id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.7 Rolnummer: P.25.1646.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2026-03-17 Raadplegingen: 522 - laatst gezien 2026-06-18 21:46 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 Fiches 1 - 6 De in artikel 43 Wegverkeerswet bepaalde uitvoerbaarheid van een rijverbod wegens lichamelijke of geestelijke rijongeschiktheid vanaf de betekening van het verstekvonnis heeft niet tot gevolg dat hij die na een hem betekend verstekvonnis dat het rijverbod als beveiligingsmaatregel oplegt een motorvoertuig bestuurt zich automatisch schuldig maakt aan de door de artikelen 30, § 1, 4°, en 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijven; ook voor die misdrijven, die een reglementair karakter hebben, is een moreel bestanddeel vereist; dat moreel bestanddeel wordt evenwel vermoed aanwezig te zijn door de enkele vaststelling van het voorhanden zijn van het materieel bestanddeel van de misdrijven, tenzij de beklaagde op aannemelijke wijze aanvoert dat zijn onwetendheid over het verbod om een rijtuig te besturen niet te wijten is aan enige fout of nalatigheid die hij heeft begaan; de rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde erin slaagt aannemelijk te maken dat het voor de door de artikelen 30, § 1, 4°, en 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijven vereiste moreel element ontbreekt gelet op de afwezigheid van enige fout of nalatigheid bij hem; het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 30 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 48 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 43 Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 30, § 1, 4° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 43 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer - 16-03-1968 - Art. 48, eerste lid, 1° - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.25.1646.N D. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Sander Van Hulle, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 16 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 25 februari 2026 heeft advocaat-generaal Bart De Smet ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 10 maart 2026 heeft raadsheer Peter Hoet verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 30, 43 en 48 Wegverkeerswet, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel nullum crimen sine culpa: het bestreden vonnis verklaart de eiser ten onrechte schuldig aan een inbreuk op artikel 30, § 1, 4°, Wegverkeerswet (telastleggingen D en G) en op artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet (telastleggingen C en F), niettegenstaande de eiser geen kennis had van het tegen hem uitgesproken verval wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en hij derhalve de gevolgen van de miskenning van dat verval niet kon voorzien; de eiser heeft het vermoeden van onachtzaamheid weerlegd; er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de uitvoerbaarheid van het opgelegde verval wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid en de misdrijven bestaande in het niet-respecteren van dit verval; doordat de eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen kennis had van de betekening heeft hij het vermoeden van onachtzaamheid weerlegd; het kwam bijgevolg de vervolgende partij toe te bewijzen dat de eiser foutief heeft gehandeld; uit de betekening aan de woonst van de eiser kan niet worden afgeleid dat de eiser kennis had van het verstekvonnis en derhalve van het met dit vonnis opgelegde verval wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid. Ondergeschikt wordt gevraagd aan het Grondwettelijk Hof twee prejudiciële vragen te stellen.
- Hij die spijts een tegen hem uitgesproken vervallenverklaring wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid als bedoeld door artikel 42 Wegverkeerswet een voertuig bestuurt, is strafbaar op grond van artikel 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet.
- Hij die een motorvoertuig bestuurt terwijl hij lijdt aan een van de lichaamsgebreken of aandoeningen die door de Koning zijn bepaald krachtens artikel 23, § 1, 3°, Wegverkeerswet, is strafbaar op grond van artikel 30, § 1, 4°, Wegverkeerswet.
- Volgens 43 Wegverkeerswet gaat het verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van de bestuurder in bij de betekening wanneer de beslissing bij verstek is gewezen.
- De uitvoerbaarheid krachtens artikel 43 Wegverkeerswet heeft niet tot gevolg dat hij die spijts een dergelijk met een verstekvonnis bevolen verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid dat hem werd betekend, een voertuig bestuurt zich automatisch schuldig maakt aan de door de artikelen 30, § 1, 4°, en 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijven.
- Ook voor die misdrijven, die een reglementair karakter hebben, is een moreel bestanddeel vereist. Dat moreel bestanddeel wordt evenwel vermoed aanwezig te zijn door de enkele vaststelling van het voorhanden zijn van het materieel bestanddeel van de misdrijven, tenzij de beklaagde op aannemelijke wijze aanvoert dat zijn onwetendheid over het verbod om een rijtuig te besturen niet te wijten is aan enige fout of nalatigheid die hij heeft begaan.
- De rechter oordeelt onaantastbaar of een beklaagde erin slaagt aannemelijk te maken dat het voor de door de artikelen 30, § 1, 4°, en 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet bedoelde misdrijven vereiste moreel element ontbreekt gelet op de afwezigheid van enige fout of nalatigheid bij hem.
- Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - tegen de eiser werd met een verstekvonnis van 4 mei 2022 een verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid uitgesproken; - dit verstekvonnis werd aan de woonst van de eiser betekend op 20 oktober 2022; - de eiser werd op 3 juni 2023 in kennis gesteld van het opgelegde verval; - de eiser heeft door voor te houden dat hij op het ogenblik van de feiten omschreven onder de telastleggingen C, D, F en G, zijnde de inbreuken op de artikelen 30, § 1, 4° en 48, eerste lid, 1°, Wegverkeerswet, geen kennis had van het tegen hem uitgesproken verval van het recht tot sturen wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid, aangevoerd dat hij geen enkele fout heeft begaan.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat het verstekvonnis van 4 mei 2022 op 20 oktober 2022 op correcte wijze werd betekend aan de woonst van de eiser, dat daaruit volgt dat de eiser wordt vermoed onachtzaam te zijn geweest en dat zijn aanvoering van het ontbreken van een fout elke geloofwaardigheid mist. Het bestreden vonnis kan op grond van de enkele vaststelling dat het verstekvonnis correct aan de woonst van de eiser werd betekend, niet afleiden dat de eiser niet aannemelijk maakt dat hij geen enkele fout of nalatigheid heeft begaan. De schuldigverklaring van de eiser aan de feiten omschreven onder de telastleggingen C, D, F en G is dan ook niet naar recht verantwoord. Overige grieven
- De grieven die niet kunnen leiden tot een ruimere cassatie of een cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Omvang van de cassatie
- De vernietiging van de schuldigverklaring van de eiser aan de feiten omschreven onder de telastleggingen C, D, F en G leidt tot de vernietiging van de voor die feiten opgelegde gehele bestraffing en de veroordeling van de eiser tot betaling van één bijdrage aan het Slachtofferfonds. Het laat de overige beslissingen van het bestreden vonnis onaangetast. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser schuldig verklaart aan de feiten omschreven onder de telastleggingen C, D, F en G en hem voor die telastleggingen veroordeelt tot straf en een bijdrage aan het Slachtofferfonds. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot de helft van de kosten van zijn cassatieberoep. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep, anders samengesteld. Bepaalt de kosten op 181,89 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 10 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260310.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260310.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div