id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260226.1N.5 Rolnummer: C.24.0142.N Zaak: R. contra BELGISCHE STAAT, BINNENLANDSE ZAKEN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 332 - laatst gezien 2026-06-18 06:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260226.1N.5 Fiche Wanneer de pensioenaanspraak berust op een door de bevoegde commissie tijdens de herzieningsaanvraag erkende afzonderlijke invaliditeit met overeenstemmend invaliditeitspercentage, heeft de militair of rijkswachter recht op een integrale tussenkomst voor de kosten van prothese- en andere toestellen veroorzaakt door die invaliditeit, ook wanneer het pensioenbedrag ongewijzigd blijft door het niet-bereiken van een totale in-validiteitsgraad van een hoger veelvoud van vijf in vergelijking met de vorige aanvraag
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: PENSIOEN - MILITAIR PENSIOEN Wettelijke bepalingen: Wet 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmede gelijkgestelde plicht - 08-07-1970 - Art. 62, eerste lid - 31 Link Justel databank 19700708-31 Regentsbesluit 5 oktober 1948 houdende goedkeuring van de tekst van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen - 05-10-1948 - Art. 37, §§ 2 en 3 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0142.N R. R., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele Hervormingen en Democratische Vernieuwing, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.356.862, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 20 maart
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 27 januari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 62, eerste lid, van de wet van 8 juli 1970 tot instelling van nieuwe voordelen ten behoeve van de slachtoffers van de militaire plicht of van een daarmede gelijkgestelde plicht, verkrijgen de militairen of de rijkswachters, wier invaliditeit te wijten is aan een schadelijk feit dat zich in vredestijd heeft voorgedaan, hun leven lang, op Staatskosten, de genees- en artsenijkundige verzorging, de verpleging in een ziekenhuis en de prothese- en andere toestellen welke door de ziekten of kwetsuren waarop de pensioenaanspraak berust, noodzakelijk gemaakt worden. Krachtens artikel 37, § 2 en § 3, van het Regentsbesluit van 5 oktober 1948 houdende goedkeuring van de tekst van de samengeordende wetten op de vergoedingspensioenen wordt bij een herzieningsaanvraag een nieuwe totale invaliditeitsgraad overeenkomstig artikel 9 vastgesteld en wordt het pensioen herzien wanneer de nieuwe totale invaliditeitsgraad ten minste 5 pct. hoger is dan de graad op basis waarvan het pensioen is gevestigd.
- Uit deze bepalingen volgt dat, wanneer de pensioenaanspraak berust op een door de bevoegde commissie tijdens de herzieningsaanvraag erkende afzonderlijke invaliditeit met overeenstemmend invaliditeitspercentage, de militair of rijkswachter recht heeft op een integrale tussenkomst voor de kosten van prothese- en andere toestellen veroorzaakt door die invaliditeit, ook wanneer het pensioenbedrag ongewijzigd blijft door het niet-bereiken van een totale invaliditeitsgraad van een hoger veelvoud van vijf in vergelijking met de vorige aanvraag.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de eiser aan artrose aan de linkerknie leed als gevolg van zijn beroepsactiviteit als rijkswachter, welk letsel aanleiding gaf tot een invaliditeitspercentage van 12 pct. en een vergoedingspensioen van 15 pct.; - in eerste instantie een invaliditeitspercentage van 0 pct. voor gehoorschade als gevolg van zijn beroepsactiviteit als rijkswachter werd aangenomen en na herziening een invaliditeit van 1 pct.; - de commissie van beroep voor vergoedingspensioenen gedurende een herzieningsprocedure de eiser 1 pct. invaliditeit toekende voor gehoorverlies, maar dat na herberekening bleek dat geen sprake was van enige herziening van het pensioenbedrag omdat een herziening van het pensioen allicht enkel kan gebeuren bij een stijging van de invaliditeit die leidt tot een nieuwe hogere schijf van 5 pct., hetgeen niet het geval was; - de eiser aldus, ook na de herzieningsprocedure, voor het aspect gehoorverlies geen aanspraak maakt op enig pensioen; - de eiser bijgevolg krachtens artikel 62 van de Wet van 8 juli 1970 dan ook geen aanspraak kan maken op enige kosten inzake de aanschaf van een hoorapparaat omdat het gehoorverlies geen aanleiding heeft gegeven tot enige pensioenaanspraak.
- De appelrechter die aldus de vordering van de eiser afwijst als ongegrond omdat het gehoorverlies geen aanleiding zou hebben gegeven tot zijn pensioenaanspraak, terwijl de pensioenaanspraak van de eiser na de herzieningsprocedure, hoewel het pensioenbedrag uiteindelijk ongewijzigd bleef door het niet-bereiken van een nieuwe hogere schijf van vijf pct., berust op een door de bevoegde commissie erkende invaliditeit voor gehoorschade, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 26 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260226.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260226.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div