id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 26 februari 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260226.1N.7 Rolnummer: C.24.0215.N Zaak: D. contra P. EN F. BV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2026-03-19 Raadplegingen: 517 - laatst gezien 2026-06-18 17:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260226.1N.7 Fiche 1 Artikel 14, derde lid, Handelshuurwet is enkel van toepassing indien de huurder die na het eindigen van de huur in het bezit van het verhuurde goed wordt gelaten, van zijn recht op hernieuwing is vervallen, dat wil zeggen dat hij dit recht niet of niet op wettige wijze heeft uitgeoefend, doordat hij helemaal geen, geen regelmatige of geen tijdige aanvraag heeft ingediend conform artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Einde (Opzegging. Huurhernieuwing. Enz) Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 14, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1951043003 Fiche 2 In dat geval ontstaat een handelshuurovereenkomst van onbepaalde duur waarbij, in geval van opzegging door de verhuurder ten minste achttien maanden vooraf, de huurder een nieuwe kans krijgt om dit recht op huurhernieuwing op wettige wijze uit te oefenen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HANDELSHUUR - Einde (Opzegging. Huurhernieuwing. Enz) Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 14, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1951043003 Fiche 3 Artikel 14, derde lid, Handelshuurwet is niet van toepassing indien de huurder zijn recht op hernieuwing wettig heeft uitgeoefend, maar de verhuurder die hernieuwing heeft geweigerd, en de huurder niettemin in het bezit van het verhuurde goed wordt gelaten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - HUISHUUR - Einde (Opzegging. Verlenging. Enz) Wettelijke bepalingen: Wet van 30 april 1951 BURGERLIJK WETBOEK. - BOEK III - TITEL VIII - HOOFDSTUK II, Afdeling 2bis : Regels betreffende de handelshuur in het bijzonder - 30-04-1951 - Art. 14, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1951043003 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0215.N F. D.P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen P. EN F. bv, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 17 januari
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 27 januari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling (…) Tweede middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 13, eerste lid, Handelshuurwet heeft de huurder het recht, bij voorkeur boven alle andere personen, de hernieuwing van zijn huurovereenkomst te verkrijgen om dezelfde handel voort te zetten, hetzij bij het verstrijken ervan, hetzij bij het verstrijken van de eerste of de tweede hernieuwing, voor een duur van negen jaar, behoudens akkoord van partijen dat blijkt uit een authentieke akte of uit een voor de rechter afgelegde verklaring. Dit recht is beperkt tot drie hernieuwingen. Krachtens artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet moet de huurder die het recht op hernieuwing verlangt uit te oefenen, zulks op straffe van verval bij exploot van gerechtsdeurwaarder of bij aangetekende brief ter kennis van de verhuurder brengen, ten vroegste achttien maanden, ten laatste vijftien maanden vóór het eindigen van de lopende huur. De kennisgeving moet op straffe van nietigheid de voorwaarden opgeven waaronder de huurder zelf bereid is om de nieuwe huur aan te gaan en de vermelding bevatten dat de verhuurder geacht zal worden met de hernieuwing van de huur onder de voorgestelde voorwaarden in te stemmen, indien hij niet op dezelfde wijze binnen drie maanden kennis geeft ofwel van zijn met redenen omklede weigering van hernieuwing, ofwel van andere voorwaarden of van het aanbod van een derde. Krachtens het derde lid komt, indien de van het recht op hernieuwing vervallen huurder na het eindigen van de huur in het bezit van het verhuurde goed gelaten wordt, een nieuwe huur van onbepaalde duur tot stand, die de verhuurder zal kunnen beëindigen mits hij ze ten minste achttien maanden vooraf opzegt, onverminderd het recht van de huurder om hernieuwing te vragen.
- Uit voormeld artikel 14, derde lid, Handelshuurwet en de wetsgeschiedenis volgt dat deze wetsbepaling enkel van toepassing is indien de huurder die na het eindigen van de huur in het bezit van het verhuurde goed wordt gelaten, van zijn recht op hernieuwing is vervallen, dat wil zeggen dat hij dit recht niet of niet op wettige wijze heeft uitgeoefend, doordat hij helemaal geen, geen regelmatige of geen tijdige aanvraag heeft ingediend conform artikel 14, eerste lid, Handelshuurwet. In dat geval ontstaat, krachtens artikel 14, derde lid, Handelshuurwet, een handelshuurovereenkomst van onbepaalde duur waarbij, in geval van opzegging door de verhuurder ten minste achttien maanden vooraf, de huurder een nieuwe kans krijgt om dit recht op huurhernieuwing op wettige wijze uit te oefenen.
- Voormeld artikel 14, derde lid, Handelshuurwet is dus niet van toepassing indien de huurder zijn recht op hernieuwing wettig heeft uitgeoefend, maar de verhuurder die hernieuwing heeft geweigerd, en de huurder niettemin in het bezit van het verhuurde goed wordt gelaten.
- De appelrechter stelt vast dat: - partijen bij overeenkomst van 30 juni 1993 een handelshuur zijn aangegaan voor een duur van negen jaar, een aanvang nemend op 1 juli 1993; - de verweerster bij brief van 9 februari 2010 de eiser heeft verzocht om een tweede handelshuurhernieuwing vanaf 1 juli 2011; - de eiser deze hernieuwing heeft geweigerd bij brief van 11 maart 2010, aangezien hij tot wederopbouw wilde overgaan van het gehuurde pand; - bij vonnis van 18 maart 2011 werd beslist dat de eiser de hernieuwing geldig heeft geweigerd en de huurovereenkomst geldig heeft opgezegd, zodat deze een einde zou nemen op 30 juni 2011; - de verweerster na beëindiging van de overeenkomst echter in het bezit van het verhuurde goed werd gelaten. Hij oordeelt vervolgens dat: - in toepassing van artikel 14, derde lid, Handelshuurwet, een overeenkomst van onbepaalde duur is ontstaan zodat de verweerster, na geldige opzegging ervan door de eiser op 29 januari 2021, op grond van die wetsbepaling het recht heeft om huurhernieuwing te vragen; - de eiser de door de verweerster op 16 april 2021 gevraagde huurhernieuwing op 6 mei 2021 heeft geweigerd op grond van de onjuiste bewering dat deze hernieuwing niet meer mogelijk was; - dit geen door artikel 16.I Handelshuurwet bepaalde weigeringsgrond is, zodat de verweerster, krachtens artikel 16.IV Handelshuurwet, aanspraak kan maken op een uitzettingsvergoeding van drie jaar huur.
- Door aldus toepassing te maken van artikel 14, derde lid, Handelshuurwet, terwijl de na beëindiging van de huurovereenkomst op 30 juni 2011 in het bezit van het verhuurde goed gebleven verweerster niet van het recht op hernieuwing was vervallen doordat zij dit niet of niet wettig zou hebben uitgeoefend, maar de huurhernieuwing haar op geldige wijze werd geweigerd nadat zij dit recht wettig had uitgeoefend, zodat artikel 14, derde lid, Handelshuurwet geen toepassing kon vinden, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de opzeg van de handelshuurovereenkomst, de uitzettingsvergoeding, de bezettingsvergoeding en de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, sectievoorzitter Bart Wylleman, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Michael Traest en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 26 februari 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260226.1N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260226.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div