← België

Y.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.21 Rolnummer: P.26.0173.N Zaak: Y. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 567 - laatst gezien 2026-06-18 23:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0173.N Y. Y., veroordeelde tot vrijheidsstraf, eiser, met als raadslieden mr. Jesse Van den Broeck en mr. Alexander Van Heeschvelde, beiden advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Baudeloostraat 36, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 29 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering: het vonnis leidt het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden louter af uit de samenlezing van veel gerechtelijke veroordelingen en het door de veroordeelde veroorzaakte nadeel, terwijl de wet een direct waarneembaar risico vereist door de fysieke integriteit van derden en geen waarneembaar risico op recidive dat ongetwijfeld ook de fysieke integriteit van derden kan aantasten. 2. Artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toekent onder meer op voorwaarde dat de veroordeelde beschikt over een verblijfplaats en er bij de veroordeelde geen direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. 3. Artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering. 4. Artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur een dossier samenstelt dat voor de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht naast een afschrift van de opsluitingsfiche en informatie over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht het advies van de directeur bevat, met de elementen die de directeur relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden alsook een voorstel tot toekenning of afwijzing en in voorkomend geval de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. 5. Artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank aan het dossier een geactualiseerd afschrift van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling en in voorkomend geval van de slachtofferfiches toevoegt. 6. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van deze tegenaanwijzing een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren: - op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes; - of, op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd. 7. De strafuitvoeringsrechter oordeelt onaantastbaar of de tegenaanwijzing voorhanden is van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden als bedoeld door artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering. Hij kan bij die beoordeling wel degelijk voorgaande strafrechtelijke veroordelingen betrekken. 8. De strafuitvoeringsrechter omkleedt de weigering om bij toepassing van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toe te kennen regelmatig met redenen met de vaststelling dat de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is en door te vermelden op welke feitelijke gegevens hij die vaststellingen steunt. 9. Niet is vereist dat de strafuitvoeringsrechter het voorhanden zijn van de door artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing in de letterlijke bewoordingen van de wet vaststelt. Het kan dit ook met bewoordingen met eenzelfde strekking. 10. De voormelde feitelijke gegevens moeten gelet op de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering opgenomen omschrijving van de tegenaanwijzing zijn ontleend aan ofwel actuele gedragingen van de veroordeelde ofwel aan de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering. 11. De strafuitvoeringsrechter kan het voorhanden zijn van de door artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing afleiden uit de vermelding op het strafregister van de veroordeelde van talrijke gerechtelijke antecedenten. 12. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 13. Het vonnis stelt vast dat het uittreksel van het strafregister van de eiser niet minder dan zeventien gerechtelijke antecedenten vermeldt, waaruit volgt dat hij sinds lang blijk geeft van het steeds maar weer plegen van strafbare feiten. Het leidt daaruit af dat er een direct waarneembaar risico op recidive bestaat dat ongetwijfeld ook de fysieke integriteit van derden kan aantasten. Daarmee stelt het vonnis, ongeacht de gebruikte bewoordingen, het voorhanden zijn vast van de door artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 14. In zoverre het middel de verwijzing bekritiseert naar het maatschappelijk nadeel dat de eiser heeft berokkend, is het gericht tegen een overtollige reden en kan het niet tot cassatie leiden. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 15. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.