id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.7 Rolnummer: C.23.0167.N Zaak: MS AMLIN INSURANCE SE contra WONDERWEG VZW Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Handelsrecht - Unierecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 308 - laatst gezien 2026-06-18 06:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 2 Het begrip “reiziger”, van artikel 2, 6° van de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten en artikel 2, 3°, KB van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten dient aldus te worden uitgelegd dat een rechtspersoon zoals een vereniging zonder winstoogmerk die met een organisator in eigen naam, maar voor rekening van een aantal van haar leden een pakketreisovereenkomst heeft gesloten, onder het begrip “reiziger” valt
(1)HvJ, 13 november 2025, C-445/24, (W)onderweg. Thesaurus CAS: VERZEKERING - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 - Art. 3.6) Wet 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 21-11-2017 - Art. 2, 6° - 04 ELI link Pub nr 2017014061 KB 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 29-05-2018 - Art. 2, 3° - 05 ELI link Pub nr 2018012508 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement ... - 25-11-2015 - Art. 3.6) Wet 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 21-11-2017 - Art. 2, 6° - 04 ELI link Pub nr 2017014061 KB 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten - 29-05-2018 - Art. 2, 3° - 05 ELI link Pub nr 2018012508 Tekst van de beslissing Nr. C.23.0167.N MS AMLIN INSURANCE se, met zetel te 1030 Schaarbeek, Koning Albert II-laan 37, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0644.921.425, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen (W)ONDERWEG vzw, met zetel te 2610 Wilrijk, Valkenveld 83, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0467.477.048, die in het exploot van 31 januari 2023 keuze van woonst deed bij gerechtsdeurwaarder Ann Verrezen, Lindestraat 16, 1785 Merchtem, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 19 december
- Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 3 mei 2024 een schriftelijke conclusie neergelegd. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 6 mei 2024 verwezen naar de derde kamer. Het Hof heeft bij arrest van 3 juni 2024 een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bij arrest C-445/24 van 13 november 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie deze vraag beantwoord. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift, dat in het arrest van 3 juni 2024 is opgenomen, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Overeenkomstig artikel 2, 6°, van de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten, hierna Wet Pakketreizen, is de reiziger iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van de wet, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een reeds gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen. Krachtens artikel 4 Wet Pakketreizen is de wet niet van toepassing op: 1° pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die een periode van minder dan vierentwintig uur beslaan, tenzij zij een overnachting omvatten; 2° pakketreizen die worden aangeboden en gekoppelde reisarrangementen die worden gefaciliteerd, incidenteel en zonder winstoogmerk en uitsluitend aan een beperkte groep reizigers; 3° pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en afzonderlijk verkochte reisdiensten die worden gekocht op basis van een algemene overeenkomst voor het regelen van zakenreizen tussen een professioneel en een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit. Krachtens artikel 2, 3°, van het koninklijk besluit van 29 mei 2018 betreffende de bescherming tegen insolventie bij de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten is de begunstigde van een insolventieverzekering elke reiziger in de zin van artikel 2, 6°, Wet Pakketreizen.
- Het begrip “reiziger” dient te worden uitgelegd in overeenstemming met Richtlijn (EU) 2015/2302 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen, houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2006/2004 en van Richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Richtlijn 90/314/EEG van de Raad, hierna Richtlijn Pakketreizen.
- Artikel 3.6 Richtlijn Pakketreizen definieert het begrip “reiziger” als iedere persoon die, binnen het toepassingsgebied van deze richtlijn, een overeenkomst wenst te sluiten of die er op grond van een gesloten overeenkomst recht op heeft te reizen. Krachtens artikel 2.1 Richtlijn Pakketreizen is de richtlijn van toepassing op pakketreizen die door handelaren aan reizigers te koop worden aangeboden of verkocht en op gekoppelde reisarrangementen die door handelaren voor reizigers worden gefaciliteerd. Ze is krachtens artikel 2.2 niet van toepassing op: a) pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die een periode van minder dan 24 uur beslaan, tenzij zij een overnachting omvatten; b) pakketreizen die worden aangeboden en gekoppelde reisarrangementen die worden gefaciliteerd, incidenteel en zonder winstoogmerk alsook uitsluitend aan een beperkte groep reizigers; c) pakketreizen en gekoppelde reisarrangementen die worden gekocht op basis van een algemene overeenkomst voor het regelen van zakenreizen tussen een handelaar en een andere natuurlijke persoon of rechtspersoon die handelt in het kader van zijn handels-, bedrijfs-, ambachts- of beroepsactiviteit.
- Bij arrest van 3 juni 2024 heeft het Hof volgende prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Moet het begrip “reiziger” van artikel 3.6) Richtlijn Pakketreizen aldus worden uitgelegd dat het ook een rechtspersoon omvat, zoals een vereniging zonder winstoogmerk die occasioneel van een handelaar een pakketreis koopt voor haar leden?”
- In het arrest van 13 november 2025 oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat artikel 3.6 Richtlijn Pakketreizen aldus moet worden uitgelegd dat een rechtspersoon zoals een vereniging zonder winstoogmerk die met een organisator in eigen naam, maar voor rekening van een aantal van haar leden een pakketreisovereenkomst heeft gesloten, onder het begrip “reiziger” valt. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 356,31 euro en op 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.7 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240603.3N.10 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240603.3N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div