← België

H. ESSERS TRANSPORT COMPANY contra P.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.8 Rolnummer: S.23.0066.N Zaak: H. ESSERS TRANSPORT COMPANY contra P. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Arbeidsrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 561 - laatst gezien 2026-06-18 13:09 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260302.3N.8 Fiche 1 De burgerlijke rechter die uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering verjaard is, moet vaststellen dat de feiten die aan die vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen; hij moet hierbij de bestanddelen van het misdrijf nagaan die de beoordeling van de verjaring beïnvloeden; indien verschillende strafbare feiten de opeenvolgende uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, is dat misdrijf voltooid op het ogenblik van het laatste feit

(1)
(2).
(1)Zie concl. OM.
(2)Cass. 25 oktober 2004, AR S.99.0190.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041025.8, AC 2004, nr. 505; Cass. 19 oktober. 1992, AR 7857, AC 1991-92, nr 670, R.C.J.B., 1995, p. 229 en de noot A. DE NAUW, inz. p. 239 en 240; zie Cass. 27 september. 1990, AR 8723, AC 1990-91, nr. 43; Cass. 11 februari. 1991, AR 8949, AC 1990-91, nr. 311; J. CLESSE, “Examen de jurisprudence (1987 à 1994), Contrat de travail”, R.C.J.B., 1996, pp. 586 en 587; Art. 26 V.T.Sv., vóór en na zijn wijziging door art. 2, Wet 10 juni
  1. Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 26 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiches 2 - 4 Het misdrijf dat erin bestaat loon, vakantiegeld en eindejaarspremies niet in overeenstemming met de wettelijke regels te betalen, is voltooid van zodra niet betaald is op het ogenblik waarop betaald moest worden. Thesaurus CAS: MISDRIJF - SOORTEN - Aflopend. Voortgezet. Voortdurend misdrijf Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 42, 1° - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Art. 56, eerste lid, 1° - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 - 28-06-1971 - Art. 54, 2° - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162, 1° en 3° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 167 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: LOON - BESCHERMING Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 42, 1° - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Art. 56, eerste lid, 1° - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 - 28-06-1971 - Art. 54, 2° - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162, 1° en 3° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 167 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Thesaurus CAS: JAARLIJKSE VAKANTIE Wettelijke bepalingen: Wet 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers - 12-04-1965 - Art. 42, 1° - 04 ELI link Pub nr 1965041207 Wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités - 05-12-1968 - Art. 56, eerste lid, 1° - 01 ELI link Pub nr 1968120503 Wetten betreffende de jaarlijkse vakantie van de werknemers gecoördineerd op 28 juni 1971 - 28-06-1971 - Art. 54, 2° - 03 ELI link Pub nr 1971062850 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 162, 1° en 3° - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Wet 6 juni 2010 tot invoering van het Sociaal Strafwetboek - 06-06-2010 - Art. 167 - 07 ELI link Pub nr 2010A09589 Tekst van de beslissing Nr. S.23.0066.N
  2. H. E. TRANSPORT COMPANY nv,
  3. H.E. INTERNATIONAAL TRANSPORT nv, eiseressen, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseressen woonplaats kiezen, tegen S.-M. P., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/
  4. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 22 juni
  5. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 27 januari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede middel Eerste onderdeel
  6. De appelrechters oordelen dat: “De niet-betaling van loon is een ogenblikkelijk misdrijf. Dit betekent dat de verjaringstermijn onmiddellijk begint te lopen vanaf het plegen van het misdrijf (…). Het voortgezet misdrijf begint te verjaren op het moment waarop het laatste strafbaar feit is gepleegd (…). De verjaringstermijn is geëindigd op het moment dat de verschuldigde minimumlonen en vergoedingen de laatste keer niet werden betaald, zijnde de datum dat de arbeidsovereenkomst werd beëindigd.”
  7. Uit het voorgaande blijkt zonder de minste twijfel dat de woorden “De verjaringstermijn is geëindigd” een materiële vergissing betreft en deze woorden moeten gelezen worden als “De verjaringstermijn ving aan”. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel in zijn geheel
  8. Krachtens artikel 26 Voorafgaande Titel van Strafvordering verjaart de burgerlijke rechtsvordering volgend uit een misdrijf volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek of van de bijzondere wetten die van toepassing zijn op de rechtsvordering tot vergoeding van schade. De burgerlijke rechter die uitspraak doet over een op een misdrijf gegronde vordering en nagaat of de vordering verjaard is, moet vaststellen dat de feiten die aan die vordering ten grondslag liggen, onder de toepassing van de strafwet vallen. Hij moet hierbij de bestanddelen van het misdrijf nagaan die de beoordeling van de verjaring beïnvloeden. Indien verschillende strafbare feiten de opeenvolgende uiting zijn van eenzelfde misdadig opzet, is dat misdrijf voltooid op het ogenblik van het laatste feit.
  9. Het misdrijf dat erin bestaat loon, vakantiegeld en eindejaarspremies niet in overeenstemming met de wettelijke regels te betalen, is voltooid van zodra niet betaald is op het ogenblik waarop betaald moest worden.
  10. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de verweerder betaling van achterstallig loon, eindejaarspremies en vakantiegeld evenals een ARAB- en verblijfsvergoeding vordert en de niet-betaling ervan een misdrijf uitmaakt; - niet betwist is dat de verweerder het loon en de vergoedingen niet heeft ontvangen, wat het materieel bestanddeel van het misdrijf uitmaakt; - de niet-betaling een bewuste keuze van de eiseressen was waardoor de onachtzaamheid bewezen is; - de eiseressen de aangehouden, voortgezette wil hadden om de sectoraal bepaalde minimumlonen en vergoedingen niet te betalen voor de transportactiviteiten van de verweerder; - hetzelfde geldt voor de arbeidsprestaties die de verweerder leverde als stelplaatsmedewerker.
  11. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat er eenheid van opzet was voor de strafrechtelijke inbreuken tot op het ogenblik van het laatste feit, verantwoorden hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  12. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters het startpunt van de verjaringstermijn ten onrechte plaatsen op het einde van de arbeidsovereenkomst, is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
  13. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechters besluiten tot een voortdurend misdrijf, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Eerste middel
  14. De vergeefs in het tweede middel bekritiseerde redenen dragen de beslissing dat de vordering van de verweerder op buitencontractuele grondslag ingevolge eenheid van opzet niet verjaard is. Het middel kan, al was het gegrond, bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  15. De appelrechters oordelen dat de “per diem” naar Roemeens recht een forfaitaire kostenvergoeding is die meeruitgaven dekt omwille van verblijf in het buitenland en deze vergoeding geen loon is omdat zij geen tegenprestatie is van de geleverde arbeid en deze vergoeding onder meer bedoeld is om kosten van voeding, vervoer en andere kleine kosten eigen aan de tewerkstelling te dekken.
  16. Met deze redenen die het Hof toelaten zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat met de kostenvergoeding geen rekening kan gehouden worden om te beoordelen of het minimumloon naar Belgisch recht werd gerespecteerd. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  17. Het onderdeel is afgeleid uit de vergeefs in het eerste onderdeel bekritiseerde reden dat de kostenvergoeding geen loon uitmaakt. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseressen tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseressen op 705,81 euro en op 24 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Myriam Ghyselen, Bruno Lietaert en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 2 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260302.3N.8 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260302.3N.8 voorafgegaan door: ECLI:BE:AHANT:2023:ARR.20230622.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20041025.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.