← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260224.2N.7 Rolnummer: P.26.0139.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 406 - laatst gezien 2026-06-18 06:11 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Uit de bepalingen van de artikelen 98/14, § 2, derde lid, en § 3, 98/16, eerste lid, 2°, d), en 98/19, eerste lid, Wet Strafuitvoering volgt dat, indien door de directeur een maatschappelijke enquête is gevraagd als bedoeld door artikel 98/14, § 2, derde lid, Wet Strafuitvoering, de strafuitvoeringsrechter in beginsel geen beslissing kan nemen over de strafuitvoeringsmodaliteit vooraleer hij het verslag van de gevraagde maatschappelijke enquête heeft ontvangen, tenzij hij motiveert waarom de ontvangst van dat verslag niet moet worden afgewacht rekening houdend met het tijdsbestek waarbinnen hij uitspraak moet doen en het nut van het verslag voor zijn oordeelsvorming. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/14 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/19 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/14 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/19 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/14 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/16 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 98/19 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0139.N M. A.-I., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Laura Otte, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 22 januari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 98/14, 98/16 en 98/19 Wet Strafuitvoering: op het ogenblik van de beoordeling door de strafuitvoeringsrechter van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht ontbrak de door de directeur nuttig geachte maatschappelijke enquête.
  3. Artikel 98/14, § 2, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat bij een verzoek om elektronisch toezicht en indien de veroordeelde een straf ondergaat voor feiten die zijn gepleegd in een context van intrafamiliaal geweld de directeur aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen vraagt om een maatschappelijke enquête uit te voeren met het oog op het verkrijgen van noodzakelijke informatie over het onthaalmilieu waar het elektronisch toezicht zal plaatsvinden, tenzij dat in het concrete geval niet nuttig blijkt.
  4. Artikel 98/14, § 3, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur een advies uitbrengt binnen een maand na ontvangst van het afschrift van het schriftelijk verzoek van de veroordeelde.
  5. Artikel 98/16, eerste lid, 2°, d), Wet Strafuitvoering bepaalt dat het door de directeur samengestelde dossier de maatschappelijke enquête als bedoeld in artikel 98/14, § 2, derde lid, Wet Strafuitvoering bevat.
  6. Artikel 98/19, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter uitspraak doet binnen de maand na ontvangst van het dossier van de directeur bedoeld in artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering en ten vroegste na de ontvangst van het advies van het openbaar ministerie of na het verstrijken van de adviestermijn voor het openbaar ministerie.
  7. Uit het voorgaande volgt dat, indien door de directeur een maatschappelijke enquête is gevraagd als bedoeld door artikel 98/14, § 2, derde lid, Wet Strafuitvoering, de strafuitvoeringsrechter in beginsel geen beslissing kan nemen over de strafuitvoeringsmodaliteit vooraleer hij het verslag van de gevraagde maatschappelijke enquête heeft ontvangen, tenzij hij motiveert waarom de ontvangst van dat verslag niet moet worden afgewacht rekening houdend met het tijdsbestek waarbinnen hij uitspraak moet doen en het nut van het verslag voor zijn oordeelsvorming.
  8. Het vonnis stelt vast dat op 19 november 2025 een maatschappelijke enquête werd gevraagd, die noodzakelijk was aangezien de eiser naar aanleiding van zijn verhoren bij de politiediensten in de onderzoeken die tot de actieve titels aanleiding gaven, blijk gaf van een uitgesproken idee rond de gehoorzaamheidsplicht van zijn partner ten opzichte van hem en er ook werd vastgesteld dat de eiser de VOV-voorwaarden en naderhand ook de probatievoorwaarden naast zich neerlegde. Het vonnis grondt het voorhanden zijn van de tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden mede op het gegeven dat gelet op de veelvuldigheid van het gepleegde partnergeweld, de visie van de eiser op wat binnen een partnerrelatie en binnen de bijhorende gehoorzaamheidsplicht is toegelaten en ten slotte gezien er kinderen in het gezin van de partner verblijven, ook naar “een veilig huis” voorafgaandelijk moet worden bevraagd en naar de noodzaak en de haalbaarheid van een begeleiding in de betrokken context. Daarmee motiveert het vonnis niet waarom niet moeten worden gewacht op het verslag van de maatschappelijke enquête, maar geeft het integendeel aan dat de resultaten van die enquête relevant zijn voor de oordeelsvorming over het voorhanden zijn van de tegenaanwijzing. Aldus is de afwijzing van de gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Eerste middel
  9. Het middel behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar een andere strafuitvoeringsrechter van de strafuitvoeringsrechbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 24 februari 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260224.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.