id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260226.1N.4 Rolnummer: C.24.0106.N Zaak: V. contra BNP Paribas Fortis nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 440 - laatst gezien 2026-06-18 06:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn; hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsregels op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of hun verweer; dit betekent niet dat de rechter is gehouden alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, maar niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de mogelijke toepassing moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich onmiskenbaar aan hem opdringen door de feiten die de partijen in het bijzonder aanvoeren. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. C.24.0106.N P. V.P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Leopold I-straat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BNP PARIBAS FORTIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.199.702, verweerster, vertegenwoordigd door meester Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 2 november
- Raadsheer Eva Van Hoorde heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede onderdeel
- De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn. Hij heeft de plicht ambtshalve de rechtsregels op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen of hun verweer. Dit betekent niet dat de rechter is gehouden alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke, maar niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de mogelijke toepassing moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich onmiskenbaar aan hem opdringen door de feiten die de partijen in het bijzonder aanvoeren.
- Uit de stukken waarop het Hof kan acht slaan, blijkt dat de eiser bij appelconclusie niet in het bijzonder feiten heeft aangevoerd met betrekking tot schade die hij zou hebben geleden omwille van een miskenning door de verweerster van haar precontractuele verplichtingen bij de kredietverlening op het stuk van informatie en onderzoek. De vordering van de eiser strekte immers tot toepassing van de bijzondere sanctie van de Wet Consumentenkrediet tot vermindering van de verplichting van de kredietnemer tot de ontleende hoofdsommen in geval van miskenning door de kredietverlener van zijn precontractuele verplichtingen bij de kredietverlening.
- In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters die de vordering van de eiser tot toepassing van voormelde bijzondere sanctie verwerpen, ambtshalve dienden te onderzoeken of de vordering van de eiser kon worden toegekend op grond van de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, terwijl die rechtsgronden zich niet onmiskenbaar aan hen opdrongen door de daartoe in het bijzonder aangevoerde feiten, kan het niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 5, 774 en 1138, 3°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 Oud Burgerlijk Wetboek, is het afgeleid en bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 352,72 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 26 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260226.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div