← België

V. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.3 Rolnummer: C.24.0338.N Zaak: V. contra G. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Familierecht Invoerdatum: 2026-03-26 Raadplegingen: 494 - laatst gezien 2026-06-18 18:32 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.3 Fiche De rechter die oordeelt over een vordering tot vermindering of afschaffing van een onderhoudsuitkering na echtscheiding die is gesteund op een beweerde wijziging van de financiële situatie van de ex-echtgenoten ingevolge oppensioenstelling, moet bij het bepalen van de inkomsten van de ex-echtgenoten rekening houden, niet enkel met de inkomsten die de ingevolge de beëindiging van pensioenverzekeringen uitgekeerde pensioenbedragen genereren, maar ook met deze pensioenbedragen zelf; deze pensioenuitkeringen zijn immers de vrucht van de beroepsloopbaan en strekken ertoe het beroepsinkomen na de oppensioenstelling te vervangen, zodat zij als inkomsten in aanmerking moeten worden genomen. Thesaurus CAS: ECHTSCHEIDING EN SCHEIDING VAN TAFEL EN BED - GEVOLGEN T.A.V. DE PERSONEN - T.a.v. de echtgenoten Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 301 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Nr. C.24.0338.N F. V., eiser, vertegenwoordigd door mr. Patricia Vanlersberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Koloniënstraat 11, waar de eiser woonplaats kiest, tegen E. G., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 april 2023. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 13 februari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 301, § 2, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek kan de familierechter op verzoek van een behoeftige ex-echtgenoot een onderhoudsuitkering na echtscheiding toekennen ten laste van de andere ex-echtgenoot. Krachtens artikel 301, § 3, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek legt de familierechter het bedrag van de onderhoudsuitkering vast die ten minste de staat van behoefte van de uitkeringsgerechtigde moet dekken. Het tweede lid vervolgt dat de familierechter rekening houdt met de inkomsten en mogelijkheden van de ex-echtgenoten en met de aanzienlijke terugval van de economische situatie van de uitkeringsgerechtigde ex-echtgenoot. Krachtens artikel 301, § 7, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek kan de familierechter, tenzij de partijen uitdrukkelijk het tegenovergestelde zijn overeengekomen, op vordering van een van de partijen, de uitkering later verhogen, verminderen of afschaffen, indien, ingevolge nieuwe omstandigheden onafhankelijk van de wil van de partijen, het bedrag ervan niet meer is aangepast. 2. De rechter die oordeelt over een vordering tot vermindering of afschaffing van een onderhoudsuitkering na echtscheiding die is gesteund op een beweerde wijziging van de financiële situatie van de ex-echtgenoten ingevolge oppensioenstelling, moet bij het bepalen van de inkomsten van de ex-echtgenoten rekening houden, niet enkel met de inkomsten die de ingevolge de beëindiging van pensioenverzekeringen uitgekeerde pensioenbedragen genereren, maar ook met deze pensioenbedragen zelf. Deze pensioenuitkeringen zijn immers de vrucht van de beroepsloopbaan en strekken ertoe het beroepsinkomen na de oppensioenstelling te vervangen, zodat zij als inkomsten in aanmerking moeten worden genomen. 3. In zoverre het onderdeel aanvoert dat bij de bepaling van het verdienvermogen van de onderhoudsplichtige ex-echtgenoot enkel rekening kan worden gehouden met de inkomsten van het kapitaal dat deze ex-echtgenoot ingevolge de oppensioenstelling uit een groepsverzekering heeft ontvangen, met uitsluiting van het kapitaal zelf, faalt het naar recht. 4. De appelrechter oordeelt dat: - de alimentatierechter bij de bepaling van de onderhoudsuitkering na echtscheiding in 2019 reeds opmerkte dat de eiser bij het einde van zijn tewerkstelling een aanzienlijk kapitaal zou ontvangen, maar de eiser hierover zeer vaag blijft; - de eiser ten onrechte stelt dat hiermee geen rekening mag worden gehouden, terwijl dit wel het geval is; - de alimentatierechter in 2019 nog geen rekening ermee heeft gehouden omdat het kapitaal nog niet was uitgekeerd, wat niet wegneemt dat, nu het ter be-schikking is, ermee rekening wordt gehouden; - de eiser blijkbaar heeft gekozen voor een eenmalige uitkering als kapitaal en niet voor een maandelijkse periodieke uitkering; - die keuze mogelijk is, maar niet betekent dat met een eenmalige uitkering als kapitaal geen rekening mag worden gehouden zoals met een maandelijkse periodieke uitkering; - de verweerster aannemelijk maakt dat de eiser op die manier in feite een extra bedrag van 900 euro per maand kan ontvangen, rekening gehouden met zijn vermoedelijke levensverwachting van 79,9 jaar; - de verweerster tot dit bedrag van 900 euro komt door het kapitaal van 108.000 euro te delen door 10 jaar en vervolgens door 12 maanden. De appelrechter oordeelt aldus dat bij de bepaling van het verdienvermogen van de eiser als onderhoudsplichtige ex-echtgenoot rekening kan worden gehouden met de eenmalige uitkering als kapitaal die de eiser ingevolge de oppensioenstelling uit een groepsverzekering heeft ontvangen, terwijl de verweerster aannemelijk maakt dat de uitkering neerkomt op een extra bedrag van 900 euro per maand, rekening gehouden met een levensverwachting van 79,9 jaar, door het bedoelde kapitaal van 108.000 euro te delen door 10 jaar en vervolgens door 12 maanden. 5. Zodoende zet de appelrechter de eenmalige uitkering als kapitaal die de eiser ingevolge de oppensioenstelling uit een groepsverzekering heeft ontvangen, om in een maandelijkse periodieke uitkering, gelet op zijn levensverwachting. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de appelrechter het kapitaal dat de eiser ingevolge de oppensioenstelling uit een groepsverzekering heeft ontvangen, omzet in een tienjarige rente, berust het op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 6. Voorts blijkt uit voormelde redengeving dat, daar waar de appelrechter oordeelt dat “rekening gehouden [kan] worden met het inkomen uit kapitaal”, hij doelt op de eenmalige uitkering als kapitaal die de eiser ingevolge de oppensioenstelling uit een groepsverzekering heeft ontvangen en die neerkomt op een extra inkomen. Zodoende oordeelt de appelrechter niet tegenstrijdig door het bedoelde kapitaal als extra inkomen in aanmerking te nemen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 595,86 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.3 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.