← België

J.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 163

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 435 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 4, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 163

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 435 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 4, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 29 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 163

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 435 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 4, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - GELDBOETE EN OPDECIEMEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 163

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) -

Art. 195

- 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 435 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 29, § 4, tweede lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1554.N T. J., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Christophe Daerden, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren-Borgloon, van 15 oktober

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het bestreden vonnis bevestigt het beroepen vonnis dat een deskundigenonderzoek beveelt alvorens recht te doen over een eventuele beveiligingsmaatregel als bedoeld in artikel 42 Wegverkeerswet en het verwijst de zaak terug naar de eerste rechter. Die beslissing is geen eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en evenmin een beslissing als bedoeld door artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste middel Tweede onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het resultaat van de fouillering niet uit het debat moet worden geweerd indien die onrechtmatig zou zijn uitgevoerd; het foutief en onzorgvuldig toepassen van de Wet Politieambt door de verbalisanten maakt minstens een grove nalatigheid uit aangezien zij deze wetgeving logischerwijze moeten kennen.
  4. Met de redenen die het bestreden vonnis (p. 6, derde en vierde alinea) bevat, oordelen de appelrechters dat voor zover wordt aangenomen dat de fouillering onregelmatig zou zijn, uit geen enkele objectief element blijkt dat de politieambtenaren doelbewust de betrokken wetsbepaling hebben overtreden en geven zij ook te kennen dat dit geen grove nalatigheid is. Het onderdeel dat opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel van de appelrechters, is niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM, artikel 22 Grondwet en artikel 28 Wet Politieambt: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat er voldaan was aan de voorwaarden om tot een fouillering te mogen overgaan en dat de fouillering op rechtmatige wijze is gebeurd; uit de loutere vaststelling van zenuwachtigheid van de eiser en de mede inzittende, kan het bestreden vonnis niet afleiden dat die gedraging een redelijke grond uitmaakt om aan te nemen dat de eiser een wapen zou kunnen dragen of enig voorwerp dat gevaarlijk is voor de openbare orde.
  6. Het bestreden vonnis oordeelt dat zelfs al mocht de fouillering onregelmatig zijn er overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geen grond is om tot bewijsuitsluiting over te gaan. Die vergeefs met het tweede onderdeel bekritiseerde beslissing heeft als gevolg dat het eerste onderdeel, al mocht het gegrond, zijn niet tot cassatie kan leiden. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 61bis Wegverkeerswet: het bestreden vonnis had moeten oordelen dat als gevolg van de wering uit het debat van het resultaat van de fouillering er geen drie tekenen over ten minste twee verschillende rubrieken konden worden aangeduid op de gestandaardiseerde checklist, waardoor de speekseltest ten onrechte werd uitgevoerd.
  8. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs met het eerste en het tweede onderdeel aangevoerde wetsschendingen en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het resultaat van de speekselanalyse niet uit het debat moet worden geweerd indien die onrechtmatig zou zijn uitgevoerd; het foutief en onzorgvuldig toepassen van het koninklijk besluit van 27 november 2015 tot uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wat betreft de speekselanalyse en de bloedproef bij het sturen onder invloed van bepaalde psychotrope stoffen en de erkenning van de laboratoria (hierna KB Speekselanalyse) maakt minstens een grove nalatigheid uit aangezien de verbalisanten deze wetgeving logischerwijze dienden te kennen.
  10. Met de redenen die het bestreden vonnis (p. 9, eerste alinea) bevat, oordelen de appelrechters dat voor zover wordt aangenomen dat het speekselstaal niet correct zou zijn bewaard, uit geen enkele objectief element blijkt dat de politieambtenaren doelbewust de betrokken wetsbepaling hebben overtreden en geven zij ook te kennen dat dit geen grove nalatigheid is. Het onderdeel dat opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel van de appelrechters, is niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en de artikelen 4 en 5 KB Speekselanalyse: het bestreden vonnis oordeelt dat uit het strafdossier niet blijkt op welke wijze het speekselstaal werd bewaard of vervoerd; het heeft het openbaar ministerie niet aangezocht om bijkomende informatie te verschaffen betreffende de wijze waarop het speekselstaal werd bewaard of vervoerd; op basis van de voorliggende gegevens kan het bestreden vonnis onmogelijk besluiten dat de speekselanalyse op rechtmatige wijze wordt uitgevoerd.
  12. Het bestreden vonnis oordeelt dat zelfs als zou blijken dat het speekselstaal niet correct werd bewaard, er overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering geen grond is om tot bewijsuitsluiting over te gaan. Die vergeefs met het tweede onderdeel bekritiseerde beslissing heeft als gevolg dat het eerste onderdeel, al mocht het gegrond zijn, niet tot cassatie kan leiden. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis houdt geen rekening met nieuwe elementen die ten tijde van de uitspraak van de politierechtbank nog niet gekend waren en naderhand aan het dossier werden toegevoegd; in zijn appelconclusie verwijst de eiser naar het verslag van dr. W. waaruit zijn abstinentie van verdovende middelen blijkt.
  14. Het bestreden vonnis (p. 10, randnr. 2) verwijst uitdrukkelijk naar de persoonlijke, professionele en financiële situatie van de eiser en naar zijn sociale toestand, zoals die blijkt uit de door hem aangevoerde elementen en voorgelegde stukken. Het oordeelt verder als volgt (p. 10, nr. 5): “De door [de eiser] ter zitting aangevoerde argumentatie en de door hem neergelegde stukken zijn niet van aard om andersluidend te oordelen.”
  15. Het middel dat berust op een onvolledige lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Vierde middel
  16. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 163 en 195 Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis doet geen uitspraak over eisers verzoek om de geldboete te verminderen met de kosten van de herstelonderzoeken en -examens en de erelonen van de geneesheer en psycholoog zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen.
  17. De eiser heeft in zijn appelconclusie het in artikel 29, § 4, tweede lid, Wegverkeerswet bedoeld verzoek gedaan. Het bestreden vonnis beantwoordt dit verzoek niet. Het middel is in zoverre het schending aanvoert van artikel 149 Grondwet gegrond. Omvang van de cassatie
  18. De onwettigheid bestaande in het niet-beantwoorden van eisers verzoek om de geldboete te verminderen met de kosten van de herstelonderzoeken en -examens en de erelonen van de geneesheer en psycholoog zonder dat die minder dan één euro mag bedragen, laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het nalaat uitspraak te doen over het verzoek van de eiser de geldboete te verminderen met de kosten van de herstelonderzoeken en -examens en de erelonen van de geneesheer en psycholoog zonder dat die minder dan één euro mag bedragen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot vier vijfden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Limburg, rechtszitting houdend in hoger beroep. anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 221,82 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 februari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260217.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.