← België

D. contra D.

Obsah (4)Art. 794Art. 1080Art. 1114Art. 32q

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026

Art. 794

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 794

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 794

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 4 - 5 Overeenkomstig artikel 1114, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt het verzoekschrift tot intrekking ingediend op de in artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek bepaalde wijze, wat betekent dat het moet zijn ondertekend door een advocaat bij het Hof; deze vormvereiste is van toepassing op ieder verzoek van een partij tot intrekking van een arrest van het Hof, ook als het arrest in strafzaken is gewezen; het verzoekschrift dat strekt tot intrekking van een arrest van het Hof en niet ondertekend is door een advocaat bij het Hof is bijgevolg niet ontvankelijk

(1).
(1)Zie vordering OM in deze zaak. Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1080

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1114

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Thesaurus CAS: ADVOCAAT BIJ HET HOF VAN CASSATIE Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1080

- 04 ELI link Pub nr 1967101055 Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -

Art. 1114

, eerste lid - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiches 6 - 11 Uit artikel 429 Wetboek van Strafvordering volgt voor een eiser in cassatie de verplichting zijn memorie ter kennis te brengen van de partijen tegen wie het cassatieberoep is gericht en het bewijs van die kennisgeving in te dienen ter griffie van het Hof binnen de termijnen voor het indienen van een memorie, met als enige uitzondering ingeval het cassatieberoep uitgaat van de vervolgde partij en het betrekking heeft op de beslissing op strafvordering; hoewel een kennisgeving van de memorie door middel van een betekening ervan bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de partijen tegen wie het cassatieberoep is gericht niet is uitgesloten, moet het Hof in dat geval uit de ter griffie tijdig ingediende betekeningsstukken met zekerheid kunnen afleiden dat de ter griffie ingediende memorie werd betekend aan die partijen; indien een tijdig ter griffie van het Hof neergelegd betekeningsexploot geen melding bevat van een kennisgeving of overhandiging van enig ander stuk dan het eensluidend verklaard afschrift van de verklaring van cassatieberoep; berust het arrest dat de memorie van de burgerlijke partij niet ontvankelijk verklaart wegens een gebrek aan bewijs van tijdige kennisgeving van de beschuldigde niet op een feitelijke of materiële vergissing, en is er bijgevolg geen reden tot intrekking van dat arrest; hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het na het arrest gevoegde attest van de gerechtsdeurwaarder en de bijgevoegde stukken over de kennisgeving van de memorie; ook artikel 32quater/2, § 1, Gerechtelijk Wetboek over de elektronische betekening van exploten laat niet toe anders te oordelen

(1).
(1)Zie vordering OM in deze zaak. Thesaurus CAS: CASSATIE - ALGEMEEN. OPDRACHT EN BESTAANSREDEN VAN HET HOF. AARD VAN HET CASSATIEGEDING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 32q

uater/2, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 32q

uater/2, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Te voegen stukken (bij cassatieberoep of memorie) Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 32q

uater/2, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: GERECHTSDEURWAARDER Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 32q

uater/2, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - EXPLOOT Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 32q

uater/2, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel III (Art. 407 tot en met 447bis) - 10-12-1808 - Art. 429 - 30 ELI link Pub nr 1808121050 Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) -

Art. 32quater/2, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr.

P.26.0144.N I T. D. V., verzoeker tot verbetering, met als raadsman mr. Tom De Clercq, advocaat bij de balie Gent, II PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN CASSATIE, verzoeker, in de zaak van T. D. V., burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Tom De Clercq, advocaat bij de balie Gent, tegen S. D. S., beschuldigde, verweerder. I. VERZOEKSCHRIFT EN VORDERING Op 23 december 2025 heeft de verzoeker I ter griffie van het Hof een verzoekschrift ingediend tot verbetering van het arrest van het Hof in de zaak P.25.1142.N (hierna verzoekschrift). Met een geschrift ontvangen ter griffie van het Hof op 2 februari 2026 heeft de procureur-generaal bij het Hof de volgende vordering (hierna vordering) tot het Hof gericht: “Aan de tweede kamer van het Hof van Cassatie,

  1. Inhoud van het verzoekschrift tot verbetering van een cassatiearrest van 16 december 2025
  2. De ondergetekende procureur-generaal heeft de eer U mee te delen dat het Hof op 18 november 2025 onder nummer P.25.1142.N een arrest heeft gewezen dat het cassatieberoep ingesteld op 31 maart 2025 door T. D. V., in eigen naam en als vertegenwoordiger van A. D. V., tegen het arrest over de burgerlijke rechtsvordering gewezen door het hof van assisen te Gent, van 17 maart 2025, heeft verworpen.
  3. Het Hof stelde daarbij vast dat de memorie van eiser niet-ontvankelijk is, omdat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan niet blijkt dat eiser, als burgerlijke partij, zijn memorie ter kennis heeft gebracht van de verweerder, beschuldigde S. D. S., zoals voorgeschreven door artikel 429 Wetboek van Strafvordering. Het cassatieberoep van eiser werd verworpen.
  4. Op 23 december 2025 ontving de griffie van het Hof het verzoekschrift van eiser tot verbetering van het arrest van het Hof van 18 november 2025, gericht aan de Voorzitter van het Hof. Het dossier van de rechtspleging is op 12 januari 2026 aan het parket bij het Hof overgemaakt.
  5. Uit de stukken van het dossier van de rechtspleging, voorafgaand aan het arrest van het Hof van 18 november 2025 (inventaris van 19 november 2025), blijkt dat er op 27 mei 2025 op de griffie van het Hof volgende stukken zijn toegekomen, namelijk: 1° een ‘memorie strekkende tot cassatie’, ondertekend op 13 mei 2025 (per vergissing vermeld als 13.05.2024) dat één middel aanvoert over de motiveringsplicht en 2° een exploot van betekening van de gerechtsdeurwaarder Ben Van Overstraeten, dat enkel de betekening vermeldt aan verweerder van “de verklaring van beroep in cassatie van meester Tom De Clercq, advocaat met kantoor te Gent, Begijnhoflaan 372, in datum van 31 maart 2025”. Aan deze akte was een kopie gevoegd van de memorie, zonder bewijs van kennisgeving aan verweerder. Deze stukken werden per aangetekende brief van eiser overgemaakt, met verzenddatum 23 mei 2025, met als mededeling en met als datum van ontvangst ter griffie 27 mei 2025: “In hoger vermeld dossier laat ik u in bijlage de Memorie strekkende tot cassatie geworden in origineel, samen met de door de gerechtsdeurwaarder betekende aanzegging van voorziening in Cassatie ten aanzien van de beklaagde, met verzoek deze aan het gerechtsdossier toe te voegen”.
  6. De stukken die de raadsman van eiser in cassatie aan het Hof toezond op 16 december 2025, en die ter griffie zijn toegekomen op 23 december 2025, bevatten een attest van gerechtsdeurwaarder Ben Van Overstraeten, waarin is gesteld dat op 19 mei 2025 niet alleen de akte van het cassatieberoep is betekend aan verweerder, die toen verbleef in de gevangenis van Dendermonde, maar ook de memorie is ter kennis gebracht aan hem (bijlage 04). De gerechtsdeurwaarder meldt dat de akte van betekening van zowel het cassatieberoep als de memorie is ingeschreven in zijn repertorium onder nummer 853 en in het centraal register van gedematerialiseerde elektronische authentieke akten van gerechtsdeurwaarders (CREA) onder nummer CREA
  7. Verder voegt eiser een kopie van zijn brief van 23 mei 2025 toe, met daaraan gehecht een bewijs van aangetekende zending aan de griffie van het Hof en een barcode van Bpost van deze zending op 23 mei 2025 (bijlage 3).
  8. In zijn verzoekschrift ondertekend op 16 december 2025 vraagt eiser dat het Hof 1° het arrest van 18 november 2025 in de zaak P.25.1142.N zou verbeteren, in de zin dat wordt vastgesteld dat het bewijs van kennisgeving van de memorie aan de verweerder (beschuldigde S. D. S.) wel degelijk tijdig aan de griffie werd overgemaakt en deel uitmaakte van de processtukken, 2° de gevolgen van de gemaakte materiële vergissing op te heffen, met name de verwerping van het cassatieberoep omwille van die vermeende ontbrekende formaliteit en 3° de zaak te hernemen op basis van een volledig en correct dossier of elke andere maatregel te nemen die het Hof gepast acht.
  9. Beoordeling
  10. Vooreerst houdt het verzoekschrift geen vraag in om een materiële vergissing te verbeteren in een arrest van het Hof (art. 794 en 795 Gerechtelijk Wetboek), maar wel om een arrest in te trekken (art. 1113 en 1114 Gerechtelijk Wetboek) en opnieuw uitspraak te doen, ditmaal over de gegrondheid van het middel dat eiser aanvoert. In geval van verwerping van het cassatieberoep kan intrekking van het arrest worden toegepast als een regelmatige memorie met cassatiemiddelen niet is beoordeeld wegens een administratieve vergissing, die niet aan de eiser kan worden toegeschreven (T. Decaigny, “De gevolgen van een arrest van het Hof van Cassatie en de relatie tot andere hoge rechtscolleges”, in Cassatie in strafzaken, Intersentia, 2014, 250). Een verzoekschrift tot intrekking moet ondertekend zijn door een advocaat van het Hof, ook in strafzaken (art. 1080 en 1114 Ger.W, Cass. 17 april 2018, P.17.166.N, AC 2018, nr. 471; Cass. 8 februari 2022, P.21.1515.N ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.1). Aan deze dwingende vormvereiste is niet voldaan. Evenwel kan de procureur-generaal bij het Hof een verzoek tot intrekking voorleggen aan het Hof, bij wijze van vordering (R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2010, 1751; M.A. Beernaert, D. Vandermeersch en M. Giacometti, Droit de la procédure pénale, die Keure, 2025, IL, 2154). Ik acht het aangewezen het probleem aangehaald in het verzoekschrift van eiser aan uw Hof voor te leggen.
  11. Zoals het Hof oordeelde in het arrest van 18 november 2025 (P.25.1142.N), volgt uit artikel 429 Wetboek van Strafvordering voor de eiser in cassatie de verplichting zijn memorie, in de mate dat die geen betrekking heeft op de strafvordering, ter kennis te brengen van de tegenpartij en het bewijs van de verzending per aangetekende brief van die memorie in te dienen ter griffie van het Hof binnen de termijn om die memorie in te dienen. Na verloop van twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep, mag de eiser in cassatie geen memories of stukken meer indienen, met uitzondering van akten van afstand of hervatting van het geding, akten waaruit blijkt dat het cassatieberoep doelloos is geworden en de noten bedoeld in artikel 1107 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 429, tweede lid, Sv). Deze vormvereisten zijn voorgeschreven op straffe van niet-ontvankelijkheid van de memorie (art. 429, vierde lid, Sv.).
  12. Het dossier bevat geen enkel stuk waaruit blijkt dat eiser zijn memorie per aangetekende brief ter kennis bracht van verweerder. Uit het verzoekschrift van eiser valt af te leiden dat de gerechtsdeurwaarder per vergissing in zijn akte van betekening van 19 mei 2025 geen melding had gemaakt van de memorie, afgegeven aan verweerder.
  13. Hoewel de kennisgeving van de memorie volgens artikel 429, vierde lid, Sv. per aangetekende brief gebeurt, kan die kennisgeving ook gebeuren door een exploot van een gerechtsdeurwaarder, waaruit blijkt dat de tegenpartij de memorie ontving samen met de betekening van het cassatieberoep.
  14. De vraag rijst of eiser het vormverzuim van de tijdige mededeling bij exploot van de kennisgeving van de memorie kan herstellen door buiten vermelde termijn van twee maanden en na het arrest van uw Hof van verwerping bijkomende stukken aan te brengen van de gerechtsdeurwaarder, met overmacht als reden .
  15. Overmacht kan slechts voortvloeien uit een omstandigheid buiten de wil van de eiser, die deze omstandigheid niet heeft kunnen voorzien noch voorkomen en waardoor het hem onmogelijk was tijdig zijn rechtsmiddel aan te wenden of om een dwingend vormvoorschrift na te leven (Vb. Cass. 22 maart 2016, AR P.14.1182.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.1, AC 2016, nr. 196; Cass. 31 oktober 2017, AR P.17.0255.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171031.7 , AC 2017, nr. 606; Cass. 28 februari 2023, P.22.1549.N ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.3, NC 2024, 351; Cass. 9 april 2024, P.24.0413.N ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.13, RABG 2024, 1213, NC 2025, 20). Fouten van een gerechtsdeurwaarder kunnen voor de opdrachtgevende partij in cassatie overmacht opleveren, als het gaat om proceshandelingen die verplicht de tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder vereisten en kaderen in zijn opdracht (Cass. 9 november 2011, AR P.11.1027.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111109.6, AC 2011, nr. 607, concl. Adv. Gen. D. Vandermeersch; Cass. 27 maart 2020, AR F.18.0022.F ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200327.1F.1, AC 2020, nr. 217; Cass. 8 februari 2019, AR C.18.0048.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.3, AC 2019, nr. 83 met concl. van advocaat-generaal R. Mortier; Cass. 18 november 2019, voltallige zitting, AR C.18.0510.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191118.3F.1, AC 2019, nr.601; Cass. 12 mei 2020, AR P.20.0104.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2, AC 2020, nr. 287, noot AW).
  16. Het ter kennis brengen van de memorie aan de tegenpartij en het ter griffie van het Hof indienen van het bewijs van de kennisgeving (art. 429 Sv.) zijn geen proceshandelingen die onder het monopolie vallen van de gerechtsdeurwaarder (art. 519 Gerechtelijk Wetboek). Het was voor de advocaat van eiser mogelijk zijn memorie zelf ter kennis te brengen van verweerder, door een aangetekende brief, en het bewijs daarvan zelf over te maken aan de griffie van het Hof, binnen de termijn van twee maanden. Vereist een formaliteit niet de verplichte tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder, dan kan een fout van de gerechtsdeurwaarder geen overmacht uitmaken voor de opdracht gevende procespartij (Cass. 21 december 2012, AR F.12.0006.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121221.5, AC 2012, nr. 709; Cass. 12 mei 2020, AR P.20.0104.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2, AC 2020, nr. 287, noot AW).
  17. Voorts heeft niet de gerechtsdeurwaarder, maar de raadsman van eiser het exploot van de deurwaarder toegezonden aan de griffie van het Hof. De advocaat van eiser had de mogelijkheid, als lastgever, om tijdig na te gaan of de gerechtsdeurwaarder, als lasthebber, zijn opdracht van kennisgeving van de memorie correct heeft uitgevoerd. Dit toezicht ontbreekt in deze zaak. De advocaat van eiser had kunnen vaststellen dat de akte van de gerechtsdeurwaarder alleen informatie bevatte over de betekening van het cassatieberoep, alvorens de stukken per aangetekende brief over te maken aan de griffie van het Hof. De procedure tot intrekking dient niet om vergetelheden van de eiser goed te maken (R. Declercq, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2010, 1751). De eigen fout van eiser bij het tijdig indienen van het bewijs van kennisgeving van zijn memorie sluit overmacht uit.
  18. Om al deze redenen meen ik dat eiser niet heeft voldaan aan de verplichtingen van art. 429 Sv. over de kennisgeving van zijn memorie aan de tegenpartij en het tijdig doen toekomen van het bewijs van deze kennisgeving, voorgeschreven op straffe van niet-ontvankelijkheid van de memorie, zonder dat hij zich kan beroepen op overmacht. Anders dan eiser aanvoert, is voorafgaand aan de terechtzitting van het Hof van 18 november 2025 geen bewijs van kennisgeving van de memorie aan de verweerder overgemaakt en aan de processtukken toegevoegd. Het arrest van 18 november 2025 berust dan ook niet op een materiële vergissing, zoals eiser stelt, en is niet gewezen na een vergissing bij het voegen van stukken die niet te wijten zou zijn aan de eiser in cassatie zelf. OM DEZE REDENEN, Vordert de ondergetekende procureur-generaal dat het aan het Hof behage, het verzoek tot verbetering/intrekking van het arrest van 18 november 2025 in de zaak nummer P.25.1142.N af te wijzen als ongegrond. Brussel, op 28 januari 2026 Voor de Procureur-Generaal, De advocaat-generaal, Bart DE SMET” II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoekschrift strekt tot de verbetering van het arrest van het Hof van 18 november 2025 in de zaak P.25.1142.N. In zijn schriftelijke vordering verzoekt de procureur-generaal bij het Hof dat het Hof uitspraak zou doen over de vraag tot intrekking van het voormelde arrest. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Verzoekschrift
  19. Bij arrest van 18 november 2025 heeft het Hof in de zaak P.25.1142.N het cassatieberoep dat de verzoeker I als burgerlijke partij (hierna de eiser) op 31 maart 2025 had aangetekend tegen het arrest van het hof van assisen van de provincie Oost-Vlaanderen van 17 maart 2025 over zijn burgerlijke vordering tegen de beschuldigde (hierna de verweerder) verworpen na te hebben geoordeeld dat: - uit artikel 429 Wetboek van Strafvordering voor de eiser in cassatie de verplichting volgt zijn memorie, in de mate dat die geen betrekking heeft op de beslissing op de strafvordering, ter kennis te brengen van de tegenpartij en het bewijs van de verzending per aangetekende brief van die memorie in te dienen ter griffie van het Hof binnen de termijn om de memorie in te dienen; - deze vormvereiste is voorgeschreven op straffe van niet-ontvankelijkheid van de memorie; - uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, niet blijkt dat de eiser zijn memorie ter kennis heeft gebracht van de verweerder en de memorie bijgevolg niet ontvankelijk is.
  20. Het verzoekschrift voert aan dat uit de stukken waarop het Hof in de zaak P.25.1142.N vermocht acht te slaan, blijkt dat de memorie van de eiser wel degelijk ter kennis was gebracht van de verweerder, zodat het arrest van 18 november 2025 berust op een materiële vergissing die moet worden rechtgezet. Tot staving van dit verzoek voert de verzoeker I aan dat: - uit het bij schrijven van 23 mei 2025 aan de griffie van het Hof overgemaakte exploot van betekening door gerechtsdeurwaarder Ben Van Overstraeten van 19 mei 2025 (hierna de gerechtsdeurwaarder) wel degelijk bleek dat ook de memorie mee werd betekend aan de verweerder; - de gerechtsdeurwaarder in een attest van 9 december 2025 bevestigt dat aan het voormelde betekeningsexploot van 19 mei 2025 behalve het uittreksel van de verklaring van cassatieberoep van 31 maart 2025 ook de op 13 mei 2025 opgestelde memorie van de eiser was gehecht en aldus werd betekend aan de verweerder, dat dit exploot werd ingeschreven in zijn repertorium onder het nummer 853 en in het centraal register van gedematerialiseerde elektronische authentieke akten van de gerechtsdeurwaarders (CREA) werd opgenomen onder het nummer
  21. Bij toepassing van artikel 794, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan het Hof te allen tijde, ambtshalve of op verzoek van een partij, onder meer elke kennelijke rekenfout of verschrijving verbeteren, zonder evenwel de in de beslissing bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.
  22. De omstandigheid dat het Hof volgens een procespartij een vergissing zou hebben begaan bij de interpretatie van een betekeningsexploot van een gerechtsdeurwaarder en een verklaring neerlegt van die laatste die dit standpunt lijkt te bevestigen, kan geen aanleiding geven tot een gegrond verzoek tot verbetering in de zin van de voormelde bepaling.
  23. Het verzoekschrift gaat ervan uit dat uit de stukken waarop het Hof in de zaak P.25.1142.N vermocht acht te slaan, blijkt dat de memorie van de eiser wel degelijk ter kennis was gebracht van de verweerder, wat op 9 december 2025 ook werd bevestigd door de gerechtsdeurwaarder. Dit houdt geen kennelijke rekenfout of verschrijving in zoals bedoeld in de voormelde bepaling. In zoverre het verzoekschrift ertoe strekt toepassing te maken van artikel 794, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, is het bijgevolg onontvankelijk.
  24. Het verzoekschrift strekt er niet enkel toe een materiële vergissing in het arrest P.25.1142.N te verbeteren “in die zin dat wordt vastgesteld dat het bewijs van kennisgeving van de memorie aan de verweerder wel degelijk tijdig aan de griffie werd overgemaakt en deel uitmaakte van de procedurestukken”, maar ook “(d)e gevolgen van de gemaakte materiële vergissing op te heffen, met name de verwerping van het cassatieberoep omwille van die vermeende ontbrekende formaliteit” en “(d)e zaak te hernemen op basis van een volledig en correct dossier of elke andere maatregel te nemen die het Hof passend acht”. Aldus wordt het Hof verzocht om het voormelde arrest in te trekken en met een nieuw arrest uitspraak te doen in de zaak P.25.1142.N.
  25. Overeenkomstig artikel 1114, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek wordt het verzoekschrift tot intrekking ingediend op de in artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek bepaalde wijze, wat betekent dat het moet zijn ondertekend door een advocaat bij het Hof. Deze vormvereiste is van toepassing op ieder verzoek van een partij tot intrekking van een arrest van het Hof, ook als het arrest in strafzaken is gewezen.
  26. Het verzoekschrift is niet ondertekend door een advocaat bij het Hof. In zoverre het verzoekschrift strekt tot de intrekking van het arrest P.25.1142.N, is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vordering
  27. Uit artikel 429 Wetboek van Strafvordering volgt voor een eiser in cassatie de verplichting zijn memorie ter kennis te brengen van de partijen tegen wie het cassatieberoep is gericht en het bewijs van die kennisgeving in te dienen ter griffie van het Hof binnen de termijnen voor het indienen van een memorie, met als enige uitzondering ingeval het cassatieberoep uitgaat van de vervolgde partij en het betrekking heeft op de beslissing op strafvordering.
  28. Hoewel een kennisgeving van de memorie door middel van een betekening ervan bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de partijen tegen wie het cassatieberoep is gericht niet is uitgesloten, moet het Hof in dat geval uit de ter griffie tijdig ingediende betekeningsstukken met zekerheid kunnen afleiden dat de ter griffie ingediende memorie werd betekend aan die partijen.
  29. In de zaak P.25.1142.N bleek uit de op 27 mei 2025 ter griffie neergelegde stukken dat: - de gerechtsdeurwaarder bij exploot van 19 mei 2025 een eensluidend afschrift van de verklaring van cassatieberoep van de eiser heeft betekend aan de verweerder; - bij het ter griffie neergelegde originele exploot van 19 mei 2025 een eensluidend verklaard afschrift van de verklaring van cassatieberoep was gevoegd, alsook een eenvoudige kopie van de memorie; - de raadsman van de eiser bij schrijven van 23 mei 2025 behalve zijn memorie ook het voormelde originele betekeningsexploot heeft meegedeeld aan de griffie, waar die stukken op 27 mei 2025 werden ontvangen, waarbij dat exploot in dat schrijven werd omschreven als “de door de gerechtsdeurwaarder betekende aanzegging van voorziening in Cassatie ten aanzien van de (verweerder)”.
  30. In het op 27 mei 2025 ter griffie neergelegde betekeningsexploot van 19 mei 2025 maakte de gerechtsdeurwaarder geen melding van een kennisgeving of overhandiging van enig ander stuk dan het eensluidend verklaard afschrift van de verklaring van cassatieberoep. Uit de stukken waarop het Hof vermocht acht te slaan, bleek dan ook niet dat ook de memorie naar aanleiding van de betekening van het cassatieberoep ter kennis werd gebracht van de verweerder. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het attest van de gerechtsdeurwaarder van 9 december 2025 en het erbij gevoegde stuk (CREA-nummer 6585661). Artikel 32quater/2, § 1, Gerechtelijk Wetboek laat niet toe anders te oordelen.
  31. Het arrest P.25.1142.N dat het Hof op 18 november 2025 heeft gewezen, berust dan ook niet op een feitelijke of materiële vergissing. Er is bijgevolg geen reden tot intrekking van dat arrest. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek tot verbetering van het arrest in de zaak P.25.1142.N, gewezen door het Hof op 18 november
  32. Zegt dat er geen reden is tot intrekking van het voormelde arrest. Veroordeelt de verzoeker I tot de kosten van zijn verzoek. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111109.6 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121221.5 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160322.1 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171031.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190208.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191118.3F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200327.1F.1 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200918.1N.2 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220208.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230228.2N.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240409.2N.13 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220126.2F.4 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231121.2N.15 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240221.2F.3 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250128.2N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.