id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.14 Rolnummer: P.25.0381.N Zaak: T. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Constitutioneel recht - Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2026-03-17 Raadplegingen: 527 - laatst gezien 2026-06-18 06:30 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Indien de appelrechters vaststellen dat de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur door het college van burgemeester en schepenen werd aangesteld op een zitting en de herstelvordering werd voorgelegd voor verplicht advies aan de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering tussen deze aanstelling en de digitale ondertekening van de aanstelling door de burgemeester en de algemeen directeur, kan een middel dat de geldigheid betwist van de aanstelling van de stedenbouwkundige inspecteur niet tot cassatie leiden, en is het bij gebrek aan belang niet-ontvankelijk, als uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat de herstelvordering na de digitale ondertekening van de aanstelling van de stedenbouwkundige inspecteur en na het positief advies van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering rechtsgeldig werd ingeleid bij het openbaar ministerie, overeenkomstig de artikelen 6.3.1, § 3, en 6.3.10, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
(1).
(1)Over de aanhangigmaking van de herstelvordering in het Vlaams Gewest na voorafgaand advies van de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering, zie Cass. 6 september 2022, AR P.22.0008.N, ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.3; Cass. 5 februari 2019, AR P.17.0756.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1, AC 2019, nr. 65; Cass. 7 juni 2016, AR P.15.0253.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.2, AC 2016, nr. 378; Cass. 2 juni 2015, AR P.14.1532.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.4, AC 2015, nr.
- Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.1, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: GEMEENTE Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.1, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.1, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiches 4 - 6 De rechter die oordeelt dat een beklaagde een verweermiddel met betrekking tot de herstelvordering niet aannemelijk maakt, miskent hierdoor niet het vermoeden van onschuld, noch de regels met betrekking tot de bewijslast. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.1, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.1, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.1, § 3 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.3.10, § 1 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0381.N
- A. T., beklaagde,
- T. T., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Jan De Groote, advocaat bij de balie Dendermonde. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 13 februari
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 276, 277, § 2, en 279, § 2, van het decreet van 22 december 2017 over het lokaal bestuur (hierna Decreet Lokaal Bestuur) en van de artikelen 6.3.1, § 1, § 2 en § 3, en 6.3.10 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: met het oordeel dat S.H. door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Overijse (hierna het college van burgemeester en schepenen) op de zitting van 8 maart 2022 regelmatig werd aangesteld als gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur en hij bijgevolg op 11 maart 2022 de herstelvordering regelmatig kon inleiden bij het openbaar ministerie, zonder dat hieraan afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat de voormelde beslissing van het college van burgemeester en schepenen pas op 14 maart 2022 werd ondertekend door de burgemeester en de algemeen directeur, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de herstelvordering rechtsgeldig werd ingeleid; de handtekening van de burgemeester en de algemeen directeur strekt ertoe de authenticiteit van de akte te waarborgen en houdt, ook zonder uitdrukkelijke wettelijke of decretale bepaling daaromtrent, een substantieel vormvereiste in, die ook geldt voor een administratieve rechtshandeling; het arrest specificeert ook niet hoelang het aanstellingsbesluit niet-ondertekend mag blijven, wat aantoont dat die akte volgens de appelrechters helemaal niet ondertekend hoeft te worden en toch gevolgen kan hebben in het rechtsverkeer; de akte tot aanstelling van S.H. als gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur kon tot het ogenblik van de ondertekening ervan geen rechtsgevolgen hebben; het oordeel dat de herstelvordering door S.H. als gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur regelmatig werd ingeleid op 11 maart 2022 terwijl de beslissing tot aanstelling van S.H. als gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur op dat ogenblik niet was ondertekend, is dan ook niet naar recht verantwoord.
- Het arrest oordeelt niet dat de akte tot aanstelling van de gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur niet ondertekend hoeft te worden om rechtsgevolgen te hebben. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De appelrechters stellen vast (arrest, p. 10) dat S.H. als gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur door het college van burgemeester en schepenen werd aangesteld op de zitting van 8 maart 2022, alsook dat die beslissing tot aanstelling pas op 14 maart 2022 door de burgemeester en de algemeen directeur werd ondertekend. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt verder evenwel dat: - de herstelvordering bij brief van 11 maart 2022 werd voorgelegd voor advies aan de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering; - de Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering bij toepassing van artikel 6.3.10, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening op 22 april 2022 een positief advies over die herstelvordering heeft verleend; - de herstelvordering vervolgens bij toepassing van artikel 6.3.1, § 3, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening door S.H. als gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur bij brief van 20 mei 2022 bij het openbaar ministerie werd ingeleid.
- Hieruit blijkt dat op het ogenblik dat de herstelvordering door S.H. als gemeentelijke stedenbouwkundige inspecteur bij brief van 20 mei 2022 bij het openbaar ministerie werd ingeleid, diens aanstellingsbesluit reeds meer dan twee maanden eerder werd ondertekend door de burgemeester en de algemeen directeur.
- Het middel kan bijgevolg niet tot cassatie leiden en is dienvolgens, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en artikel 6.3.1, § 1, eerste lid, 1°, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het oordeel dat de door de eisers voorgestelde herstelmaatregelen om slechts de verwijdering van de verharding van het zwembad op te leggen en de vervanging van de verharding van de parking te bevelen door “doorgroeibare natuurlijke materialen” niet volstaan om de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te herstellen, is niet naar recht verantwoord; in weerwil van wat de eisers dienaangaande in hun appelconclusie hadden aangevoerd, blijkt uit het arrest niet waarom het gebruik van doorgroeibare natuurlijke materialen na ontharding in strijd zou zijn met de goede ruimtelijke ordening en niet zou volstaan om de aantasting van de waterhuishouding te herstellen; hierdoor miskent het arrest de decretaal vastgelegde rangorde van de te bevelen herstelmaatregelen, waarbij voor de minst zware maatregel moet worden gekozen, tenzij een zwaardere maatregel noodzakelijk is om de plaatselijke ruimtelijke ordening te herstellen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het oordeel dat de door de eisers voorgestelde herstelmaatregel om de vervanging van de verharding van de parking te bevelen door “doorgroeibare natuurlijke materialen” niet volstaat om de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te herstellen, is niet regelmatig met redenen omkleed; het arrest bevat geen enkel motief dat een controle toelaat op het in de appelconclusie van de eisers voorgestelde alternatieve herstel door gebruik van doorgroeibare natuurlijke materialen; de overweging dat de door de eisers voorgestelde maatregelen niet volstaan om de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te herstellen, kan van toepassing zijn op elke stedenbouwstrafzaak en volstaat bijgevolg niet.
- Het arrest oordeelt niet enkel met de redenen die het middel vermeldt. Het oordeelt ook dat de herstelvordering berust op wettige en pertinente motieven en niet onredelijk is in verhouding tot de last die aan de eisers door het herstel wordt opgelegd, waarbij mede door de overname van de weergave van de feiten in het beroepen vonnis (arrest, p. 7, nr. 3) ook de daarin opgenomen motivering van de herstelvordering wordt overgenomen (beroepen vonnis, p. 5), namelijk dat het gevorderde herstel in de oorspronkelijke toestand werd gemotiveerd op grond van de overwegingen dat het misdrijf zich situeert in een natuurgebied, dit is een ruimtelijk kwetsbaar gebied, en dat het vorderen van aanpassingswerken niet gewenst is omdat deze strijdig zouden zijn met het gewestplan en ertoe zou leiden dat er wordt gedoogd dat er toch handelingen worden uitgevoerd in het natuurgebied in functie van wonen en wooncomfort, zodat het enige overblijvende herstel het herstel in de oorspronkelijke staat is. Verder oordeelt het arrest onder meer als volgt (p. 13, nr. 12): - de door de eerste rechter bevolen herstelmaatregelen zijn naar recht verantwoord, rekening houdend met de prioriteitenorde die is opgenomen in artikel 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; - de gevolgen van de inbreuken zijn niet kennelijk verenigbaar met een goede ruimtelijke ordening, rekening houdend met de onverenigbaarheid van de constructies met de bestemming als natuurgebied en de aantasting van de waterhuishouding; - ook is het niet aannemelijk dat minder verregaande bouw- of aanpassingswerken zouden kunnen volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen; - de eisers suggereren in hun laatste conclusie om alleen de verwijdering van de verharding van het zwembad op te leggen, evenals de vervanging van de verharding van de parking door “doorgroeibare natuurlijke materialen”. Deze maatregelen volstaan evenwel niet om de aantasting van de goede ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te herstellen. Met die redenen, die geenszins dermate algemeen zijn dat ze in elke stedenbouwstrafzaak kunnen gelden, beantwoorden de appelrechters de in het middel bedoelde appelconclusie van de eisers en verantwoorden ze naar recht het oordeel dat in het licht van de in artikel 6.3.1, § 1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening opgenomen prioriteitenorde het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand moet worden bevolen omdat de door de eisers voorgestelde aanpassingswerken kennelijk niet volstaan om de plaatselijke ordening te herstellen. Het middel, dat berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: met het oordeel dat de eisers met betrekking tot hun verweer dat zij zelf geen (hoogstam-) bomen hebben gekapt maar dat de bomen zijn omgewaaid en zijn afgezaagd in opdracht van de gemeente, geen stukken voorleggen die dit verweer aannemelijk maken, miskennen de appelrechters het vermoeden van onschuld; het arrest stelt niet vast dat de bewering omtrent de verwijdering van de bomen door de gemeente na een storm elke geloofwaardigheid mist en legt aldus de bewijslast hieromtrent bij de eisers.
- De rechter die oordeelt dat een beklaagde een verweermiddel met betrekking tot de herstelvordering niet aannemelijk maakt, miskent hierdoor niet het vermoeden van onschuld, noch de regels met betrekking tot de bewijslast. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 62,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160607.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190205.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220906.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div