id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.31 Rolnummer: P.26.0101.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 659 - laatst gezien 2026-06-18 16:43 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 34 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0101.N M. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Louis Carlier, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 4 november 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Het bestreden vonnis spreekt de eiser vrij van de telastlegging A. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 34, § 2, Wegverkeerswet: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging B (rijden in staat van alcoholintoxicatie bedoeld in deze bepaling); op basis van de motieven van het bestreden vonnis is er geen “testing” gebeurd die voldoet aan de normen zoals vooropgesteld in artikel 34, § 2, Wegverkeerswet; de stelling dat de eiser vijf glazen bier zou hebben gedronken tussen 12u en 16u, dat hij volgens zijn moeder gedronken had en de politionele vaststellingen gedaan omstreeks 15u03 bewijzen niet dat er sprake is van een alcoholconcentratie van meer dan 0,35 milligram per liter uitgeademde lucht; de stelling dat het alcoholgebruik tijdens het cafébezoek, namelijk de beweerde 6 à 7 glazen whisky, overdreven zou zijn en dat er daarom geen beïnvloeding kan zijn van het resultaat omstreeks 17u34 gaat evenmin op; overeenkomstig diverse verklaringen in het dossier is er wel degelijk gedronken tijdens het cafébezoek tussen het rijden en de ademtest, waardoor er wel degelijk sprake is van een beïnvloeding van het resultaat; het bestreden vonnis houdt bij de beoordeling van de telastlegging A, te weten het besturen van een voertuig in staat van dronkenschap, wel rekening met het tijdsverloop. 3. Het is niet vereist dat de staat van alcoholintoxicatie wordt vastgesteld op het ogenblik dat de vervolgde persoon het voertuig bestuurt, noch dat hij het voertuig bestuurt op het ogenblik van de tussenkomst van de verbalisanten. Die vaststelling kan ook gebeuren op een niet-openbare plaats waar de beklaagde is aangetroffen en op een ogenblik dat het voertuig niet meer wordt bestuurd. De rechter kan bovendien op grond van die vaststelling en andere feitelijke gegevens, vermoedens inbegrepen, die hij onaantastbaar vaststelt, oordelen dat de beklaagde een voertuig in staat van alcoholintoxicatie op een openbare weg heeft bestuurd. Het Hof gaat niettemin na of de rechter geen gevolgen verbindt aan de door hem gedane vaststellingen, die daardoor niet te verantwoorden zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Op grond van de redenen die het bestreden vonnis (p. 5-8) bevat, kan het wettig oordelen dat de eiser op het ogenblik van het besturen van zijn voertuig in staat van strafbare alcoholintoxicatie in de zin van artikel 34, § 2, Wegverkeerswet verkeerde op grond van de later uitgevoerd ademanalyse. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 90,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.31 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.