id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.5 Rolnummer: P.25.1694.N Zaak: D. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-03-17 Raadplegingen: 490 - laatst gezien 2026-06-18 06:31 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Het is van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol een invloed kan hebben op de slaap van de betrokkene; de rechter die een dergelijk gegeven bij zijn beoordeling betrekt dient de beklaagde niet de gelegenheid te geven daarover standpunt in te nemen, precies omdat het een gegeven is dat iedereen geacht wordt te kennen
(1)Zie Cass. 18 januari 2023, AR P.21.0228.F, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230118.2F.2, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH. Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) AANRANDING VAN EERBAARHEID EN VERKRACHTING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1694.N R. D. K., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jan De Winter, advocaat bij de balie Gent, tegen G. D. L., burgerlijke partij, verweerster, met als raadsman mr. Amélie Vandenberghe, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het recht van verdediging, daarin begrepen het recht op tegenspraak: het arrest oordeelt dat de eiser het geenszins aannemelijk maakt dat het onmogelijk zou zijn dat hij bovenop de verweerster ging liggen zonder dat zij hiervan wakker zou zijn geworden, dit een eigen onbewezen bewering is, die door niets wordt gestaafd, en de eiser hierbij voorbij gaat aan het late uur waarop iedereen ging slapen, er die nacht veel alcohol was verbruikt en het geenszins bewezen is dat de eiser met zijn volle gewicht op de verweerster lag; aldus nemen de appelrechters het als vaststaand aan dat het verbruik van alcohol tijdens die nacht, zelfs in geval de verweerster ingevolge dit verbruik niet dronken was, invloed heeft op de slaap van een persoon, zodat de verklaring van de verweerster dat zij in haar slaap door de eiser werd gepenetreerd geloofwaardig is en het verweer van de eiser dat dit niet kan, wordt verworpen; dit betreft evenwel geen gegeven van algemene bekendheid en het arrest vermeldt geen bronnen waarop de appelrechters zich voor de aanname van die stelling steunen.
- Het is van algemene bekendheid dat het gebruik van alcohol een invloed kan hebben op de slaap van de betrokkene. De rechter die een dergelijke gegeven bij zijn beoordeling betrekt dient de beklaagde niet de gelegenheid te geven daarover standpunt in te nemen, precies omdat het een gegeven is dat iedereen geacht wordt te kennen. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Voor het overige komt het onderdeel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het proces-verbaal van 3 februari 2022, dat het verhoor van de verweerster bevat, vermeldt: “(…) Ik werd op een bepaald moment wakker en merkte dat [de eiser] bovenop mij lag. (…) Ik merkte dat [de eiser] met zijn penis mijn vagina penetreerde. Ik verschoot. Ik heb het onmiddellijk gezegd dat ik dat niet wou en heb hem van mij afgeduwd”; ook in datzelfde proces-verbaal noteert de verbalisant dat de verweerster plots wakker werd en merkte dat de eiser boven op haar ligt; ook in een navolgend verhoor verklaarde de verweerster dat de eiser haar ongewild heeft betast en op haar is komen liggen en verkrachtte; met het oordeel dat de eiser voorbij gaat aan het feit dat het geenszins bewezen is dat hij met zijn volle gewicht bovenop de verweerster lag, nu hij desgevallend ook kon steunen op zijn armen, dat de bedenking van de eiser dat hij onmogelijk onwetend boven op haar zou zijn gaan liggen en dat de eiser zijn bewering niet aannemelijk maakt en die bewering niet van aard is om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van de verklaring van de verweerster, miskent het arrest de bewijskracht van de aangehaalde stukken.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden als hij het geschrift doet liegen.
- Het arrest verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar de door de eiser aangehaalde stukken, zodat het de bewijskracht ervan niet kan miskennen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8.17 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het evenwel duidelijk is dat bepaalde berichten over meer gingen dan een kus door de eiser, de verweerster in haar bericht zich immers de vraag stelde wat er niet duidelijk was aan “stop”, zij schreef dat haar mama haar naar de politie zou sturen om het misbruik te melden en het niet aannemelijk is dat zij dergelijke zaken zou zeggen louter als de eiser haar enkel een ongewenste kus gaf; met dit oordeel besluiten de appelrechters dat het duidelijk is dat die berichten over meer gingen dan een ongewenste kus door de eiser en de “stop” noodzakelijk toe te schrijven is aan een daad van de eiser met een verdergaand karakter dan een loutere kus, hetzij de bewezen geachte penetratie zonder toestemming, terwijl zij het ook geloofwaardig achten dat de verweerster in haar slaap werd gepenetreerd; het arrest miskent aldus de bewijskracht van dit bericht en van het verhoor van de verweerster op 3 februari 2022, omdat zij aan die stukken een draagwijdte geven die niet in overstemming is met dat wat de verweerster in haar geschriften tot uiting heeft willen brengen.
- De rechter miskent de bewijskracht van een akte indien hij van een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan, met andere woorden als hij het geschrift doet liegen. Er is geen miskenning van de bewijskracht van het geschrift indien de door de rechter gegeven uitlegging een mogelijke uitlegging is, naast andere.
- Het arrest verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar het verhoor van de verweerster op 3 februari 2022, zodat het de bewijskracht ervan ook niet kan miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Met de bekritiseerde redenen geven de appelrechters van het bericht van de verweerster een uitlegging die niet volstrekt onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het onderdeel evenzeer feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 150,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230118.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div