id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.1 Rolnummer: C.23.0478.N Zaak: CAPRI SUN AG c. TROPICALIA BEVERAGES INDUSTRIES bv Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 959 - laatst gezien 2026-06-18 18:55 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Een daad waarbij een verkoper het aanbod van een andere marktdeelnemer in verband met diensten of producten nabootst is in beginsel toegelaten, tenzij de verkoper hierdoor, hetzij een door de wetgeving op de intellectuele eigendom beschermd recht miskent, hetzij dit aanbod doet onder begeleidende omstandigheden die indruisen tegen de eisen van de eerlijke handelsgebruiken. Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.104 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom - 20-03-1883 - Art. 10bis, 2) Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.104 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom - 20-03-1883 - Art. 10bis, 2) Fiche 3 De verkoper die, zonder zelf een creatieve inspanning te leveren, rechtstreeks voordeel haalt uit belangrijke inspanningen of investeringen gewijd aan een creatie met economische waarde van een andere verkoper, begaat nog geen daad strijdig met de eerlijke handelsgebruiken; de rechter kan nochtans op grond van het behalen van een voordeel om een andere reden dan het louter nabootsen, oordelen dat dit handelen onrechtmatig is; die andere redenen bestaan niet alleen uit de miskenning van intellectuele eigendomsrechten of verwarringstichtende reclame maar kunnen elke vorm van onrechtmatig gedrag zijn
(1).
(1)Cass. 29 mei 2009, AR C.06.0139.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.1, AC 2009, nr.
- Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.104 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiches 4 - 5 Kopieergedrag met als doel of gevolg dat de faam en de goodwill van de gekopieerde onderneming, waaraan investeringen zijn voorafgegaan, worden afgeleid naar eigen producten, valt niet te onderscheiden van het gedrag waarbij een verkoper zonder zelf een creatieve inspanning te leveren, rechtstreeks voordeel haalt uit belangrijke inspanningen of investeringen gewijd aan een creatie met economische waarde van een andere verkoper; dergelijke omstandigheden volstaan op zich dan ook niet om aan dit kopieergedrag een onrechtmatig karakter verlenen. Thesaurus CAS: EIGENDOM Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.104 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Thesaurus CAS: HANDELSPRAKTIJKEN Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. VI.104 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0478.N CAPRI SUN AG, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 6300 Zug (Zwitserland), Neugasse 22, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- TROPICALIA BEVERAGES INDUSTRIES, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 2991 XT Barendrecht (Nederland), Pesetastraat 24,
- AGROZUMOS SA, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 31870 Lekunberri (Spanje), Poligono Industrial 17,
- RIHA WESERGOLD GETRÄNKE GmbH & CO KG, vennootschap naar buitenlands recht, met zetel te 31737 Rintein (Duitsland), Behrenstrasse 44-46, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 juni
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 10 december 2025 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste subonderdeel
- Krachtens artikel II.3 WER is iedereen vrij om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen. Krachtens artikel II.4 WER wordt de vrijheid van ondernemen uitgeoefend met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de internationale verdragen en de wet, alsmede van de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen en van de bepalingen van dwingend recht.
- Krachtens artikel VI.104 WER is verboden elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden.
- Krachtens artikel 10bis, 2, van het Verdrag van Parijs van 20 maart 1883 tot bescherming van de industriële eigendom, levert elke daad van mededinging, strijdig met de eerlijke gebruiken in nijverheid en handel, een daad van oneerlijke mededinging op.
- Een daad waarbij een verkoper het aanbod van een andere marktdeelnemer in verband met diensten of producten nabootst is in beginsel toegelaten, tenzij de verkoper hierdoor, hetzij een door de wetgeving op de intellectuele eigendom beschermd recht miskent, hetzij dit aanbod doet onder begeleidende omstandigheden die indruisen tegen de eisen van de eerlijke handelsgebruiken. De verkoper die, zonder zelf een creatieve inspanning te leveren, rechtstreeks voordeel haalt uit belangrijke inspanningen of investeringen gewijd aan een cre-atie met economische waarde van een andere verkoper, begaat nog geen daad strijdig met de eerlijke handelsgebruiken. De rechter kan nochtans op grond van het behalen van een voordeel om een andere reden dan het louter nabootsen, oordelen dat dit handelen onrechtmatig is. Die andere redenen bestaan niet alleen uit de miskenning van intellectuele eigendomsrechten of verwarringstichtende reclame maar kunnen elke vorm van onrechtmatig gedrag zijn.
- Kopieergedrag met als doel of gevolg dat de faam en de goodwill van de gekopieerde onderneming, waaraan investeringen zijn voorafgegaan, worden afgeleid naar eigen producten, valt niet te onderscheiden van het gedrag waarbij een verkoper zonder zelf een creatieve inspanning te leveren, rechtstreeks voordeel haalt uit belangrijke inspanningen of investeringen gewijd aan een creatie met economische waarde van een andere verkoper. Dergelijke omstandigheden volstaan op zich dan ook niet om aan dit kopieergedrag een onrechtmatig karakter verlenen. In zoverre het subonderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het subonderdeel aanvoert dat de appelrechters oordelen dat kopieergedrag waarbij de faam en goodwill van de gekopieerde onderneming wordt afgeleid naar eigen producten nooit oneerlijke mededinging kan uitmaken, mist het feitelijke grondslag. Tweede subonderdeel
- Uit het antwoord op het eerste subonderdeel volgt dat de enkele omstandigheid dat een kopieergedrag tot doel of gevolg heeft de faam en de goodwill van de gekopieerde onderneming af te leiden naar de eigen producten, dit kopieergedrag geen onrechtmatig karakter verleent. In zoverre het subonderdeel aanvoert dat de appelrechters ten onrechte oordelen dat er geen sprake is van kopieergedrag waarbij de verweerders gebruik maken van het “imago” van het merkproduct van de eiseres, komt het op tegen een ten overvloede gegeven reden en is het niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.
- Het subonderdeel dat aanvoert dat de appelrechters tegenstrijdige motieven geven voor hun oordeel dat er geen sprake is van kopieergedrag waarbij de verweerders gebruik maken van het “imago” van het merkproduct van de eiseres, voert een tegenstrijdigheid aan tussen ten overvloede gegeven redenen. De aangevoerde tegenstrijdigheden kunnen, ook al waren zij gegrond, niet leiden tot cassatie. In zoverre is het subonderdeel evenmin ontvankelijk bij gebrek aan belang. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen “dat het aandachtsniveau van de consument van vruchtendrankjes in de supermarkt normaal is”. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het aandachtsniveau van de gemiddelde relevante consument niet normaal, maar eerder laag is, komt het op tegen een feitelijke beoordeling van de appelrechters en is het niet ontvankelijk.
- De appelrechters stellen vast dat: - geen betwisting bestaat over het feit dat de visuele totaalindruk bepalend is, aangezien de eiseres noch enige begripsmatige, noch enige auditieve overeenstemming inroept; - geen betwisting bestaat over het feit dat de vorm van de verpakkingen van de verweersters en de eiseres identiek zijn; - de individuele drankverpakkingen van de verweersters en deze van de eiseres grote verschillen vertonen in de opdruk en etikettering; - de individuele drankverpakkingen van de verweersters op duidelijk zichtbare wijze het “Boni” merk bevatten, terwijl deze van de eiseres prominent en centraal het woordmerk “Capri Sun” bevatten; - de individuele drankverpakkingen van de verweersters worden gekenmerkt door een volkomen ander kleurgebruik dan gebruikelijk bij de verpakkingen van de eiseres; - de verpakkingen van de verweersters worden gekenmerkt door de aanwezigheid van originele, in het oog springende tekeningen van een aap en een kameleon, daar waar de verpakkingen van de eiseres gebruikelijk enkel het woordmerk “Capri Sun” en een afbeelding van vruchten bevat, en enkel de safaridrankjes van de eiseres een afbeelding van een leeuw bevatten; - alle verpakkingen gelijkaardige vermeldingen bevatten die verwijzen naar de smaak van de in de verpakking aanwezige vruchtendrank en telkens ook afbeeldingen van de betrokken vruchten bevatten, maar dat deze vermeldingen en afbeeldingen louter beschrijvend en niet onderscheidend zijn, en dat bovendien de lay-out, schikking, typografie, het kleurgebruik en de gebruikte afbeeldingen van deze elementen op hun beurt sterk verschillen; - de verpakkingen van zowel de eiseres als de verweersters zijn gemaakt uit a-luminium en zichtbare naden bevatten, maar dat een dergelijke verpakking functioneel en niet onderscheidend is; - ook de visuele totaalindruk van de bulkverpakkingen in de vorm van kartonnen dozen verschillend is, onder meer door de gebruikte kleuren, opschriften en animaties, waarbij het enkele feit dat al deze verpakkingen tevens een afbeelding bevatten van de individuele stazakjes die zij bevatten daaraan geen afbreuk doet, te meer daar het om een 2D-afbeelding gaat waarop de vorm van deze verpakking slechts gedeeltelijk zichtbaar is en ook de visuele totaalindruk van deze individuele verpakkingen verschilt.
- Zij oordelen vervolgens dat “de visuele totaalindruk van de betrokken verpakkingen zoals zij daadwerkelijk op de markt worden aangeboden, ondanks de gelijkaardige vorm, verschillend is gelet op de grote verschillen in opdruk en etikettering van de verpakkingen, en in het bijzonder de duidelijke zichtbare merknaam op de voorzijde van de verpakking en de opvallende verschillen in kleurgebruik, zowel in de achtergrond als in de opdruk. […] De globale visuele impact van de betrokken individuele verpakkingen wordt gedomineerd door de woordmerken en de figuratieve elementen op het etiket, die wat de onderscheidende kenmerken betreft volkomen verschillen van de figuratieve elementen van het etiket van [de eiseres]”. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters het misleidings- en verwarringsgevaar niet beoordelen op grond van de totaalindruk en de globale synthetische beoordeling die de betrokken producten, zoals zij op de markt worden aangeboden, opwekken bij de gemiddelde relevante consument, mist het feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 711,02 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090529.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div