id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 03 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.34 Rolnummer: P.26.0243.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-09 Raadplegingen: 640 - laatst gezien 2026-06-18 16:26 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Tekst van de beslissing Nr. P.26.0243.N R. C., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Lennert Cornette, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 17 februari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 24bis, § 2, en 30, § 1 en § 4, Voorlopige Hechteniswet: de kamer van inbeschuldigingstelling die voor wat betreft de telastleggingen A (onterende behandeling) en B (belaging) beslist de voorlopige hechtenis van de eiser te handhaven in de gevangenis, houdt geen rekening met de omstandigheden van de zaak op het moment van haar uitspraak; de raadkamer heeft bij beschikking van 3 februari 2026 beslist om de voorlopige hechtenis van de eiser te handhaven in de gevangenis; de eiser heeft op 4 februari 2026 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld; de onderzoeksrechter heeft op 6 februari 2026 beslist de voorlopige hechtenis verder te laten plaatsvinden onder de modaliteit van het elektronisch toezicht; de kamer van inbeschuldigingstelling diende rekening te houden met die omstandigheid; zij kon op het enkele hoger beroep van de eiser zijn toestand niet verzwaren. 2. Krachtens artikel 22, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet oordeelt de raadkamer, zolang aan de voorlopige hechtenis geen einde wordt gemaakt en het gerechtelijk onderzoek niet is afgesloten, van maand tot maand of, vanaf de vierde beslissing, om de twee maanden over het handhaven van de voorlopige hechtenis en over de modaliteit van uitvoering ervan. Krachtens artikel 30, § 1, eerste zin, Voorlopige Hechteniswet kunnen de verdachte, de beklaagde of de beschuldigde en het openbaar ministerie voor de kamer van inbeschuldigingstelling hoger beroep instellen tegen de beschikkingen van de raadkamer gegeven in de gevallen bedoeld in de artikelen 21, 22 en 28 Voorlopige Hechteniswet. Krachtens artikel 30, § 4, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet doet het gerecht dat over het hoger beroep beslist, uitspraak rekening houdend met de omstandigheden van de zaak op het ogenblik van zijn uitspraak. 3. Uit die bepalingen volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, waarvan de rechtsmacht voortvloeit uit de devolutieve werking van het hoger beroep, inzake de voorlopige hechtenis dezelfde bevoegdheden heeft als de raadkamer. De kamer van inbeschuldigingstelling kan dan ook, op het hoger beroep van de inverdenkinggestelde tegen een beschikking van de raadkamer die zijn hechtenis in de gevangenis handhaaft, eveneens beslissen tot de handhaving van die voorlopige hechtenis in de gevangenis en dit ongeacht de omstandigheid dat de onderzoeksrechter, na de beschikking van de raadkamer, bij de toepassing van artikel 24bis, § 2, Voorlopige Hechteniswet heeft beslist dat de hechtenis wordt uitgevoerd onder de modaliteit van elektronisch toezicht. Die omstandigheid heeft niet tot gevolg dat de kamer van inbeschuldigingstelling die oordeelt zoals vermeld, de toestand van de inverdenkinggestelde verzwaart. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek 4. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Erwin Francis, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 3 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260303.2N.34 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.