id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.22 Rolnummer: P.26.0177.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 666 - laatst gezien 2026-06-18 17:28 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0177.N T. B., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Koen De Backer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 29 januari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering: het vonnis geeft aan deze bepaling een invulling in strijd met de bewoordingen ervan en de uitdrukkelijke wil van de wetgever; uit het plegen van feiten in 2020-2021, dit is vijf jaar geleden, wordt de onwil afgeleid om zich te gedragen naar maatschappelijk strafrechtelijk gesanctioneerde normen, waaruit dan de tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico op recidive wordt afgeleid die de fysieke integriteit van derden kan aantasten; die motivering is bijzonder algemeen geformuleerd en verwijst niet naar een actuele gedraging. 2. Artikel 98/13, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toekent onder meer op voorwaarde dat de veroordeelde beschikt over een verblijfplaats en er bij de veroordeelde geen direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. 3. Artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering. 4. Artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur een dossier samenstelt dat voor de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht naast een afschrift van de opsluitingsfiche en informatie over de plaats waar het elektronisch toezicht zal worden doorgebracht het advies van de directeur bevat, met de elementen die de directeur relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden alsook een voorstel tot toekenning of afwijzing en in voorkomend geval de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. 5. Artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank aan het dossier een geactualiseerd afschrift van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling en in voorkomend geval van de slachtofferfiches toevoegt. 6. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van deze tegenaanwijzing een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren: - op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes; - of, op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd. 7. De strafuitvoeringsrechter omkleedt de weigering om bij toepassing van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht toe te kennen regelmatig met redenen met de vaststelling dat de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is en door te vermelden op welke feitelijke gegevens hij die vaststellingen steunt. 8. Die feitelijke gegevens moeten gelet op de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering opgenomen omschrijving van de tegenaanwijzing zijn ontleend aan ofwel actuele gedragingen van de veroordeelde ofwel aan de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering. 9. Uit het voorgaande volgt dat de strafuitvoeringsrechter het voorhanden zijn van de door artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing evenwel niet kan aannemen louter op basis van de feiten waarvoor de veroordeelde tot straf werd veroordeeld, die hij thans uitvoert. 10. Met het oordeel “Blijkens het uittreksel uit het strafregister en de opsluitingsfiche ligt een veroordeling ten uitvoer tot een gevangenisstraf van drie jaar (…) wegens “Verdovende middelen/psychotrope stoffen: invoer zonder vergunning; uitvoer: vervoer voor rekening van een persoon zonder vergunning, een daad van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging (meermaals), en, Het omzetten of overdragen van vermogensvoordelen (…)”, alsook “De [eiser] geeft blijk niet terug te schikken voor het meermaals plegen van zware strafbare feiten binnen het kader van een vereniging. Hiermee getuigt hij van de onwil om zich te gedragen naar maatschappelijk strafrechtelijk gesanctioneerde normen. Aldus bestaat een direct waarneembaar risico op recidive die ongetwijfeld ook de fysieke integriteit van derden, waaronder (veelal jonge) druggebruikers kan aantasten”, grondt het vonnis de beslissing over het voorhanden zijn van de door artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing louter op de feiten waarvoor de eiser thans in strafuitvoering zit. Die enkele verwijzing kan het oordeel over het voorhanden zijn van deze tegenaanwijzing niet naar recht verantwoorden. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar een andere strafuitvoeringsrechter van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.