id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260216.3N.8 Rolnummer: S.25.0017.N Zaak: Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling e contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-02-27 Raadplegingen: 581 - laatst gezien 2026-06-18 06:27 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260216.3N.8 Fiche 1 Het verlies van het recht op werkloosheidsuitkering in de zin van artikel 52bis, § 2, tweede lid, Werkloosheidsbesluit is niet gegrond op de loutere herhaling van de gebeurtenis, maar op de herhaling van de gebeurtenis na een vroegere gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot een beslissing waarbij artikel 52bis, § 1, werd toegepast
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - RECHT OP UITKERING Wettelijke bepalingen: KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 51, § 1, eerste en tweede lid - 50 ELI link Pub nr 1991013192 KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 52bis, §§ 1 en 2, tweede lid - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Fiche 2 Het verlies van de aanspraak op werkloosheidsuitkering in de zin van artikel 52bis, § 2, tweede lid, Werkloosheidsbesluit kan niet worden gegrond op een vroegere gebeurtenis waarover op het ogenblik van de tweede te nemen beslissing nog geen in kracht van gewijsde gegane beslissing is gewezen en aldus voor de werknemer niet definitief is geworden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WERKLOOSHEID - RECHT OP UITKERING Wettelijke bepalingen: KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 44 - 50 ELI link Pub nr 1991013192 KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 51, § 1, eerste en tweede lid - 50 ELI link Pub nr 1991013192 KB 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering - 25-11-1991 - Art. 52bis, §§ 1 en 2, tweede lid - 50 ELI link Pub nr 1991013192 Tekst van de beslissing Nr. S.25.0017.N VLAAMSE DIENST VOOR ARBEIDSBEMIDDELING EN BEROEPSOPLEIDING, met zetel te 1000 Brussel, Keizerslaan 11, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0887.010.362, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen C.D.S, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof Gent, afdeling Gent, van 2 december
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 26 december 2025 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 44 Werkloosheidsbesluit moet de werkloze om uitkeringen te kunnen genieten wegens omstandigheden onafhankelijk van zijn wil zonder arbeid en zonder loon zijn. Krachtens artikel 51, § 1, eerste lid, Werkloosheidsbesluit, kan de werknemer die werkloos is of wordt wegens omstandigheden afhankelijk van zijn wil uitgesloten worden van het genot van de uitkeringen overeenkomstig de artikelen 52 tot
- Artikel 51, § 1, tweede lid, Werkloosheidsbesluit, bepaalt wat onder “werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer” wordt begrepen. Op grond van artikel 51, § 1, tweede lid, 4°, Werkloosheidsbesluit, zoals van toepassing wordt het zich zonder voldoende rechtvaardiging niet aanmelden bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling en/of beroepsopleiding, indien de werkloze door deze dienst werd opgeroepen om zich aan te melden, beschouwd als werkloosheid wegens omstandigheden afhankelijk van de wil van de werknemer. Artikel 52bis, § 1, Werkloosheidsbesluit, vermeldt de redenen op grond waarvan de werknemer kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 4 weken en ten hoogte 52 weken indien hij werkloos is of wordt in de zin van artikel 51, § 1, tweede lid. Krachtens artikel 52bis, § 2, tweede lid, Werkloosheidsbesluit, verliest de werknemer het recht op uitkeringen wanneer hij opnieuw werkloos wordt in de zin van § 1 binnen het jaar na de gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot een beslissing in toepassing van § 1, genomen voor de datum van de nieuwe gebeurtenis.
- Uit deze bepalingen volgt dat het verlies van het recht op werkloosheidsuitkering in de zin van artikel 52bis, § 2, tweede lid, Werkloosheidsbesluit niet is gegrond op de loutere herhaling van de gebeurtenis, maar op de herhaling van de gebeurtenis na een vroegere gebeurtenis die aanleiding heeft gegeven tot een beslissing waarbij artikel 52bis, § 1, werd toegepast. Het verlies van de aanspraak op werkloosheidsuitkering in de zin van artikel 52bis, § 2, tweede lid, Werkloosheidsbesluit kan niet worden gegrond op een vroegere gebeurtenis waarover op het ogenblik van de tweede te nemen beslissing nog geen in kracht van gewijsde gegane beslissing is gewezen en aldus voor de werknemer niet definitief is geworden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het is niet tegenstrijdig, enerzijds, te oordelen dat een beslissing tot uitsluiting in de zin van artikel 52bis Werkloosheidsbesluit geen administratieve sanctie betreft wegens een inbreuk op de werkloosheidsreglementering, maar een uitsluiting binnen het kader van de toekenningsvoorwaarden en, anderzijds, te oordelen dat voor de toepassing van artikel 52bis, § 2, tweede lid, Werkloosheidsbesluit vereist is dat de beslissing genomen bij toepassing van artikel 52bis, § 1, in kracht van gewijsde is getreden. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 839,97 euro en op 26 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 16 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260216.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260216.3N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div