussen twee prestaties is alleen vereist dat de ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht, en omgekeerd

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 2

, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 4 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de werkzaamheden die elk lid van een samenwerkingsverband in het kader en voor rekening ervan verricht, in beginsel niet verschillen van die welke een onderneming voor eigen rekening verricht, en dat deze bijgevolg op dezelfde wijze moeten worden behandeld

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 2

, eerste lid - 32 Link Justel databank 19690703-32 Fiche 5 De rechter beoordeelt in feite of de litigieuze bepaling in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was; het Hof kan evenwel nagaan of de rechter gelet op de gedane vaststellingen wettig heeft kunnen besluiten dat de litigieuze bepaling in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 70

, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 84- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW - 41 - 30-01-1987 - Art. 1 - 32 Link Justel databank 19870130-32 Fiche 6 De rechter aan wie gevraagd wordt een geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek of het voormelde KB nr. 41 van 30 januari 1987, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 70

, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 84- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW - 41 - 30-01-1987 - Art. 1 - 32 Link Justel databank 19870130-32 Fiche 7 Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief; aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 70

, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 84- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW - 41 - 30-01-1987 - Art. 1 - 32 Link Justel databank 19870130-32 Fiche 8 Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Wettelijke bepalingen: Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 70

, § 1 - 32 Link Justel databank 19690703-32 Wet 3 juli 1969 tot invoering van de belasting over de

Art. 84- 32 Link Justel databank 19690703-32 KB nr.

41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW - 41 - 30-01-1987 - Art. 1 - 32 Link Justel databank 19870130-32 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0026.N V. BOUWGROEP nv, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal, directeur Centrum Grote Ondernemingen Brugge, met kantoor te 8000 Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 24 oktober 2023. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 26 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (…) Tweede onderdeel 3. Krachtens artikel 2, eerste lid, Btw-wetboek zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden. Een handeling onder bezwarende titel onderstelt een rechtstreeks verband tussen de verrichte handeling en de ontvangen tegenwaarde. 4. Uit de vaststaande rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat er sprake is van een rechtstreeks verband wanneer twee prestaties van elkaar afhankelijk zijn, dit wil zeggen dat de ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht, en omgekeerd (HvJ 11 maart 2020, C-94/19, San Domenico Vetraria, punt 26 en de aldaar aangehaalde rechtspraak). Indien wordt vastgesteld dat de betaling door de ene partij aan de andere een voorwaarde was voor de dienst van de andere partij, en dat de ene partij deze bedragen uitsluitend als tegenprestatie voor die prestatie heeft betaald, dient volgens diezelfde rechtspraak te worden geoordeeld dat er een rechtstreeks verband tussen die twee prestaties bestaat (HvJ 11 maart 2020, C-94/19, San Domenico Vetraria, punt 27). 5. Uit het voorgaande volgt dat voor het bestaan van een rechtstreeks verband tussen twee prestaties alleen is vereist dat de ene prestatie enkel wordt verricht op voorwaarde dat de andere prestatie ook wordt verricht, en omgekeerd. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de dienst of het goed uitsluitend als tegenprestatie moet worden betaald opdat sprake is van een handeling onder bezwarende titel, faalt naar recht. (…) Vierde onderdeel 9. Krachtens artikel 2, eerste lid, Btw-wetboek zijn de leveringen van goederen en de diensten die door een belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht, aan de belasting onderworpen wanneer ze in België plaatsvinden. Een handeling onder bezwarende titel onderstelt een rechtstreeks verband tussen de verrichte handeling en de ontvangen tegenwaarde. 10. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat de werkzaamheden die elk lid van een samenwerkingsverband in het kader en voor rekening ervan verricht, in beginsel niet verschillen van die welke een onderneming voor eigen rekening verricht, en dat deze bijgevolg op dezelfde wijze moeten worden behandeld (HvJ 29 april 2004, C-77/11, EDM, punt 86). 11. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het bestaan van een samenwerkingsverband eraan in de weg staat dat de prestaties die door de leden ervan worden gepresteerd en die overeenstemmen met het afgesproken aandeel dat aan ieder van hen werd toebedeeld worden gekwalificeerd als handelingen onder bezwarende titel in de zin van artikel 2, eerste lid,

  1. a)en
  2. c)Btw-richtlijn, faalt het naar recht. 12. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de door de eiseres en de grondeigenaar uitgewisselde prestaties gedeeltelijk om niet werden gepresteerd, mist het feitelijke grondslag. (…) Tweede middel Eerste onderdeel 14. De rechter beoordeelt in feite of de litigieuze bepaling in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was. Het Hof kan evenwel nagaan of de rechter gelet op de gedane vaststellingen wettig heeft kunnen besluiten dat de litigieuze bepaling in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was. 15. De appelrechters stellen vast en oordelen dat “het geschil […] in essentie een feitelijk onderzoek [betreft] of de tenlasteneming door de [eiseres] van de kosten voor publiciteit en verkoopsbemiddeling ten behoeve van de grondeigenaars op wiens gronden zij mag bouwen, al dan niet een geheel van verrichtingen onder bezwarende titel betreft en naar wat de maatstaf van heffing voor de btw van deze transacties is” en “de loutere complexiteit van de fiscale regelgeving [niet] kan […] doen besluiten dat het geschil een princiepskwestie tot voorwerp heeft”. De appelrechters konden op die gronden wettig oordelen dat de litigieuze bepaling niet in redelijkheid voor principiële betwisting vatbaar was. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 16. In zoverre het onderdeel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert zonder te specificeren hoe en waardoor het arrest deze bepaling schendt, is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 17. Krachtens artikel 70, § 1, Btw-wetboek wordt voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet-tijdig betaalde belasting. Krachtens artikel 84, derde lid, Btw-wetboek wordt binnen de door de wet gestelde grenzen, het bedrag van de proportionele fiscale boeten bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld. Krachtens artikel 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten, is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboete op het stuk van de btw bepaald in tabel G van de bijlage ten aanzien van overtredingen beoogd in artikel 70, § 1, Btw-wetboek, begaan na 31 oktober 1993. Volgens de voormelde tabel G bedraagt de toepasselijke geldboete 20 pct. van de verschuldigde belasting voor belastbare handelingen die niet zijn opgenomen in de daartoe bestemde aangifte zo dit bedrag meer dan 1.250 euro bedraagt voor een controleperiode van één jaar. 18. De rechter aan wie gevraagd wordt een geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1, Btw-wetboek of het voormelde KB nr. 41 van 30 januari 1987, die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6.1 EVRM, te toetsen, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. 19. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter en het daaruit voortvloeiend beginsel dat een administratieve sanctie met een repressief karakter in de zin van artikel 6.1 EVRM ter controle moet kunnen worden voorgelegd aan een rechter met volle rechtsmacht, houdt niet in dat de rechter de administratieve geldboete kan verminderen tot beneden het wettelijk minimum of tot beneden het door de wet opgelegde vaste boetetarief. Aan het vereiste dat de rechter de administratieve boete moet kunnen toetsen met volle rechtsmacht is immers voldaan indien alles wat onder de beoordelingsbevoegdheid van het bestuur valt, door de rechter kan worden getoetst. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 20. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat: - met belastingboeten inzake de btw uitvoering wordt gegeven aan het recht van de Unie in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest (HvJ 23 februari 2013, C-617/10, Åkerberg Fransson, punt 27); - een nationale rechterlijke instantie die moet onderzoeken of een nationale bepaling of een maatregel waarmee in een situatie waarin het optreden van de lidstaten niet volledig door het Unierecht wordt bepaald, het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest, in overeenstemming is met de grondrechten, daarbij nog steeds nationale maatstaven voor de bescherming van de grondrechten kan toepassen, op voorwaarde dat deze toepassing niet afdoet aan het door het Handvest geboden beschermingsniveau, zoals uitgelegd door het Hof, noch aan de voorrang, eenheid en doeltreffendheid van het Unierecht (HvJ 26 februari 2013, C 399/11, Melloni, punt 60 en HvJ 23 februari 2013, C-617/10, Åkerberg Fransson, punt 29); - bij ontbreken van harmonisatie van de Uniewetgeving op het gebied van de toepasselijke sancties in geval van niet-naleving van de voorwaarden van een bij deze wettelijke regeling ingesteld stelsel, de lidstaten bevoegd zijn de sancties te kiezen die hun passend voorkomen. Zij moeten hun bevoegdheid echter uitoefenen met eerbiediging van het Unierecht en de algemene beginselen daarvan, en dus ook met eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel (HvJ 7 december 2000, C 213/99, de Andrade, punt 20 en HvJ 6 februari 2014, C 424/12, Fatorie, punt 50); - dergelijke sancties derhalve niet verder mogen gaan dan noodzakelijk is ter waarborging van de juiste heffing van de belasting en ter voorkoming van fraude (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Farkas, punt 60; HvJ 8 mei 2008, C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, punten 65-67; HvJ 20 juni 2013, C-259/12, Rodopi-M 91, punt 38); - bij de beoordeling of een sanctie in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel met name rekening moet worden gehouden met de aard en de ernst van de inbreuk waarvoor die sanctie wordt opgelegd en met de wijze waarop de hoogte ervan wordt bepaald (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Farkas, punt 60; HvJ 8 mei 2008, C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, punten 65-67; HvJ 20 juni 2013, C-259/12, Rodopi-M 91, punt 38); - de rechter tevens rekening mag houden met de concrete omstandigheden van de zaak om te beoordelen of de op basis van de bepalingen van nationaal recht aan de belastingplichtige opgelegde sanctie in overeenstemming is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel (HvJ 26 april 2017, C-564/15, Farkas, punt 61). 21. Hieruit volgt dat de nationale rechter een overeenkomstig voormeld KB nr. 41 van 30 januari 1987 opgelegde administratieve geldboete in toepassing van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel kan verminderen tot beneden de in dit koninklijk besluit bepaalde vaste boetetarieven, rekening houdend met de aard en de ernst van de inbreuk en de concrete omstandigheden van de zaak. 22. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - “aan de [eiseres] op grond van artikel 70, §1 WBTW een proportionele administratieve geldboete [werd] opgelegd ten bedrage van 25.340,00 EUR, dit is 20% van de verschuldigde belasting”; - “de geldboete […] wettig [werd] opgelegd en […] in overeenstemming [is] met de reglementaire voorschriften”; - “het geschil […] in essentie een feitelijk onderzoek [betreft] of de tenlasteneming door de [eiseres] van de kosten voor publiciteit en verkoopsbemiddeling ten behoeve van de grondeigenaars op wiens gronden zij mag bouwen, al dan niet een geheel van verrichtingen onder bezwarende titel betreft en naar wat de maatstaf van heffing voor de btw van deze transacties is”; - “de loutere complexiteit van de fiscale regelgeving [niet] kan […] doen besluiten dat het geschil een princiepskwestie tot voorwerp heeft”; - “de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve geldboete opgelegd op grond van artikel 70, § 1 WBTW te toetsen, […] de wettigheid van die sanctie [moet]onderzoeken en […] in het bijzonder [mag] nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen”; - “dit toetsingsrecht […] in het bijzonder aan de rechter [moet] toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang”; - “in dit concrete geval geen reden [voorhanden is] om de opgelegde geldboete te verminderen”; - het “mede gelet op de opmaak van de […] factuur van 31 december 2018 […] voor de [eiseres] immers duidelijk [moet zijn] geweest dat voor de door haar aan de grondeigenaars verrichte diensten van publiciteit en verkoopsbemiddeling aan de btw onderworpen transacties betroffen waarop de btw verschuldigd was”; - de eiseres, “door de btw op het geheel van deze prestaties niet af te dragen, […] een fout [maakte], minstens […] op onzorgvuldige wijze [handelde], ten gevolge waarvan de geldboete niet onevenredig is met de door haar begane inbreuken en in redelijkheid door de administratie kon worden opgelegd”. 23. Aldus verwerpen de appelrechters de vordering van de eiseres tot vernietiging van de geldboete, rekening houdend met het toepasselijke wettelijke en reglementaire kader, de complexiteit van de zaak, de aard, de ernst en de omvang van de inbreuken, en de goede trouw van de eiseres. Zodoende toetsen zij, anders dan het onderdeel aanvoert, de boete aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en verantwoorden zij hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 339,48 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 12 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.6 Gerelateerde publicatie(
  3. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.