← België

Vlaamse Gewest contra BELGISCHE STAAT FINANCIEN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.7 Rolnummer: F.24.0082.N Zaak: Vlaamse Gewest contra BELGISCHE STAAT FINANCIEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2026-02-27 Raadplegingen: 635 - laatst gezien 2026-06-18 18:06 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.7 Fiches 1 - 2 Het bestaan van een concessie voor openbare werken belet niet dat door de concessiehouder een vergoeding wordt betaald aan de concessiegever en dat deze vergoeding bij deze laatste te kwalificeren is als een roerend inkomen in de zin van artikel 17, § 1, 3°, WIB92 wanneer blijkt dat het voordeel dat de concessiehouder haalt uit de exploitatie van de werken belangrijker is dan de waarde van de gerealiseerde werken, waarvan de concessiegever zonder vergoeding eigenaar wordt op het einde van het contract .

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - PERSONENBELASTING - Inkomsten uit roerende goederen Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 17, § 1 Wet 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten - 24-12-1993 - Art. 24 - 37 ELI link Pub nr 1994021012 Thesaurus CAS: OPENBARE WERKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 17, § 1 Wet 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten - 24-12-1993 - Art. 24 - 37 ELI link Pub nr 1994021012 Tekst van de beslissing Nr. F.24.0082.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, voor wie optreedt de viceminister-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Mobiliteit, Openbare Werken, Binnenlands Bestuur, Bestuurszaken, Inburgering en Gelijke Kansen, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II-laan 20, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0220.819.807, eiser, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12-14, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te 6051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 november
  1. Advocaat-generaal Johan van der Fraenen heeft op 26 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  2. Krachtens artikel 17, § 1, 3°, WIB92, zoals van toepassing voor de wijziging ervan bij wet van 21 januari 2022, zijn inkomsten uit roerende goederen en kapitalen alle opbrengsten van roerend vermogen aangewend uit welke hoofde ook, waaronder inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen. Inkomsten uit onroerende goederen zijn belastbaar overeenkomstig artikel 7, § 1, WIB
  3. Krachtens artikel 24 Overheidsopdrachtenwet 1993, zoals van toepassing, verstaat men onder concessie voor openbare werken, de overeenkomst met dezelfde kenmerken als een opdracht voor werken, met uitzondering van het feit dat de tegenprestatie voor de uit te voeren werken bestaat hetzij in uitsluitend het recht het werk te exploiteren, hetzij in dit recht, gepaard gaande met een prijs.
  4. Het bestaan van een concessie voor openbare werken belet niet dat door de concessiehouder een vergoeding wordt betaald aan de concessiegever en dat deze vergoeding bij deze laatste te kwalificeren is als een roerend inkomen in de zin van artikel 17, § 1, 3°, WIB92 wanneer blijkt dat het voordeel dat de concessiehouder haalt uit de exploitatie van de werken belangrijker is dan de waarde van de gerealiseerde werken, waarvan de concessiegever zonder vergoeding eigenaar wordt op het einde van het contract.
  5. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - een concessie een roerend goed tot voorwerp moet hebben om begrepen te zijn onder artikel 17, § 1, 3°, WIB92; - gekeken moet worden naar de aard van het hoofdzakelijke voorwerp van de overeenkomst om de aard van de inkomsten te bepalen, waarbij dit voorwerp wordt bepaald op basis van een feitelijke en juridische beoordeling van de onderliggende overeenkomst; - de concessie de herinrichting betreft van twee dienstenzones te Ranst langs de autosnelweg E313/E34, waarbij het bestek uitdrukkelijk stelt dat het een concessie voor openbare werken betreft in de zin van artikel 24 Overheidsopdrachtenwet 1993; - het loutere gegeven dat het een concessie betreft voor openbare werken de toepassing van artikel 17, § 1, 3°, WIB92 geenszins uitsluit; - in tegenstelling tot hetgeen de verweerder voorhoudt, door de eiser wel degelijk een recht in concessie wordt gegeven vermits het doel van deze concessie-overeenkomst de bouw en de exploitatie van voormelde parkings en gebouwen betreft, teneinde te komen tot een betere dienstverlening, een grotere veiligheid en meer duurzaamheid van de parking langs de autosnelweg; - het doel van de toekenning van de concessie precies de dienstverlening aan gebruikers van de autosnelweg door de concessiehouder betreft; - de tegenprestatie van de overdracht aan de overheid van de eigendom van de werken die door de concessiehouder werden opgericht zonder vergoeding, het voordeel is dat de concessiehouder geniet van het recht om deze werken, noodzakelijk voor de uitoefening van de dienst, te exploiteren tijdens de duur van de concessie, waarbij het exploitatierisico bij de concessiehouder ligt; - de eiser de uitoefening van de dienst met publiek belang heeft toevertrouwd aan de concessiehouder door hem te verplichten die dienst te verrichten; - de uitbating zelf in detail wordt omschreven en voorzien is in wederzijdse bindende verplichtingen, waarbij de uitvoering van deze werken of diensten onderworpen is aan specifieke door de aanbestedende overheid gedefinieerde vereisten; - het in hoofdzaak gaat om het tegen betaling exploiteren van de op het openbaar domein op te richten bouwwerken, dewelke aan de concessiehouder in eigendom toebehoren tijdens de concessie; - de omstandigheid dat de concessiehouder gedurende de duur van de concessie eigenaar is van de werken/gebouwen die hij op het terrein heeft opgericht slechts een modaliteit is om het werkelijk doel te realiseren, namelijk de dienstverlening aan de gebruikers van de autosnelweg; - de concessiehouder de werken heeft moeten uitvoeren om de exploitatie van de specifiek door de eiser omschreven dienst van publiek belang mogelijk te maken; - het duidelijk is dat voormelde retributies, voor het belangrijkste en overwegend deel berekend op basis van de verkoop/bruto-omzet die de concessiehouder realiseert uit de exploitatie, voortvloeien uit het recht dat aan de concessiehouder werd toegekend om de bouwwerken te exploiteren, zijnde een onlichamelijk roerend goed; - het niet gaat om een vergoeding die verband houdt met het recht van opstal; - het ter beschikking stellen van het openbaar domein (de terreinen) en de uitvoering van de openbare werken gezien moeten worden als een noodzakelijk onderdeel van het recht de bouwwerken te exploiteren, en niet als het werkelijke voorwerp van de concessie.
  6. De appelrechters die op die gronden oordelen dat de retributies die door de concessiegever worden verkregen op basis van artikel 17, § 1, 3°, WIB92 belastbaar zijn als roerend inkomen aangezien deze retributies niet voortkomen uit de door de concessiehouder gebouwde gebouwen, maar uit het recht dat aan de concessiehouder werd toegekend om het werk te exploiteren, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 553,56 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 12 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260212.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260212.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.