← België

H. contra HANSARD EUROPE DAC

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260216.3N.3 Rolnummer: C.24.0353.N Zaak: H. contra HANSARD EUROPE DAC Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-02-27 Raadplegingen: 775 - laatst gezien 2026-06-19 00:19 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die erop van toepassing zijn; hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent

(1).
(1)Cass. 1 februari 2019, AR C.18.0350.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190201.2, AC 2019, nr. 64; Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11, AC 2016, nr. 189; Cass. 31 oktober 2013, AR C.13.0005.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3, AC 2013, nr. 571, met concl. van advocaat-generaal VAN INGELGEM; Cass. 14 december 2012, AR C.12.0018.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4, AC 2012, nr. 690; Cass. 28 september 2012, AR C.12.0049.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120928.8, AC 2012, nr. 500, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL; Cass. 29 september 2011, AR C.10.0349.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1, AC 2011, nr. 514, met concl. van advocaat-generaal VANDEWAL; Cass. 31 januari 2011, AR C.10.0123.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110131.3, AC 2011, nr. 88; Cass. 1 februari 2010, AR S.09.0064.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.5, AC 2010, nr. 77, met concl. van toenmalig advocaat-generaal MORTIER; Cass. 28 september 2009, AR C.04.0253.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090928.6, AC 2009, nr. 529, concl. van advocaat-generaal GENICOT op datum in Pas.; Cass. 28 mei 2009, AR C.06.0248.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090528.8, AC 2009, nr. 355, met concl. van toenmalig advocaat-generaal HENKES op datum in Pas.; Cass. 28 mei 2009, AR C.08.0066.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090528.9, AC 2009, nr. 356. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Fiches 3 - 4 De rechter heeft de plicht ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder aanvoeren tot staving van hun vorderingen of hun verweer; hiermee moeten worden gelijkgesteld de feiten die de rechter zelf naar voor brengt uit de elementen die de partijen hem regelmatig hebben voorgelegd; dit betekent niet dat de rechter gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke maar niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de mogelijke toepassing moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich onmiskenbaar aan hem opdringen door de feiten die partijen in het bijzonder aanvoeren of de feiten die hij zelf naar voor brengt uit de elementen die de partijen hem regelmatig hebben voorgelegd
(1).
(1)Cass.13 januari 2023, AR C.22.0096.N, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.2, met concl. van advocaat-generaal Herregodts; Cass. 17 maart 2016, AR C.15.0235.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11, AC 2016, nr.
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Wettelijke bepalingen: Algemeen rechtsbeginsel inzake het recht van verdediging Tekst van de beslissing Nr. C.24.0353.N E.H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen HANSARD EUROPE DAC, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te D01 H104 Dublin 1 (Ierland), IFSC, 25/28 North Wall Quay, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 maart
  2. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 2 december 2025 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  3. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die erop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent.
  4. De rechter heeft de plicht ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder aanvoeren tot staving van hun vorderingen of hun verweer. Hiermee moeten worden gelijkgesteld de feiten die de rechter zelf naar voor brengt uit de elementen die de partijen hem regelmatig hebben voorgelegd. Dit betekent niet dat de rechter gehouden is alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke maar niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de mogelijke toepassing moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich onmiskenbaar aan hem opdringen door de feiten die partijen in het bijzonder aanvoeren of de feiten die hij zelf naar voor brengt uit de elementen die de partijen hem regelmatig hebben voorgelegd.
  5. De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - op 9 oktober 2007 tussen de eiser en de verweerster een “tak 23”-levensverzekeringsovereenkomst is tot stand gekomen, waarbij de eiser intekende op een individueel intern fonds; - het voorwerp van de overeenkomst slechts onwettig is indien het ertoe strekt een toestand te doen ontstaan of in stand te houden die strijdig is met regels van openbare orde; - de polis die de eiser bij de verweerster onderschreef een op dat ogenblik nog toegelaten verzekeringsproduct was; - het reglement van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten betreffende het commercialiseringsverbod van bepaalde financiële producten aan niet-professionele cliënten pas bij koninklijk besluit van 24 april 2014 werd goedgekeurd; - het commercialiseringsverbod dat pas in 2014 werd opgelegd, in het bijzonder de “tak 23”-verzekeringen, verbonden met een intern fonds dat belegt in een of meerdere niet-conventionele activa beoogt; - de Verordening nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad over essentiële informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekering- gebaseerde beleggingsproducten van 2014 dateert en dus evenmin van toepassing was bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst; - de artikelen 63 tot 70 van het koninklijk besluit van 14 november 2003 betreffende de levensverzekeringsactiviteit, waarnaar de eiser ook verwijst, niet van openbare orde, maar van dwingend recht zijn; - bijgevolg geen van de partijen bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in 2007 beoogden een toestand te doen ontstaan of in stand te houden die strijdig is met enige bepaling van openbare orde.
  6. De appelrechter die op grond van voormelde redenen de vordering van de eiser tot nietigverklaring van de verzekeringsovereenkomst afwijst, miskent niet het algemeen rechtsbeginsel om het geschil te beslechten overeenkomstig de erop van toepassing zijnde rechtsregels. In zoverre het middel de appelrechter verwijt, ondanks de door hem gedane vaststelling dat in 2014 een commercialiseringsverbod werd opgelegd van “tak 23”-verzekeringen verbonden met een intern fonds dat belegt in een of meerdere niet-conventionele activa, niet te hebben nagegaan of de redenen die dat commercialiseringsverbod rechtvaardigen, ook niet reeds voorhanden waren bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst in 2007, kan het niet worden aangenomen.
  7. Voor het overige voert het middel geen zelfstandige grief aan, maar is het afgeleid uit de tevergeefs aangevoerde miskenning van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk de rechter gehouden is het geschil te beslechten overeenkomstig de daarop van toepassing zijnde rechtsregels. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 391,58 euro en op 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 16 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260216.3N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090528.8 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090528.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090928.6 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100201.5 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110131.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110929.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120928.8 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121214.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131031.3 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160317.11 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190201.2 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230113.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.