← België

M.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 3, 4°, b) - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 3, 4°, b) - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 3, 4°, b) - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 5

.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 5 mei 2014 betreffende de internering - 05-05-2014 - Art. 3, 4°,

  1. b)- 11 ELI link Pub nr 2014009316 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0226.N M. M., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Sofie Molenberghs, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor bescherming van de maatschappij, van 10 februari 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 5 EVRM en artikel 149 Grondwet: de eiser heeft in zijn voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij (hierna de kamer) ingediende conclusie aangevoerd dat hij als geïnterneerde recht heeft op zorg en dat hij die niet ontvangt in de gevangenis te Merksplas, zodat hij gelet op die schending onmiddellijk naar een residentiële voorziening moet worden overgeplaatst, minstens dat hem een invrijheidstelling op proef moet worden toegekend in afwachting van een plaats en dit gelet op de afwezigheid van gevaarlijkheid van de eiser; het vonnis beantwoordt dit verweer niet. 2. De eiser heeft voor de kamer aangevoerd dat zijn opsluiting in de afdeling voor de bescherming van de maatschappij een schending impliceert van artikel 5 EVRM omdat hij daar niet de nodige zorg ontvangt. Zo heeft hij in zijn op de rechtszitting van 8 januari 2026 ingediende conclusie (p. 6, randnr. 13) onder meer aangevoerd dat hij al meer dan twee jaar in de gevangenis is opgesloten zonder enige vorm van behandeling, dat er geen enkele reden is die dit kan rechtvaardigen en er bijgevolg een schending voorligt van artikel 5.1.e EVRM. 3. Het vonnis oordeelt dat een afdeling voor de bescherming van de maatschappij (hierna ABM) een inrichting is als bedoeld door artikel 3, 4°, b), Interneringswet waar een geïnterneerde kan worden geplaatst, de veroordeling van België wegens het falen van de tenuitvoerlegging van enkele welbepaalde interneringen niet resulteert in een automatische onrechtmatige plaatsing van iedere geïnterneerde in een ABM, het standpunt van de eiser over een plaatsing binnen een redelijke termijn niet kan worden gevolgd, een eventuele onrechtmatigheid van de vrijheidsberoving niet tot gevolg heeft dat noodzakelijk de invrijheidstelling van de geïnterneerde moet worden bevolen en dat in dat geval de onrechtmatigheid moet worden afgewogen tegen het gevaar dat een invrijheidstelling voor de samenleving oplevert. Het vonnis oordeelt verder dat het met het oog op de bescherming van de maatschappij niet is verantwoord om de eiser in vrijheid te stellen. Met die redenen laat de kamer in het midden of eisers opsluiting in de ABM Merksplas daadwerkelijk een schending inhoudt van artikel 5 EVRM en beantwoordt zij bijgevolg niet die door de eiser aangevoerde verdragsrechtelijke schending. Het middel is in zoverre gegrond. Tweede middel 4. Het middel behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis. Verwijst de zaak naar de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.13 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250401.2N.21 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250624.2N.30 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250729.VAK.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.