← België

BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra RESILUX nv

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.7 Rolnummer: F.23.0118.N Zaak: BELGISCHE STAAT, FINANCIEN contra RESILUX nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-03-26 Raadplegingen: 2059 - laatst gezien 2026-06-18 16:17 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.7 Fiche 1 Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid; daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Fiche 2 Een redelijk vertrouwen kan bij de belastingplichtige worden gewekt door een akkoord dat hij heeft gesloten met de belastingadministratie, ook al is dat akkoord strijdig met de fiscale wet zodat de toestemming van de belastingadministratie is aangetast door dwaling en dat akkoord geen geoorloofde oorzaak heeft. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Fiche 3 De vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid waarop de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen kan voortvloeien uit een akkoordverklaring die inhoudt dat een fiscale wet van toepassing is op de feitelijke situatie van de belastingplichtige. Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Tekst van de beslissing Nr. F.23.0118.N BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0308.357.159, voor wie optreedt de adviseur-generaal Gewestelijke Directie BBI Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6 bus 803, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets en mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaten bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen RESILUX nv, met zetel te 9230 Wetteren, Damstraat 4, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0447.354.397, verweerster, met als raadslieden mr. Julie Engelen, advocaat aan de balie te Brussel, met kantoor te 1930 Zaventem, Luchthaven Brussel Nationaal Gateway 1J en mr. Johan Speecke, advocaat aan de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 37/0011, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 30 mei 2023. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 13 februari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede onderdeel 1. Het recht op rechtszekerheid houdt in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat hij niet anders kan opvatten dan als een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid. Daaruit volgt dat de verwachtingen die de overheid bij de burger creëert, in de regel moeten worden gehonoreerd. 2. Een redelijk vertrouwen kan bij de belastingplichtige worden gewekt door een akkoord dat hij heeft gesloten met de belastingadministratie, ook al is dat akkoord strijdig met de fiscale wet zodat de toestemming van de belastingadministratie is aangetast door dwaling en dat akkoord geen geoorloofde oorzaak heeft. 3. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of bij een belastingplichtige een redelijk vertrouwen is gewekt, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak. Het Hof gaat niettemin na of de rechter het begrip redelijk vertrouwen niet heeft miskend door uit de vastgestelde feiten gevolgen af te leiden die hiermee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 4. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - “de akkoordverklaring van 22 november 2014 wel degelijk inhield dat, nu de licentieovereenkomst met Netstal werd voorgelegd, [de eiser] erkende dat de wettelijke voorwaarden vervuld waren, met dien verstande dat de [eiser] daarbij gedwaald heeft over de juridische draagwijdte van het feit dat het om Europese octrooien ging”; - “niet [kan] worden aangenomen dat de [verweerster] de [eiser] in dat verband misleid heeft” aangezien “er (…) geen objectieve reden [is] om aan te nemen dat de [verweerster], net als de administratie, niet werkelijk zelf (ook) geloofde dat de octrooien op grond van het Europese recht de vereiste basis boden om de betreffende octrooi-aftrek te kunnen genieten” en dat “het enkele feit dat de [verweerster] voor de licentie geen betaling verschuldigd was aan Netstal dat niet [kan] laten vermoeden”; - “van dan af de [verweerster] met reden [inroept] dat de akkoordverklaring op zich er toe strekte haar het rechtmatig vertrouwen te geven dat ze voor de hier betwiste aanslagjaren 2016 en 2017 recht had op de octrooi-aftrek, althans voor de bedragen ‘in functie van de van toepassing zijnde parameters’”; - “de [verweerster] redelijke en gerechtvaardigde verwachtingen [had] dat de akkoordverklaring zou worden gehonoreerd door het bestuur en er haar gedrag [heeft] op afgestemd”. 5. De appelrechters kunnen op grond van deze redenen wettig oordelen dat “het door de administratie in hoofde van de [verweerster] gewekte vertrouwen in voorliggend geval [moet] gehonoreerd worden”. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. (…) Vijfde onderdeel 8. De vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid waarop de belastingplichtige moet kunnen vertrouwen kan voortvloeien uit een akkoordverklaring die inhoudt dat een fiscale wet van toepassing is op de feitelijke situatie van de belastingplichtige. 9. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat er enkel sprake kan zijn van een vaste gedrags- of beleidsregel van de overheid indien de overheid “een algemene gedragslijn” bepaalt ten aanzien van de toepassing van een fiscale wet, berust op een onjuiste rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 481,40 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.7 Gerelateerde publicatie(
  2. s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.