id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 9
Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/
Art. 9
Fiches 3 - 4 De bepalingen van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid zijn niet te beschouwen als maatregelen die strenger zijn dan de in artikel 4 Verordening nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart bedoelde gemeenschappelijke basisnormen, zoals bepaald in artikel 6 van die verordening
(1).
(1)HvJ, 10 juli 2025, C-783/23, Liège Airport Security sa. Thesaurus CAS: LUCHTVAART Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/
Art. 4Verordening (EG) nr.
300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/
Art. 6
Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Wet 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid - 02-10-2017 - 08 ELI link Pub nr 2017031388 Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/
Art. 4Verordening (EG) nr.
300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/
Art. 6Tekst van de beslissing Nr.
C.23.0299.N
- E.S.,
- W.V.,
- P.V.,
- F.V.D.B.,
- R.C.,
- W.B., ,
- O.V., eisers, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Binnenlandse zaken, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse zaken, Institutionele hervormingen en Democratische vernieuwing, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.356.862, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 7 november
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 2 februari 2026 verwezen naar de derde kamer. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 4 van de Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart, hierna Verordening nr. 300/2008, worden gemeenschappelijke basisnormen en aanvullende gemeenschappelijke basisnormen vastgesteld voor de bescherming van de burgerluchtvaart tegen wederrechtelijke daden die een gevaar vormen voor de veiligheid van de burgerluchtvaart, alsook algemene maatregelen ter aanvulling en gedetailleerde maatregelen voor de toepassing van die normen. Krachtens artikel 9 Verordening nr. 300/2008 wijst een lidstaat één bevoegde autoriteit aan die verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen als in die lidstaat twee of meer organen betrokken zijn bij de beveiliging van de burgerluchtvaart.
- Krachtens de artikelen 208 en volgende van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, hierna Bewakingswet, zien beëdigde inspecteurs van de FOD Binnenlandse zaken toe op de naleving van de Bewakingswet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Zij maken krachtens artikel 210 van diezelfde wet processen-verbaal op tot vaststelling van de inbreuken op de bepalingen van de Bewakingswet en op de uitvoeringsbesluiten ervan.
- Uit het arrest Liège Airport Security SA van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ 10 juli 2025, C-783/23) volgt dat artikel 9 Verordening nr. 300/2008 niet eraan in de weg staat dat een andere autoriteit dan de op grond van die bepaling aangewezen “bevoegde autoriteit” ermee belast wordt om te controleren of een privaatrechtelijke rechtspersoon en haar werknemers, die beveiligingstaken op een nationale luchthaven verrichten, zich houden aan de vereisten die voortvloeien uit een nationale regeling inzake de uitoefening van particuliere beveiligingsactiviteiten.
- Het onderdeel dat er vanuit gaat dat de administratieve geldboetes die worden opgelegd in toepassing van de Bewakingswet onwettig zijn in zoverre zij worden opgelegd door een andere autoriteit dan diegene die werd aangewezen in toepassing van artikel 9 Verordening 300/2008, faalt naar recht.
- Er is geen reden tot het stellen van de prejudiciële vraag. Tweede onderdeel
- Artikel 49 VWEU bepaalt: “In het kader van de volgende bepalingen zijn beperkingen van de vrijheid van vestiging voor onderdanen van een lidstaat op het grondgebied van een andere lidstaat verboden. Dit verbod heeft eveneens betrekking op beperkingen betreffende de oprichting van agentschappen, filialen of dochterondernemingen door de onderdanen van een lidstaat die op het grondgebied van een lidstaat zijn gevestigd. De vrijheid van vestiging omvat, behoudens de bepalingen van het hoofdstuk betreffende het kapitaal, de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan alsmede de oprichting en het beheer van ondernemingen, en met name van vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 54, overeenkomstig de bepalingen welke door de wetgeving van het land van vestiging voor de eigen onderdanen zijn vastgesteld.” Artikel 56 VWEU bepaalt: “In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht.”
- Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie vereisen deze bepalingen een grensoverschrijdend element in de voorliggende feiten opdat zij van toepassing zouden zijn.
- De rechter stelt vast dat de eisers geen enkel potentieel grensoverschrijdend element aanduiden. In zoverre het onderdeel uitgaat van de toepasselijkheid van de artikelen 49 of 56 VWEU, kan het niet worden aangenomen.
- Uit het arrest Liège Airport Security SA van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ 10 juli 2025, C-783/23) volgt dat: - controles als die welke de FOD Binnenlandse zaken heeft verricht, als zodanig niet vallen onder de uitoefening van een bevoegdheid die noodzakelijkerwijs moet worden voorbehouden aan een op grond van artikel 9 Verordening nr. 300/2008 aangewezen bevoegde autoriteit, aangezien zij niet tot doel hebben de coördinatie van of het toezicht op de toepassing van de gemeenschappelijke basisnormen in de zin van artikel 4 van die verordening te verzekeren, maar om na te gaan of de betrokken personen hun taken verrichten overeenkomstig de specifieke vereisten die voortvloeien uit een nationale regeling inzake de uit-oefening van particuliere beveiligingsactiviteiten (r.o. 42); - wanneer particuliere beveiligingsondernemingen en hun werknemers hun diensten aanbieden op een luchthaven, die nationale regeling en de daaruit voortvloeiende vereisten weliswaar kunnen worden geacht indirect betrekking te hebben op de beveiliging van de burgerluchtvaart, maar dat niet wegneemt dat het gaat om een regeling van algemene aard die niet uitsluitend verband houdt met de beveiliging van de burgerluchtvaart en die niet specifiek de toepassing van de in artikel 4 van die verordening bedoelde gemeenschappelijke basisnormen tot doel heeft (r.o. 43); - wanneer dus een nationale autoriteit, zoals in casu de FOD Binnenlandse zaken, bevoegd is om de naleving van de uit een dergelijke regeling voortvloeiende vereisten na te gaan en om daartoe controles te verrichten, of zelfs, in geval van overtredingen, geldelijke sancties op te leggen, kan een dergelijke autoriteit, zelfs wanneer die controles betrekking hebben op activiteiten die worden uitgeoefend op een luchthaven, op grond daarvan niet worden geacht in de zin van artikel 9 Verordening nr. 300/2008 te zijn belast met de coördinatie van en het toezicht op de toepassing van die gemeenschappelijke basisnormen (r.o. 44).
- Hieruit volgt dat de bepalingen van de Bewakingswet niet te beschouwen zijn als maatregelen die strenger zijn dan de in artikel 4 Verordening nr. 300/2008 bedoelde gemeenschappelijke basisnormen, zoals bepaald in artikel 6 van die verordening. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Er is geen reden tot het stellen van de prejudiciële vragen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 649,26 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260220.1F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div