id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.27 Rolnummer: P.25.1721.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 617 - laatst gezien 2026-06-18 16:53 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 62 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1721.N N. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Koen Bentein, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Ieper, van 6 november 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 62ter, § 1, Wegverkeerswet: in het bestreden vonnis wordt het feit dat de speekseltest die de basis vormt voor de speekselanalyse, niet in het strafdossier terug te vinden is, gedekt door de stelling dat de resultaten van die speekseltest in het proces-verbaal werden opgenomen; de inhoud van dat proces-verbaal zou bijzondere bewijswaarde hebben tot het tegendeel is bewezen; in het strafdossier is geen bewijs aanwezig dat het proces-verbaal binnen de veertien dagen zou zijn toegestuurd, zodat de bijzondere bewijswaarde vervalt; het bestreden vonnis motiveert niet het oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de inhoud van het aanvankelijk proces-verbaal, hoewel de eiser beweert geen afschrift ervan ontvangen te hebben. 2. Artikel 61ter Wegverkeerswet bepaalt niet dat de resultaten van de speekseltest, te weten het uittreksel van het meettoestel, moeten worden opgenomen in het strafdossier. Die resultaten kunnen ook worden opgenomen in een proces-verbaal. 3. De motiveringsplicht van artikel 149 Grondwet is een formele verplichting. Wanneer een motivering leidt tot onjuiste gevolgtrekkingen in rechte, levert dit een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek. 4. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 5. Het bestreden vonnis oordeelt dat er geen reden is om te twijfelen aan de inhoud van het aanvankelijk proces-verbaal, hoewel de eiser formeel beweert geen afschrift ervan te hebben ontvangen. Aldus beoordeelt het bestreden vonnis de bewijswaarde van het aanvankelijk proces-verbaal als inlichting en dit ongeacht de bijzondere bewijswaarde ervan. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de redenen van het bestreden vonnis betreffende de bijzondere bewijswaarde van het proces-verbaal, is het gericht tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 62ter, § 1, Wegverkeerswet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de speekselanalyse mag worden afgenomen zonder dat het resultaat van de speekseltest een controleerbaar gehalte aan cocaïne aanwijst. 7. Artikel 37bis, § 1, 1°, Wegverkeerswet bestraft onder meer degene die op een openbare plaats een voertuig bestuurt, wanneer de speekselanalyse bedoeld in artikel 62ter, § 1, de aanwezigheid in het organisme aantoont van minstens een van de volgende stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden: cocaïne, waarvan het gehalte gelijk is aan of hoger dan het gehalte bepaald in artikel 62ter, § 1, voor de speekselanalyse. Artikel 62ter, § 1, Wegverkeerswet bepaalt dat de in artikel 59, § 1, bedoelde overheidspersonen een speekselanalyse voor het detecteren van de stoffen die de rijvaardigheid beïnvloeden opleggen wanneer de speekseltest bedoeld in artikel 61bis, § 2, 2°, de aanwezigheid aantoont van één van de stoffen bedoeld in artikel 37bis, § 1, 1°. Artikel 61bis, § 2, 2°, tweede zin, Wegverkeerswet bepaalt dat onder het gehalte van 20 ng/ml het resultaat van de speekseltest niet in aanmerking wordt genomen. 8. Die bepalingen vereisen niet dat het resultaat van de speekseltest het effectieve gehalte aan cocaïne vermeldt. Het volstaat dat die test een positief resultaat geeft opdat de verbalisanten kunnen overgaan tot een speekselanalyse. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. 9. Het bestreden vonnis (p. 6) oordeelt als volgt: - een positieve speekseltest geeft zekerheid over het gebruik van drugs door de betrokkene; - de vermelding positief houdt in dat het resultaat van de speekseltest boven de in artikel 61bis, § 2, 2°, Wegverkeerswet vermelde gehaltes valt en het resultaat van de test moet wel degelijk in aanmerking worden genomen; - het gegeven dat de speekseltest positief tekent op het gebruik van cocaïne betekent bijgevolg dat de gemeten hoeveelheid minstens 20 ng/ml bedraagt; - indien dit niet het geval was geweest, zou de speekseltest negatief hebben geresulteerd; - een uitdrukkelijke vermelding van de effectief gemeten hoeveelheid wordt wettelijk niet vereist; - de effectief gemeten hoeveelheid zal immers blijken uit de navolgende speekselanalyse, reden waarom deze dubbele test wettelijk voorgeschreven is. Aldus verantwoordt het bestreden vonnis de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 10. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 7 van het koninklijk besluit van 27 november 2015 tot uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wat betreft de speekselanalyse en de bloedproef bij het sturen onder invloed van bepaalde psychotrope stoffen en de erkenning van de laboratoria (hierna Besluit drugopsporing in speeksel en bloed): het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat het volstaat om het speekselstaal op te sturen naar het NICC of een erkend laboratorium en het niet nodig is een deskundige nominatim te vermelden. 11. Artikel 7 Besluit drugopsporing in speeksel en bloed bepaalt: “De opvorderende overheid vordert een deskundige van het Instituut of een erkend laboratorium om de speeksel- of bloedanalyse te verrichten.” 12. Het is op basis van die bepaling vereist maar ook voldoende dat de analyse wordt uitgevoerd door een deskundige van het NICC of van een erkend laboratorium, zonder dat reeds in de vordering van het openbaar ministerie tot uitvoering van een speekselanalyse in het bijzonder een deskundige die verbonden is aan het NICC of een erkend laboratorium bij naam wordt aangeduid. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 13. Het bestreden vonnis oordeelt dat apotheker O.H. expliciet werd vermeld in de verlengingsaanvraag van 2 mei 2022 als zijnde één van de deskundigen die instaat voor de speekselanalyse en dat hij de deskundige betreft die de speekselanalyse in dit dossier heeft uitgevoerd. Aldus staat het vast dat de speekselanalyse werd uitgevoerd door een deskundige van het NICC of een erkend laboratorium en is de beslissing dat het door de speekselanalyse verkregen bewijs niet onregelmatig is, naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 14. In zoverre het onderdeel de miskenning van de motiveringsverplichting aanvoert, is het afgeleid uit die vergeefs aangevoerde wetschending en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 7 Besluit drugopsporing in speeksel en bloed: in deze zaak werd het klinisch labo van het AZ Groeninge gevorderd, dat een erkenning verwierf met ingang van 1 oktober 2020; die erkenning werd verleend tot 30 september 2023; uit een stuk dat het openbaar ministerie voorlegt blijkt dat het AZ Groeninge op 2 mei 2022 een verlenging heeft aangevraagd en die verlenging stilzwijgend werd verleend, terwijl slechts bij koninklijk besluit van 19 oktober 2025 het laboratorium retroactief wordt erkend met ingang van 1 oktober 2023; zowel bij de stilzwijgende erkenning als bij de retroactieve erkenning stelt de eiser zich ernstige vragen. 16. Het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, en is niet ontvankelijk. Derde middel 17. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 42 Wegverkeerswet en bijlage 6, IV.1.2 bij het KB Rijbewijs: de eiser valt onder geen enkele in de bijlage 6, IV aan het KB Rijbewijs vermelde categorie van rijongeschiktheid ingevolge psychotrope stoffen; hij legde maar liefst 29 negatieve urinetesten voor in een periode van acht maanden, hetzij bijna wekelijks; het bestreden vonnis oordeelt dat de resultaten van die urinetesten onbetrouwbaar zijn omdat bij elf testen het creatinegehalte onder de minimum referentiewaarde zat en bij vier testen op of net boven de minimum referentiewaarde; het bestreden vonnis motiveert niet waarom die omstandigheden de testen onbetrouwbaar maken; de overige gronden, te weten de feiten waarvoor de eiser wordt veroordeeld, de omstandigheid dat de eiser reeds drie druggerelateerde veroordelingen opliep, het deskundigenverslag en het gegeven dat de eiser niet aantoont dat hij rijgeschikt is, op basis waarvan het bestreden vonnis toepassing maakt van artikel 42 Wegverkeerswet, overtuigen niet. 18. De in artikel 149 Grondwet bepaalde motiveringsplicht vereist niet dat de rechter de redenen van zijn redenen vermeldt. 19. Artikel 42, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat wanneer naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader en de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig, het verval van het recht tot sturen moet worden uitgesproken. 20. Het uitspreken van deze beveiligingsmaatregel vereist de ondubbelzinnige vaststelling dat de betrokkene lichamelijk of geestelijk ongeschikt is tot het besturen van een motorvoertuig, alsook de grond voor die beslissing. 21. Opdat het Hof zijn wettigheidstoezicht kan uitoefenen moet de rechter in zijn beslissing de gegevens vermelden waaruit hij de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig afleidt. 22. De rechter oordeelt in beginsel onaantastbaar of die lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig vaststaat op het ogenblik van zijn beslissing. Hij kan voor dat oordeel steunen op alle hem regelmatig overgelegde gegevens waarover de betrokkene tegenspraak heeft kunnen voeren, en onder meer een medisch, psychologisch of psychiatrisch deskundigenonderzoek en de feiten waarvoor hij de eiser veroordeelt. 23. De rechter kan zijn oordeel over het voorhanden zijn van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid tot het besturen van een motorvoertuig gronden of medegronden op gerechtelijke veroordelingen, voor zover uit de aard van de bewezenverklaarde misdrijven een dergelijke ongeschiktheid kan worden afgeleid, zoals onder meer het bestaan van een of meer veroordelingen waaruit een overmatig gebruik van psychotrope stoffen blijkt. Het loutere bestaan van een dergelijke veroordeling volstaat daartoe niet. 24. De rechter kan bij zijn oordeel ook rekening houden met het feit dat door de beklaagde bijgebrachte gegevens om zijn rijgeschiktheid aan te tonen, niet overtuigend zijn. 25. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 26. Het bestreden vonnis oordeelt: - de arts-deskundige kwam tot haar besluit aangezien de afgenomen haaranalyse positief resulteerde op amfetamines (evenwel beneden de cut-off waarde), MDMA en cocaïne; dit wil zeggen dat de psychotrope stoffen werden gebruikt in de 1,5 maand voorafgaand aan de haarknip; - de verklaring die de eiser gaf voor zijn druggebruik werd door de arts-deskundige als weinig waarachtig beoordeeld en strookte niet met de resultaten van de technische analyse; - per brief van 8 mei 2025, ter griffie van de politierechtbank neergelegd op 9 mei 2025, formuleerde de raadsman van de eiser, laattijdig, zijn opmerkingen op het verslag van de deskundige met bijhorende stukken; de eiser erkent in januari 2025 nog cocaïne te hebben gebruikt met vrienden wat het resultaat van de haaranalyse zou verklaren; dit terwijl de eiser ten aanzien van de deskundige verklaarde zich sinds oktober 2024 te onthouden van cocaïnegebruik en in het verleden slechts sporadisch verdovende middelen te gebruiken; - rekening houdende met de druggerelateerde veroordelingen van de eiser in het verleden, de feiten en de veroordeling in huidig dossier en het gegeven dat de eiser zich zelfs naar aanleiding van de procedure voor de politierechtbank niet kon onthouden van druggebruik, tonen aan dat het opleggen van de beveiligingsmaatregel door het beroepen vonnis een correcte beslissing betrof; - de raadsman van de eiser legt ter rechtszitting verschillende urineanalyses voor waaruit de abstinentie van het gebruik van verdovende middelen sinds de haaranalyses afgenomen door de deskundige, dus gedurende zes maanden, zou moeten blijken; hij besluit dat de eiser niet verslaafd is aan psychotrope stoffen en vraagt om die reden artikel 42 Wegverkeerswet niet toe te passen; - de eiser legt elf urinetesten voor van een periode van 21 januari 2025 tot 28 april 2025; bij zes analyses werd een creatinegehalte gemeten onder de minimumreferentiewaarde; hij legt bijkomend 18 urinetesten voor van een periode van 6 mei 2025 tot 15 september 2025; bij vijf analyses werd een creatinegehalte gemeten van onder de minimumreferentiewaarde en bij vier analyses werd een creatinegehalte gemeten op of net boven de minimumreferentiewaarde; - bijgevolg zijn de neergelegde urinetesten onbetrouwbaar en vormen zij geen afdoende bewijs dat de eiser op heden voldoet aan de minimumnormen inzake de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een motorvoertuig zoals opgenomen in de bijlage 6 van het KB Rijbewijs; - gelet op de feiten die het voorwerp zijn van de huidige veroordeling, het gegeven dat de eiser reeds drie druggerelateerde veroordelingen opliep in het verleden, waarvan één veroordeling wegens het rijden onder invloed van verdovende middelen, de inhoud van het deskundigenverslag en het gegeven dat de eiser niet aantoont dat hij rijgeschikt is, wordt de beslissing van het beroepen vonnis tot het opleggen van de beveiligingsmaatregel, zoals bepaald in artikel 42 Wegverkeerswet, bevestigd. Met die redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing tot toepassing van artikel 42 Wegverkeerswet en omkleden zij die beslissing regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 27. In zoverre het middel opkomt tegen de beoordeling van de bewijswaarde van de aan tegenspraak onderworpen bewijselementen of het Hof verplicht tot een onderzoek ervan, waarvoor het geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 28. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.27 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.