← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260224.2N.6 Rolnummer: P.26.0131.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 391 - laatst gezien 2026-06-18 06:29 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 De afwijzing van een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit is regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechtbank preciseert welke de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzing is die de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit belet, alsook de feitelijke gegevens vermeldt voor dat oordeel; bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de strafuitvoeringsrechtbank niet vast te stellen dat die tegenaanwijzing een reëel en actueel karakter heeft en evenmin te motiveren dat daaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 47, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0131.N E.F. L., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Noémie Wagemans, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel van 26 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering: het vonnis wijst het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling af op een niet in deze bepaling vastgelegde tegenaanwijzing; het oordeelt immers ter afwijzing van de voorwaardelijke invrijheidstelling dat een elektronisch toezicht een noodzakelijke stap vormt in de reclassering en sluit zo a priori de voorwaardelijke invrijheidstelling uit.
  3. Het vonnis oordeelt weliswaar dat een elektronisch toezicht met de bijhorende controle en structuur als een eerste stap wordt gezien in de reclassering van de eiser, maar het grondt de afwijzing van zijn verzoek om een voorwaardelijke invrijheidstelling niet op die redenen. Het verzoek om voorwaardelijke invrijheidstelling wordt afgewezen gelet op het voorhanden zijn van de tegenaanwijzing van een risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten, wat wordt afgeleid uit de bijzondere aard en de ernst van de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld. Daaraan wordt toegevoegd dat het niet mogelijk is om aan deze tegenaanwijzing tegemoet te komen omdat onduidelijk is welk inkomen de eiser zal kunnen genereren tijdens een voorwaardelijke invrijheidstelling. Het onderdeel dat berust op een onjuiste lezing van het vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis neemt het risico op het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten aan gelet op de aard en de ernst van de feiten en oordeelt dat het onduidelijk is welke inkomsten de eiser in cassatie kan genereren; het preciseert evenwel niet op welke wijze dit risico actueel en reëel zou zijn; het motiveert evenmin waarom dit risico niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
  5. De afwijzing van een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit is regelmatig met redenen omkleed indien de strafuitvoeringsrechtbank preciseert welke de in artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzing is die de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit belet, alsook de feitelijke gegevens vermeldt voor dat oordeel. Bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie dient de strafuitvoeringsrechtbank niet vast te stellen dat die tegenaanwijzing een reëel en actueel karakter heeft en evenmin te motiveren dat daaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het vonnis stelt vast dat de in artikel 47, § 1, 2°, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing de toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling belet. Het vermeldt ook dat dit oordeel is gesteund op de aard en de ernst van de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld en de onduidelijkheid over zijn inkomen. Aldus is de beslissing tot afwijzing van het verzoek om de voorwaardelijke invrijheidstelling regelmatig met redenen omkleed. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede middel
  7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis antwoordt niet op eisers in ondergeschikte orde geformuleerd verzoek om de zaak in voortzetting te plaatsen teneinde hem toe te laten een attest van het OCMW over te leggen; het maakt zelfs geen melding van dit verzoek; de eiser had toegelicht dat reeds contact was opgenomen met het OCMW over een mogelijke financiële toelage en dat op 19 januari 2026 daarover een beslissing zou worden genomen, wat ook daadwerkelijk gebeurde; het verzoek om de zaak in voortzetting te plaatsen had tot doel de strafuitvoeringsrechtbank te laten oordelen op basis van volledige en actuele informatie.
  8. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter niet de verplichting in zijn beslissing melding te maken van een verzoek van een partij. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  9. Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 13 januari 2026 blijkt dat de eiser in ondergeschikte orde heeft gevraagd de zaak in voortzetting te stellen. Uit dit proces-verbaal noch uit enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat dit verzoek het in het middel omschreven doel had. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
  10. Met de redenen die het vonnis bevat ter afwijzing van het verzoek om de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorwaardelijke invrijheidstelling, geeft de strafuitvoeringsrechtbank te kennen dat niet wordt ingegaan op het verzoek om de zaak in voortzetting te stellen. Aldus beantwoordt en verwerpt het vonnis het bedoelde verzoek. In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260224.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.