← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.26 Rolnummer: P.25.1429.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 613 - laatst gezien 2026-06-18 15:41 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: COMMUNICATIE. TELECOMMUNICATIE Tekst van de beslissing Nr. P.25.1429.N E. V.G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 1 oktober 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d EVRM, artikel 14.3.e IVBPR en de artikelen 190 en 211 Wetboek van Strafvordering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces, het recht op tegenspraak, het vermoeden van onschuld en het recht van verdediging: het arrest verwijst op geen enkele wijze naar concrete omstandigheden om het horen van getuige à décharge J.R. af te wijzen en hanteert hiervoor louter stijlformules. 2. Uit artikel 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, volgt dat de rechter het verzoek van een beklaagde om een getuige à décharge te horen op de rechtszitting moet beoordelen aan de hand van een drievragentest: - eerste vraag: is het verzoek om de getuige à décharge te horen voldoende onderbouwd en is het getuigenverhoor relevant voor het voorwerp van de beschuldiging; - tweede vraag: is de relevantie van het getuigenverhoor voldoende in aanmerking genomen en zijn er afdoende gronden voor de beslissing om de getuige à décharge niet te horen op de rechtszitting; - derde vraag: tast de weigering de getuige à décharge te horen de eerlijkheid van het proces van de beklaagde in zijn geheel beschouwd aan. 3. Voor wat betreft het antwoord op de eerste vraag is niet alleen van belang of het verhoor van een getuige à décharge van aard is om het resultaat van het strafproces te beïnvloeden, maar ook of redelijkerwijze kan worden verwacht dat dit verhoor de positie van de verdediging zal versterken. Bij die beoordeling moeten de concrete omstandigheden van de zaak worden betrokken en kunnen onder meer de stand en de voortgang van de procedure, de door de partijen gevolgde strategie en hun houding in het strafproces in aanmerking worden genomen. 4. Voor wat betreft het antwoord op de tweede vraag is te benadrukken dat uit artikel 6.3.d EVRM niet kan worden afgeleid dat op elk verzoek van een beklaagde om een getuige à décharge te horen op de rechtszitting moet worden ingegaan. Het staat aan de rechter om in het licht van de door de beklaagde aangehaalde motieven en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak de noodzaak van het horen van de getuige à décharge te beoordelen en op dat verzoek en de mate waarin het is onderbouwd een adequaat antwoord te verstrekken, zonder dat is vereist dat op elk detail van de onderbouwing moet worden ingegaan. 5. Die concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke en juridische onmogelijkheid om de getuige à décharge te horen, de relatie die de getuige à décharge had of heeft met de beklaagde of met andere bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige à décharge af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid en het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon die de beklaagde als getuige à décharge wil horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert. 6. Het enkele feit dat een getuige à décharge een verklaring kan afleggen die van aard kan zijn om het resultaat van het strafproces te beïnvloeden of waarvan redelijkerwijze kan worden verwacht dat die de positie van de verdediging van de beklaagde zal versterken, verplicht de rechter daarom nog niet om die getuige à décharge op de rechtszitting te horen. 7. Bij een weigering een getuige à décharge te horen op de rechtszitting dient de rechter in elk geval te onderzoeken of het recht op een eerlijk proces van die beklaagde in zijn geheel beschouwd daardoor niet is aangetast. 8. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt. 9. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Het arrest (p. 9-10) wijst eisers verzoek om J.R. als getuige te horen op de rechtszitting af met, onder meer, volgende redenen: - in de appelconclusie verzoekt de eiser om J.R., ontwikkelaar van het systeem “Target Blu Eye”, als getuige à décharge te horen op de rechtszitting; - hij voert aan dat de oproeping van deze getuige noodzakelijk is omdat deze getuige antwoord kan geven op vragen rond het doel van het systeem en het juridisch statuut van het toestel in kwestie en omdat J.R. specifieke vragen rond het bezit en gebruik kan beantwoorden; - de eiser slaagt er evenwel niet in om geloofwaardig te maken dat het horen van J.R. enige bijdrage kan leveren in het licht van de reeds aan tegenspraak onderworpen bewijselementen; - als besluit dringt zich op dat het horen van de voornoemde persoon ter rechtszitting als getuige à décharge in deze niet noodzakelijk is voor de waarheidsvinding; - de gevoerde strafvordering in zijn geheel beschouwd verloopt eerlijk, waarbij niet alleen rekening wordt gehouden met het recht van verdediging van de eiser, maar ook met de belangen van de samenleving en van de mogelijke getuige zelf; - uit niets blijkt dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces van de eiser in casu werden miskend; - het staat vast dat de eiser in rechte kennis heeft kunnen nemen en vrij tegenspraak heeft kunnen voeren over de stukken en andere gegevens die aan het oordeel van het hof van beroep werden voorgelegd; - verder blijkt uit niets dat er enige onregelmatigheid zou zijn begaan bij de samenstelling van het strafdossier; - het strafdossier laat in zijn huidige stand toe om op afdoende geïnformeerde wijze uit te kunnen maken of het systeem “Target Blu Eye” strafbaar is onder de wetsbepalingen vermeld in de telastlegging en desgevallend om de schuldvraag voor de eiser te beoordelen. 11. Met deze concrete redenen kan het arrest wettig eisers verzoek om J.R. als getuige op de rechtszitting te horen, afwijzen zonder dat er sprake is van het gebruik van stijlformules. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest stelt, enerzijds, vast dat het rechtstreeks doel van het systeem “Target Blu Eye” erin bestaat om een bestuurder te waarschuwen en, anderzijds, dat het systeem ertoe strekt om vaststellingen van overtredingen te vermijden; deze motivering is tegenstrijdig. 13. Artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek heeft betrekking op tegenstrijdige beschikkingen in een vonnis. Het heeft geen betrekking op een tegenstrijdigheid in de motivering. In zoverre het onderdeel schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht. 14. Voor het overige ontwaart het Hof de aangevoerde tegenstrijdigheid niet. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 33, § 1, 1°, van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie (hierna Wet Elektronische Communicatie): het arrest oordeelt ten onrechte dat een eventueel bijkomend of schijnbaar legitieme functie van het product het verboden doel niet wegneemt, terwijl een product maar onverenigbaar is met de in artikel 33, § 1, 1°, Wet Elektronische Communicatie vermelde wetgeving als het voor geen enkel ander gebruik in aanmerking komt. 16. Artikel 33, § 1, 1°, c, Wet Elektronische Communicatie verbiedt het houden, commercialiseren, invoeren, in eigendom hebben of gebruiken van elektrische of elektronische producten waarvan het gebruik onverenigbaar is met artikel 1, § 6, van de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen (hierna Wet Technische Eisen Voertuigen). 17. Artikel 1, § 6, eerste zin, Wet Technische Eisen Voertuigen bepaalt dat, onverminderd de bepalingen van de wet van 30 juli 1979 op de radioberichtgeving, de vervaardiging, de invoer, het bezit, het te koop aanbieden, de verkoop en de gratis bedeling, verboden zijn van elke uitrusting of elk ander middel dat tot doel heeft de vaststelling van overtredingen van de Wegverkeerswet en van de reglementen betreffende de politie op het wegverkeer te verhinderen of te bemoeilijken, of de toestellen bedoeld in artikel 62 van dezelfde wet op te sporen. 18. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 33, § 1, 1°, c, Wet Elektronische Communicatie blijkt de bedoeling van de wetgever om de daarin vermelde handelingen te verbieden van zodra het gebruik van het product onverenigbaar is met artikel 1, § 6, Wet Technische Eisen Voertuigen, ook wanneer dit product nog een ander, rechtmatig gebruik heeft. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.26 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.