← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260217.2N.13 Rolnummer: P.25.0306.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2026-02-23 Raadplegingen: 686 - laatst gezien 2026-06-18 06:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De rechter kan bij de beoordeling over het bestaan van al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen in de zin van artikel 489bis, 1°, Strafwetboek rekening houden met het gegeven dat de gefailleerde vennootschap btw en belastingen verschuldigd was, ook al werd de strafrechtelijke schuld van de bestuurders in rechte of in feite van die vennootschap betreffende de daarmee verband houdende fiscale misdrijven nog niet vastgesteld. Thesaurus CAS: FAILLISSEMENT, FAILLISSEMENTSAKKOORD EN GERECHTELIJK AKKOORD - MISDRIJVEN IN VERBAND MET FAILLISSEMENT, BEDRIEGLIJK ONVERMOGEN Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BELASTINGEN (MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE) Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 489bis, 1° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0306.N

  1. M. A., beklaagde, eiser,
  2. D. A., beklaagde, eiseres,
  3. M. A., beklaagde, eiseres, allen met als raadsman mr. Özgür Balci, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9040 Gent, Antwerpsesteenweg 576, waar de eisers woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 6 februari
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1, 2 en 3
  5. Het arrest spreekt de eisers 1 en 2 vrij voor de feiten omschreven onder de telastleggingen D2, D4 en voor het overige voor wat betreft de telastleggingen D5 en I, alsook de eiseres 3 vrij voor de feiten omschreven onder de telastleggingen D4 en voor het overige voor wat betreft de telastleggingen D5 en I. In zoverre ook gericht tegen die beslissingen, zijn de cassatieberoepen 1, 2 en 3 bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
  6. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 196 en 197 Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en houdende de bewijslast in strafzaken: het strafdossier bevat geen bewijs dat erop wijst dat op het ogenblik van de geviseerde transacties er een vermomming van de waarheid is geweest; zowel L.R. als I.M. blijken de aandelen die ze hebben overgenomen van Ideal Partner bv en Service Management bv, naderhand te hebben doorverkocht aan derden; L.R. heeft daarbij winst gemaakt; U.B., zijnde de overnemer van de aandelen van Service Management bv, heeft daadwerkelijk nog activiteiten uitgeoefend met deze vennootschap en dit in een niet onaanzienlijk tijdsbestek; de eiseres 2 heeft na haar ontslag als zaakvoerder nog tot 27 mei 2016 een volmacht gehad op de bedrijfsrekening, maar er waren geen elementen waaruit bleek dat zij die volmacht heeft gebruikt of misbruikt; er blijkt niet dat ten tijde van de overdracht van de aandelen van deze vennootschappen zij in een financieel precaire toestand waren beland of daarin dreigden te belanden.
  7. Het middel dat geheel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het arrest, is niet ontvankelijk. Tweede middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 45, 53, 60, 61, 73, 73bis, 73quinquies en 79 Btw-wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en houdende de bewijslast in strafzaken: anders dan de appelrechters oordelen, hebben de eisers reeds voor de eerste rechter een emailbericht van hun boekhouder P.B. bijgebracht; de boekhouder geeft daarin duidelijk aan dat alle boekhoudkundige stukken op 10 april 2015 werden afgehaald door de BBI; uit die email blijkt niet dat de boekhouder nog kopieën zou hebben of dat er geen kasboeken zouden hebben bestaan; de eisers hebben wel degelijk kasboeken bijgehouden; er is geen enkel element uit het strafdossier dat erop wijst dat de eisers op enigerlei wijze in verband konden worden gebracht met de opmaak van de facturen van de veertien verschillende onderaannemers of met hun bestuur of met hun zetels of met fiscaalrechtelijke verplichtingen; hoewel de eisers hebben gewezen op de manifeste onbetrouwbaarheid van A.T., hebben de appelrechters uit zijn verklaring afgeleid dat de facturatie van de door hem bestuurde vennootschappen fictief was, ook al heeft hij niet verklaard dat hij de valse facturen aan de eisers heeft bezorgd; het arrest hecht geloof aan bepaalde verklaringen van A.T. en geen geloof aan andere verklaringen; de appelrechters hebben zonder enig positief bewijselement geoordeeld dat de facturen van de onderaannemers en de btw niet werden betaald, terwijl die betalingen nochtans konden blijken uit de door de eisers bijgebrachte kasboeken; de schuldigverklaring van de eisers aan de feiten omschreven onder de telastleggingen B en H is niet alleen gebrekkig, maar ook tegenstrijdig en onwettig; de appelrechters oordelen enerzijds dat de facturen volgens A.T. fictief waren, maar nuanceren dit anderzijds ook door te oordelen dat de valsheid enkel erin zou bestaan dat de btw op de facturen niet zou zijn betaald; het arrest merkt op dat het bedrag van veel contante betaalde facturen hoger was dan het toegelaten maximum van 3.000,00 euro, terwijl in de betreffende periode dit maximum 5.000,00 euro bedroeg.
  9. Geen enkele bepaling verzet zich ertegen dat de rechter geloof hecht aan bepaalde verklaringen van een getuige en niet aan andere verklaringen van dezelfde getuige. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  11. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van de verklaringen van boekhouder P.B. door het arrest en het daaruit afgeleide oordeel dat de eisers niet aannemelijk maken dat er kasboeken zijn geweest, is het niet ontvankelijk.
  12. In zoverre het middel is afgeleid uit eisers door het arrest verworpen aanvoering dat er kasboeken zijn geweest, is het niet ontvankelijk.
  13. In zoverre het middel aanvoert dat geen enkel element in het strafdossier erop wijst dat de eisers op enigerlei wijze in verband kunnen worden gebracht met de opmaak van de facturen van de veertien verschillende onderaannemers noch met hun bestuur noch met hun maatschappelijke zetels noch met hun fiscaalrechtelijke verplichtingen, komt het op tegen de onaantastbare andersluidende beoordeling door het arrest en is het niet ontvankelijk.
  14. In zoverre het middel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de bewijswaarde van de verklaringen van A.T. door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  15. Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek vereist beschikkingen of redenen van eenzelfde rechtelijke beslissing die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Dat is niet het geval met de door het middel geviseerde redenen betreffende het fictief karakter van de facturen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  16. In zoverre het middel is gericht tegen het oordeel dat de eisers het emailbericht van 4 maart 2021 pas voor het eerst in de appelprocedure hebben voorgebracht, is het gericht tegen een overtollige reden en kan het niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Derde middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 492bis, eerste lid, Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en houdende de bewijslast in strafzaken: het arrest gaat voorbij aan het feit dat de boekhoudkundige verantwoording van de geldafhalingen had kunnen blijken uit de kasboeken die volgens de verklaring van de boekhouder door de BBI werden meegenomen of door de politie werden inbeslaggenomen; de schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging C wordt niet gedragen door concrete materiële bewijselementen; de eisers hebben aangevoerd dat de geldafhalingen dienden om de onderaannemers te betalen en uit het strafdossier bleek niet dat er ten tijde van de geviseerde geldafhalingen of overschrijvingen schuldeisers zouden zijn geweest; het arrest motiveert niet wanneer, hoe en waarom het vermogen van de vennootschap en het onderpand van de schuldeisers op betekenisvolle wijze zou zijn aangetast.
  18. In zoverre het middel is gegrond op de bewering dat er kasboeken zouden zijn bijgehouden, is het afgeleid uit de vergeefs met het tweede middel aangevoerde onwettigheden en is het niet ontvankelijk.
  19. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, of opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het arrest, is het niet ontvankelijk.
  20. Met de redenen die het arrest (p. 25-28) bevat, beantwoordt en verwerpt het de aanvoering van de eisers dat de met de telastleggingen C geviseerde feiten op betekenisvolle wijze in het nadeel waren van de vennootschap en van de schuldeisers. Met die redenen verantwoordt het die schuldigverklaring ook naar recht, zonder dat in het licht van wat door de eisers werd aangevoerd, een nadere redengeving is vereist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vierde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 505, eerste lid, 3°, Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en houdende de bewijslast in strafzaken: het arrest verbindt de schuldigverklaring van de eisers aan de feiten omschreven onder de telastlegging D1 en D3 aan hun schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging C4, terwijl uit het strafdossier niet blijkt dat de gelden werden omgezet of overgedragen om de illegale herkomst te verbergen en om ze verder te kunnen gebruiken; in de appelconclusie hebben de eisers aangevoerd dat zij geen illegale vermogensvoordelen hebben witgewassen omdat de gelden niet het voorwerp van illegale activiteiten waren; de legale herkomst was namelijk te achterhalen daar de prestaties van Service Management bv niet werden beticht van valsheid; het overschrijven van legaal verdiende gelden van de vennootschapsrekening naar de persoonlijke rekening van de bestuurder om de gelden dan verder over te schrijven of in contanten af te halen, impliceert niet ipso facto het witwassen van illegale vermogensvoordelen.
  22. Het middel komt geheel op tegen de onaantastbare beoordeling over het legaal karakter van de omgezette of overgedragen gelden en over de bedoeling van die omzetting of overdracht. Het middel is niet ontvankelijk. Vijfde middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 489bis, 1° en 4°, en 490 Strafwetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en houdende de bewijslast in strafzaken: het arrest oordeelt dat het kunstmatig krediet niet is ontstaan door de latere inkohiering van belastingen, maar wel uit de opgezette fraude die reeds jaren voordien bestond; die motivering gaat uit van de schuld van de eisers aan fiscale fraude die zich toen nog niet had gemanifesteerd; ze dekt niet het gebrek aan concreet onderzoek naar de exacte datum van het virtueel faillissement; de eisers hebben in hun appelconclusie nochtans aangevoerd dat een dergelijk onderzoek niet werd gevoerd en dat uit het strafdossier alleszins niet bleek dat op de datum van de overdracht van de aandelen er schulden zouden zijn geweest van Ideal Partners bv.
  24. Het arrest oordeelt met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 36-37, nr. 27-28) dat Ideal Partner bv zich reeds op 23 januari 2015 in een staat van faillissement bevond. Het voegt daaraan toe dat op dit ogenblik er geen intentie meer was om nog economische activiteiten te voeren met de vennootschap en inkomsten te verwerven, zodat de vennootschap geen regulier krediet meer kon krijgen en het ook niet de bedoeling was van de overnemer om de schulden van de vennootschap te betalen. Aldus beantwoordt en verwerpt het arrest de in het middel vermelde betwisting over de datum van virtueel faillissement. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  25. De rechter kan bij de beoordeling over het bestaan van al te kostelijke middelen om zich geld te verschaffen in de zin van artikel 489bis, 1°, Strafwetboek rekening houden met het gegeven dat de gefailleerde vennootschap btw en belastingen verschuldigd was, ook al werd de strafrechtelijke schuld van de bestuurders in rechte of in feite van die vennootschap betreffende de daarmee verband houdende fiscale misdrijven nog niet vastgesteld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  26. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Zesde middel
  27. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen XV.70 en XV.75 Wetboek Economisch Recht, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en houdende de bewijslast in strafzaken: het arrest verwijst naar de verklaring van de boekhouder, die aangaf dat hij de eisers in cassatie erop heeft gewezen dat ze best per bankoverschrijving betaalden en niet contant; de boekhouder verklaarde nochtans niet dat er geen kasboeken waren, maar wel dat de boekhoudkundige stukken werden meegenomen door de BBI of werden in beslag genomen door de politie; het arrest is tegenstrijdig, minstens gebrekkig, gemotiveerd; het oordeelt enerzijds door verwijzing naar de motieven van de eerste rechter dat de boekhouding slechts bestond uit de aankoop- en verkoopfacturen die werden overhandigd aan de boekhouder; het oordeelt anderzijds dat er geen volledige boekhouding werd gevoerd; de boekhouder zou de eisers niet hebben gewaarschuwd voor contante betalingen als hij geen contante betalingen had vastgesteld; een aanvullend onderzoek had kunnen uitwijzen waar de kasboeken zich bevonden; de eisers dienden voor Ideal Partner bv geen jaarrekening per 31 december 2014 neer te leggen, aangezien ze sinds 23 januari 2015 geen bestuurder meer waren.
  28. In zoverre het middel betrekking heeft op het hebben bestaan van kasboeken, heeft het dezelfde strekking als het tweede middel en moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen.
  29. Een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek vereist beschikkingen of redenen van eenzelfde rechtelijke beslissing die elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. Dat is niet het geval met de door het middel geviseerde redenen betreffende het bestaan hebben van kasboeken. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  30. Uit de vaststellingen van het arrest betreffende de feiten omschreven onder de telastlegging A1 volgt dat de eisers 1 en 2 na 23 januari 2015 bestuurders in feite waren van de vennootschap. Aldus verwerpt het arrest de aanvoering van de eisers 1 en 2 dat zij geen bestuurder meer waren. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het evenzeer feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  31. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 144,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 februari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260217.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.