id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 12 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.9 Rolnummer: F.24.0097.N Zaak: Het VLAAMS GEWEST contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2026-03-26 Raadplegingen: 695 - laatst gezien 2026-06-18 16:18 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.9 Fiche 1 Het begrip ‘woning' van artikel 2.9.4.2.11 VCF betreft overeenkomstig artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 6°, VCF een huis of het geheel of het gedeelte van een verdieping van een gebouw dat hetzij dadelijk, hetzij na normale herstellings- of onderhoudswerken hoofdzakelijk dient of zal dienen tot huisvesting van één gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen; dit houdt in dat een gezin of een persoon het pand met een zekere bestendigheid aanwendt of zal aanwenden als huis of tehuis en zich daar het dagelijkse leven situeert
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Wettelijke bepalingen: Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 2.9.4.2.11 - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Decreet 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit - 13-12-2013 - Art. 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 6° - 06 ELI link Pub nr 2013036154 Fiche 2 De belastingplichtige die zich op de toepassing van het voormelde verlaagd tarief beroept, moet aantonen dat er geen huisvesting is in de voormelde zin. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Tekst van de beslissing Nr. F.24.0097.N VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister van Begroting en Financiën Vlaamse rand, Onroerend Erfgoed en Dierenwelzijn, met kantoor te 1000 Brussel, Koolstraat 35, eiser, vertegenwoordigd door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest tegen
- Y. V. H.,
- J. P., verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 28 mei
- Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft op 13 februari 2026 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Myriam Ghyselen heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Stijn Ravyse heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 2.9.4.2.11, § 1, VCF bedraagt het verkooprecht in afwijking van artikel 2.9.4.1.1 6 pct. voor overeenkomsten houdende zuivere aankoop, waarbij door een of meerdere natuurlijke personen samen en gelijktijdig de geheelheid volle eigendom van een woning wordt verkregen om er hun hoofdverblijfplaats te vestigen. Om het verlaagd tarief van 6 pct. te kunnen toepassen moet krachtens artikel 2.9.4.2.11, § 2, VCF onder meer voldaan zijn aan de voorwaarde dat de verkrijger op de datum van de authentieke aankoopakte niet voor de geheelheid volle eigenaar van een andere woning of bouwgrond is. Als er verschillende verkrijgers zijn, mogen ze op de vermelde datum niet samen voor de geheelheid volle eigenaar zijn van een andere woning of bouwgrond.
- Het begrip ‘woning’ van artikel 2.9.4.2.11 VCF betreft overeenkomstig artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 6°, VCF een huis of het geheel of het gedeelte van een verdieping van een gebouw dat hetzij dadelijk, hetzij na normale herstellings- of onderhoudswerken hoofdzakelijk dient of zal dienen tot huisvesting van één gezin of een persoon, met in voorkomend geval de aanhorigheden die tegelijk met het huis, het geheel of het gedeelte van een verdieping worden verkregen. Dit houdt in dat een gezin of een persoon het pand met een zekere bestendigheid aanwendt of zal aanwenden als huis of tehuis en zich daar het dagelijkse leven situeert. De belastingplichtige die zich op de toepassing van het voormelde verlaagd tarief beroept, moet aantonen dat er geen huisvesting is in de voormelde zin.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de uitdrukking ‘huisvesting’ niet wordt gedefinieerd in de VCF en moet begrepen worden in haar gebruikelijke betekenis, waarbij de Vlaamse Codex Wonen niet als grondslag kan dienen; - het begrip ‘huisvesting’ enige mate van standvastigheid en permanentie vereist: het ‘vestigen’ van zijn ‘huis of tehuis’ in zijn letterlijke betekenis verwijst naar de plaats waar een persoon zijn dagelijkse leefomgeving heeft en organiseert, hetgeen een zekere bestendigheid, standvastigheid en duurzaamheid behelst, te onderscheiden van opvang of vormen van tijdelijk verblijf zonder enige standvastigheid, zoals een toeristisch verblijf; - ook de term ‘gezin’ in artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 6°, VCF wijst op het bestaan van een duurzame vorm van (samen)wonen; - noch de doelstellingen van het verlaagde tarief, noch het feit dat het begrip ‘woning’ kadert in een gunstmaatregel nopen tot een ruimere interpretatie van een woning als enig onderkomen waarin men tijdelijk of permanent onderdak heeft om er te leven en te slapen; - het standpunt nr.18044 van 31 maart 2020 van de eiser, volgens hetwelk het bezit van een chalet een beletsel vormt voor de toepassing van het verlaagd tarief, geen bindende kracht heeft en voorbij gaat aan het gegeven dat voor elk onroerend goed onderzocht moet worden of het beantwoordt aan de voornoemde begrippen, ongeacht de benaming ervan; - de bewijslast voor de toepassing van het verlaagd tarief op de verweerders rust, die met alle middelen van gemeen recht moeten aantonen dat aan de voorwaarde van afwezigheid van een zogenaamd verhinderend bezit is voldaan op het moment van de aankoop van de woning; - de chalet gelegen is in een gebied, dat volgens het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, hierna PRUP, ingekleurd is als ‘reconversie verblijfsrecreatie’ en bestaat uit tuinen met (vis)vijvers met weekendverblijf en/of bergplaats/tuinhuisje; - het onroerend goed in de notariële aankoopakte werd omschreven als ‘vakantieverblijf’; - blijkens het PRUP wonen en woongerelateerde functies op het gebied niet zijn toegelaten; - de verweerders aan de hand van uittreksels uit het rijksregister aantonen dat zij nooit ingeschreven waren op het adres van het onroerend goed; - blijkens het PRUP de hoofdzakelijke functie van het onroerend goed er een is van landschapsgebonden, private vijverrecreatie waarvan de ‘hutten’ het accessorium vormen en waarbij wonen, woongerelateerde functies, alsook verblijfs-recreatie (behoudens vijverrecreatief verblijf zonder permanente bewoning) uitdrukkelijk verboden zijn; - vermits ook het PRUP een functioneel criterium aanwendt, niet enkel de bestemming maar ook het gebruik als woning uitgesloten is, zodat het niet toegestaan is er enige vorm van huisvestiging in te richten zonder zich bloot te stellen aan sancties; - de verweerders er hun hoofdverblijfplaats niet mochten vestigen, hetgeen zij ook niet gedaan hebben; - hoewel de stedenbouwkundige bestemming niet determinerend is, het geheel van bovenstaande elementen het hof van beroep toelaat te vermoeden dat het onroerend goed de verweerders op het moment van de aankoop van hun huis niet diende tot huisvesting, noch daartoe zou dienen; - aannemen dat de verweerders het onroerend goed, ondanks het uitdrukkelijk reglementair verbod daartoe toch hoofdzakelijk een woonfunctie zouden geven, in wezen erop zou neerkomen dat de verweerders een stedenbouwkundige overtreding zouden plegen; - geen enkel objectief element van het dossier dergelijke gevolgtrekking toelaat; - het bewijs door vermoedens dat het niet gaat om een woning niet ontkracht wordt door de eiser, noch door het beding van aanwas in de aankoopakte, noch door de omstandigheid dat bewoning in het vakantieverblijf op zich materieel mogelijk zou zijn.
- De appelrechter die op deze gronden oordeelt dat het niet gaat om een woning en dat de verweerders terecht aanspraak maken op het verlaagd tarief van 6 pct. met toepassing van artikel 2.9.4.2.11 VCF, miskennen de inhoud van de begrippen ‘woning’ en ‘huisvesting’ van artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 6°, VCF niet en verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- De in het eerste onderdeel vergeefs aangevochten reden dat de chalet niet dient of zal dienen tot ‘huisvesting’ van een gezin of een persoon, draagt het oordeel dat de chalet geen woning betreft in de zin van artikel 1.1.0.0.2, twaalfde lid, 6°, VCF en derhalve de toepassing van het verlaagd tarief van artikel 2.9.4.2.11 VCF niet kan beletten. Het onderdeel dat aanvoert dat de appelrechter ten onrechte oordeelt dat de chalet niet ‘hoofdzakelijk’ dient of zal dienen tot huisvesting is, komt op tegen een overtollige rede en is bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 627,75 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, en de raadsheren Sven Mosselmans, Myriam Ghyselen, Michael Traest en Ann De Wolf, en in openbare rechtszitting van 12 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Stijn Ravyse, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260312.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260312.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div