id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.11 Rolnummer: P.26.0246.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-23 Raadplegingen: 403 - laatst gezien 2026-06-18 06:33 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 Artikel 6.3.b EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbank die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank; de strafuitvoeringsrechtbank doet immers geen uitspraak over de gegrondheid van een strafvervolging. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.b - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 4 - 5 Uit de bepalingen van artikel 95/2, § 1, § 2, eerste lid, en § 3, Wet Strafuitvoering en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de bij de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank betrokken overheden en dus ook de strafuitvoeringsrechtbank de nodige maatregelen moeten nemen opdat tijdig, dit wil zeggen voor het verstrijken van de hoofdstraf, over de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf wordt beslist; het kan immers onmogelijk de bedoeling van de wetgever zijn geweest om een wettig opgelegde bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank zonder enige uitvoering te laten. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2, §§ 1, 2, eerste lid, en 3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2, §§ 1, 2, eerste lid, en 3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 6 - 9 De strafuitvoeringsrechtbank kan bij de beoordeling van een verzoek van de veroordeelde om de behandeling van de zaak op de door artikel 95/5 Wet Strafuitvoering bedoelde zitting uit te stellen wegens een voorgehouden miskenning van zijn recht van verdediging, de noodzaak betrekken om tijdig, dit wil zeggen binnen de bij wet bepaalde termijn, over de tenuitvoerlegging van de TBSURB te beslissen op basis van de alsdan beschikbare informatie. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 10 - 11 De in artikel 95/3, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde termijn van vier maanden is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en het niet-respecteren van die termijn heeft niet tot gevolg dat de strafuitvoeringsrechtbank niet meer zou kunnen beslissen over de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/3, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/3, § 1 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 12 - 14 Het door artikel 95/3, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde advies van de directeur dient in de eerste plaats ter voorlichting van de strafuitvoeringsrechtbank; dat dit advies werd verleend buiten de wettelijk bepaalde termijn of dat het gebrekkig zou zijn omdat het zou berusten op onjuiste of onvolledige informatie, het werd verleend zonder dat de veroordeelde door de directeur werd gehoord, zonder een inhoudelijke studie van de PSD, zonder dat de directeur of de PSD de beschikking zouden hebben gehad over het veroordelend arrest van 12 januari 2026 en zonder het vereiste gespecialiseerde advies, miskent als dusdanig niet het recht van verdediging van de veroordeelde of verplicht de strafuitvoeringsrechtbank niet om de behandeling van de zaak op de door artikel 95/5 Wet Strafuitvoering bedoelde zitting uit te stellen; het recht van verdediging van de veroordeelde is voldoende gewaarborgd door het verweer dat hij betreffende het advies kan voeren op de in artikel 95/5 Wet Strafuitvoering bedoelde zitting. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/3 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 15 - 17 Artikel 95/6, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd; de in artikel 95/5, § 2, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalde verplichting de slachtoffers in te lichten over de zitting en het aan de slachtoffers toegekende hoorrecht zijn niet ingevoerd in het belang van de veroordeelde, maar wel in dat van de slachtoffers zodat een veroordeelde dan ook geen belang heeft om aan te voeren dat de slachtoffers niet werden opgeroepen. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/6, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/6, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Belang Wettelijke bepalingen: Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/6, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Fiches 18 - 21 De strafuitvoeringsrechtbank moet niet antwoorden op een op de rechtszitting ontwikkeld verweer over de niet-oproeping van de slachtoffers, waarbij de veroordeelde geen belang heeft. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - TERBESCHIKKINGSTELLING VAN DE STRAFUITVOERINGSRECHTBANK Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/6, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/6, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/6, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/5, § 2 - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Wet 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten - 17-05-2006 - Art. 95/6, tweede lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0246.N D. S., veroordeelde tot vrijheidsstraf, terbeschikkinggestelde van de strafuitvoeringsrechtbank, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 13 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 95/2 tot en met 95/8 Wet Strafuitvoering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: eisers recht van verdediging is miskend; het vonnis oordeelt dat de verdediging regelmatig is opgeroepen en dat de eiser voldoende tijd had om de zaak voor te bereiden; een tijdige oproeping volgens de wettelijke vormvoorschriften houdt niet automatisch in dat de eiser over voldoende tijd en faciliteiten beschikte om zijn verdediging te organiseren; de miskenning van het recht van verdediging ligt in het feit dat de termijnen voor adviesverlening niet werden gerespecteerd en dat deze adviezen berusten op onjuiste of onvolledige informatie; aan de eiser had zelf de mogelijkheid moeten worden verleend om deze gebrekkige en buiten termijn opgestelde adviezen op effectieve wijze aan tegenspraak te onderwerpen; de eiser werd niet gehoord door de directie; zijn dossier werd niet daadwerkelijk inhoudelijk bestudeerd door de psychosociale dienst (PSD); alle adviezen werden verleend zonder dat de adviesverleners beschikten over het arrest van 12 januari 2026 waarbij de eiser in vergelijking met de eerste aanleg voor een aanzienlijk aantal telastleggingen werd vrijgesproken; het vonnis doet geen uitspraak over eisers aanvoering dat bij afwezigheid van uitstel van behandeling zijn rechten onherroepelijk zijn miskend.
- Artikel 6.3.b EVRM is niet van toepassing op de strafuitvoeringsrechtbank die uitspraak doet over de tenuitvoerlegging van de bijkomende straf van de terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank (hierna TBSURB). De strafuitvoeringsrechtbank doet immers geen uitspraak over de gegrondheid van een strafvervolging. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 95/2, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de TBSURB een aanvang neemt bij het verstrijken van de hoofdstraf. Volgens artikel 95/2, § 2, eerste lid, Wet Strafuitvoering beslist de strafuitvoeringsrechtbank voorafgaand aan het verstrijken van de hoofdstraf hetzij tot vrijheidsbeneming, hetzij tot invrijheidstelling onder toezicht. Volgens artikel 95/2, § 3, Wet Strafuitvoering wordt de terbeschikkinggestelde veroordeelde (hierna de veroordeelde) van zijn vrijheid benomen indien bij hem een risico op het plegen van ernstige strafbare feiten wordt vastgesteld die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten en dat ingeval van een invrijheidstelling onder toezicht niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden.
- Uit deze bepalingen en de wetsgeschiedenis ervan volgt dat de bij de tenuitvoerlegging van de TBSURB betrokken overheden en dus ook de strafuitvoeringsrechtbank de nodige maatregelen moeten nemen opdat tijdig, dit wil zeggen voor het verstrijken van de hoofdstraf, over de tenuitvoerlegging van deze bijkomende straf wordt beslist. Het kan immers onmogelijk de bedoeling van de wetgever zijn geweest om een wettig opgelegde bijkomende straf van de TBSURB zonder enige uitvoering te laten.
- De strafuitvoeringsrechtbank kan bij de beoordeling van een verzoek van de veroordeelde om de behandeling van de zaak op de door artikel 95/5 Wet Strafuitvoering bedoelde zitting uit te stellen wegens een voorgehouden miskenning van zijn recht van verdediging, de noodzaak betrekken om tijdig, dit wil zeggen binnen de bij wet bepaalde termijn, over de tenuitvoerlegging van de TBSURB te beslissen op basis van de alsdan beschikbare informatie.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Artikel 95/3, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt dat indien de veroordeelde gedetineerd is, de directeur uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de hoofdstraf advies uitbrengt. Volgens artikel 95/3, § 2, Wet Strafuitvoering omvat het advies van de directeur een gemotiveerd advies tot vrijheidsbeneming of invrijheidstelling onder toezicht, in voorkomend geval de bijzondere voorwaarden die hij nodig acht om aan de veroordeelde op te leggen, is op het advies artikel 31, § 1 en § 4, Wet Strafuitvoering van toepassing en moet in voorkomend geval een met redenen omkleed advies van een dienst of persoon die gespecialiseerd is in de diagnostische expertise van seksuele delinquenten worden gevoegd.
- De in artikel 95/3, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalde termijn van vier maanden is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid. Het niet-respecteren van die termijn heeft niet tot gevolg dat de strafuitvoeringsrechtbank niet meer zou kunnen beslissen over de tenuitvoerlegging van de TBSURB.
- Het door artikel 95/3, § 1, Wet Strafuitvoering bedoelde advies van de directeur dient in de eerste plaats ter voorlichting van de strafuitvoeringsrechtbank. Dat dit advies werd verleend buiten de wettelijk bepaalde termijn of dat het gebrekkig zou zijn omdat het zou berusten op onjuiste of onvolledige informatie, het werd verleend zonder dat de veroordeelde door de directeur werd gehoord, zonder een inhoudelijke studie van de PSD, zonder dat de directeur of de PSD de beschikking zouden hebben gehad over het veroordelend arrest van 12 januari 2026 en zonder het vereiste gespecialiseerde advies, miskent als dusdanig niet het recht van verdediging van de veroordeelde of verplicht de strafuitvoeringsrechtbank niet om de behandeling van de zaak op de door artikel 95/5 Wet Strafuitvoering bedoelde zitting uit te stellen. Het recht van verdediging van de veroordeelde is voldoende gewaarborgd door het verweer dat hij betreffende het advies kan voeren op de in artikel 95/5 Wet Strafuitvoering bedoelde zitting.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het vonnis verwerpt eisers verzoek om uitstel van behandeling van de zaak wegens een voorgehouden miskenning van zijn recht van verdediging op de volgende gronden: - de rechtbank dient te beslissen voor het strafeinde, namelijk voor 16 februari 2026; - een uitstel zou betekenen dat de terbeschikkingstelling niet kan worden opgestart en dat de eiser zonder enige opvolging zou vrij komen; - de zaak werd behandeld op de eerst nuttige rechtszitting na ontvangst van het advies van het openbaar ministerie; - gelet op de datum van het veroordelend arrest en de reeds ondergane straf situeert het strafeinde zich zeer kort na de uitspraak in hoger beroep, wat maakt dat het onmogelijk is om de rechtszitting twee maanden voor het einde van de hoofdstraf te laten plaatsvinden; - de stelling van de eiser dat de rechtszitting had moeten plaatsvinden uiterlijk op 16 december 2025, dit wil zeggen voor de uitspraak ten gronde, is een vreemde redenering omdat er op dat ogenblik nog geen veroordelend arrest was en het strafeinde nog niet was gekend; - in december 2025 was de eiser zelfs nog jaren verwijderd van zijn strafeinde gezien in eerste aanleg een straf van acht jaar was uitgesproken; - de termijn van behandeling is niet voorgeschreven op straffe van nietigheid, maar betreft een termijn van orde; - de verdediging werd regelmatig opgeroepen en had voldoende tijd om de zaak voor te bereiden. Op grond van die redenen kan het vonnis wettig oordelen dat de door de eiser ingeroepen miskenning van zijn recht van verdediging geen uitstel van behandeling van de zaak rechtvaardigt. Met die redenen beantwoordt en verwerpt het vonnis het door de eiser in zijn conclusie ontwikkelde verweer ter zake. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het vonnis oordeelt dat er wel degelijk een risico is op het plegen van ernstige strafbare feiten die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten; het haalt daarvoor enkele elementen aan die zijn opgenomen in het veroordelend arrest van 12 januari 2026; er wordt ook verwezen naar de bevindingen van de tijdens het strafonderzoek aangestelde gerechtsdeskundigen; zonder verdere verwijzing naar de beschikbare gegevens oordeelt het vonnis dat uit deze beschikbare gegevens kan worden afgeleid dat de kans op recidive groot is; de eiser mag daaruit afleiden dat die gegevens de adviezen betreft, het veroordelend arrest alsook de verslagen van de deskundigen; het vonnis verwijst ook ter verantwoording voor de vrijheidsbeneming naar de door het veroordelend arrest aangenomen noodzaak om de TBSURB uit te spreken; de eiser heeft aangevoerd dat de strafuitvoeringsrechtbank klaarblijkelijk niet beschikte over het veroordelend arrest; daarover neemt het vonnis geen standpunt in; ook voor wat betreft de deskundigenverslagen wordt niet vastgesteld dat die zich in het dossier van de strafuitvoeringsrechtbank bevonden; nochtans verwijst het vonnis naar de bevindingen van de deskundigen en naar het veroordelend arrest; uit de stukken die de eiser bij zijn memorie heeft gevoegd blijkt dat het veroordelend arrest en de deskundigenverslagen zich niet in het dossier bevonden; het vonnis bevat slechts een korte verwijzing naar het veroordelend arrest betreffende de inhoud van de deskundigenverslagen; het vonnis verwijst uitvoerig naar de bevindingen van de deskundigen; met de motieven die het vonnis bevat, miskent de strafuitvoeringsrechtbank de bewijskracht van het veroordelend arrest waarin enkel wordt gesteld dat de deskundigen antisociale en narcistische persoonlijkheidskenmerken aannemen en wijzen op een zeer hoge kans op herval in een ernstig delictgedrag; andere elementen zijn bevindingen van het hof van beroep zelf; door deze elementen aan de deskundigen toe te wijzen, miskent het vonnis de bewijskracht van “de akte”.
- In zijn conclusie heeft de eiser aangevoerd dat het niet eens duidelijk is of het arrest van 12 januari 2026 deel uitmaakt van het strafdossier. Het vonnis verwijst naar dit arrest, waaruit volgt dat het aangeeft dat het deel uitmaakte van het dossier. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- In zijn conclusie heeft de eiser niet aangevoerd dat de verslagen van de deskundigen niet tot het strafdossier behoorden. Het vonnis diende daarover geen standpunt in te nemen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Geen enkele bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechter verwijst naar de inhoud van een deskundigenverslag, indien de inhoud van dat verslag is opgenomen in andere stukken die tot het dossier behoren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het Hof kan enkel kennis nemen van feitelijke gegevens die blijken uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. De omstandigheid dat de eiser stukken heeft gevoegd bij zijn memorie, heeft niet tot gevolg dat het Hof kennis kan nemen van de feitelijke gegevens die zijn opgenomen in die bij de memorie gevoegde stukken. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
- De aangevoerde miskenning van de bewijskracht van het veroordelend arrest betreffende de bevindingen van de deskundigen is afgeleid uit de voor het eerst voor het Hof geformuleerde aanvoering dat de strafuitvoeringsrechtbank niet zou hebben beschikt over de deskundigenverslagen. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk.
- In zoverre het onderdeel de miskenning aanvoert van de bewijskracht van “de akte” (p. 9, vierde alinea) zonder die akte duidelijk te identificeren, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 95/2 tot en met 95/8 Wet Strafuitvoering, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de motivering van het vonnis is gebrekkig; zonder enig verder onderzoek wordt geoordeeld over het risico op herval in ernstige strafbare feiten, die de integriteit van derden aantasten; de strafuitvoeringsrechtbank beschikte slechts over onvolledige en achterhaalde informatie, namelijk het veroordelend vonnis van de eerste rechter en de verslagen van de deskundigen die zijn gebaseerd op het feit dat de eiser schuldig zou zijn aan verkrachting, waarvoor hij echter definitief is vrijgesproken; de eiser is bovendien plots geconfronteerd met een zitting, terwijl de PSD zijn reclasseringsmogelijkheden met hem niet heeft besproken en hij geen concrete bijzondere voorwaarden kon uitwerken.
- In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste en het tweede onderdeel aangevoerde wetsschendingen, is het niet ontvankelijk.
- Uit de conclusie van de eiser en overigens ook uit het door hem aangevoerde vierde middel blijkt dat de eiser aan de strafuitvoeringsrechtbank wel degelijk concrete bijzondere voorwaarden heeft voorgesteld. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Geen enkele bepaling verbiedt de strafuitvoeringsrechtbank rekening te houden met vermeldingen in een beroepen vonnis, ook als dit beroepen vonnis in hoger beroep deels werd hervormd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel formeel een motiveringsgebrek aanvoert, maar in werkelijkheid opkomt tegen de onaantastbare beoordeling door de strafuitvoeringsrechtbank over het in artikel 95/2, § 3, Wet Strafuitvoering vermelde risico, is het niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 95/5, § 2, eerste lid, Wet Strafuitvoering: de burgerlijke partijen en de slachtoffers werden niet opgeroepen, wat de eiser heeft aangevoerd om te wijzen op de onregelmatigheid van de procedure.
- Artikel 95/6, tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat het slachtoffer wordt gehoord over de bijzondere voorwaarden die in zijn belang moeten worden opgelegd. De in artikel 95/5, § 2, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalde verplichting de slachtoffers in te lichten over de zitting en het aan de slachtoffers toegekende hoorrecht zijn niet ingevoerd in het belang van de veroordeelde, maar wel in dat van de slachtoffers. Een veroordeelde heeft dan ook geen belang om aan te voeren dat de slachtoffers niet werden opgeroepen. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis beantwoordt niet eisers aanvoering dat de procedure onregelmatig was gelet op de niet-oproeping van de slachtoffers; er wordt daarover geen enkele beslissing genomen.
- De strafuitvoeringsrechtbank moet niet antwoorden op een op de rechtszitting ontwikkeld verweer over de niet-oproeping van de slachtoffers, waarbij de veroordeelde geen belang heeft. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 95/3, 95/4 en 95/5, § 1, Wet Strafuitvoering: de termijnen voor advies door de directeur en het openbaar ministerie zijn niet nageleefd; ook al zijn die termijnen niet voorgeschreven op straffe van nietigheid en kunnen ze niet beletten dat de strafuitvoeringsrechtbank zich over de uitvoering van de terbeschikkingstelling moet uitspreken, kan het vonnis niet oordelen dat de adviezen voldoen aan de wettelijke vormen en termijnen; de eiser heeft voor de strafuitvoeringsrechtbank een manifeste overschrijding van die termijnen opgeworpen.
- Artikel 95/4 Wet Strafuitvoering bepaalt dat binnen de maand na de ontvangst van het advies van de directeur het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies opstelt en dit overzendt aan de strafuitvoeringsrechtbank.
- Het openbaar ministerie heeft tijdig zijn advies opgesteld en overgezonden aan de strafuitvoeringsrechtbank. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De vermelding in het vonnis “Wat betreft de ontvankelijkheid voldoet het advies aan de wettelijke vormen en termijnen” heeft betrekking op het in de voorafgaande alinea vermelde advies van het openbaar ministerie en niet op het advies van de directeur. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het vonnis en mist het feitelijke grondslag.
- Het vonnis oordeelt met een geheel van redenen die zijn vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel dat eisers recht van verdediging niet is miskend omdat hij regelmatig werd opgeroepen en hij voldoende tijd had om de zaak voor te bereiden. Daarmee wordt eisers aanvoering over de laattijdigheid van het advies van de directeur beantwoord en verworpen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het vonnis oordeelt enerzijds dat de wettelijk voorziene termijnen niet werden gerespecteerd; het oordeelt anderzijds dat aan de tijds- en vormvoorwaarden werd voldaan.
- De aangevoerde tegenstrijdigheid is afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheden. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het vonnis laat na enige motivering te geven over het naleven van de termijnen voor de adviezen; er wordt zonder meer gesteld dat de wettelijke termijnen zijn nageleefd en het advies tot invrijheidstelling dus ontvankelijk is.
- Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het eerste onderdeel en moet om de in het antwoord op dat onderdeel vermelde redenen worden verworpen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het vonnis stelt op geen enkele wijze vast dat het recidiverisico niet kan worden ondervangen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; de eiser had in zijn conclusie tal van voorwaarden opgesomd waarmee aan het risico op herval kon worden tegemoet gekomen.
- Met het oordeel dat de rechtbank op basis van de voorhanden zijnde informatie, waarbij uitdrukkelijk wordt verwezen naar een eerdere veroordeling in Nederland voor gelijkaardige ernstige feiten, het gegeven dat eerdere justitiële interventies hem niet hebben belet opnieuw jonge slachtoffers te maken en de bijkomende risicofactoren van de eigen jeugdige leeftijd en de specifieke gerichtheid op jongens, van mening is dat actueel kan worden geoordeeld dat er wel degelijk een risico is op het plegen van ernstige strafbare feiten die de fysieke of psychische integriteit van derden aantasten en dat er net als in andere dossiers nood is aan verder onderzoek om in te schatten welke zaken in het reclasseringsplan zullen moeten aanwezig zijn om de kans op recidive in te schatten, geeft het vonnis te kennen dat de door de eiser in zijn conclusie vermelde bijzondere voorwaarden niet van aard zijn om aan dit risico te verhelpen. Het middel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 2 van het Kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsverplichting: het vonnis oordeelt ten onrechte dat de overname van de straf en de strafopvolgende strafuitvoering kan plaatsvinden in het kader van dit Kaderbesluit; ingeval van een terbeschikkingstelling is een overname van de strafuitvoering niet mogelijk; het vonnis beantwoordt eisers verweer op dit vlak niet.
- Het vonnis, dat uitdrukkelijk verwijst naar eisers bezorgdheid over de mogelijkheid van een reclassering in Nederland, oordeelt niet zoals het middel aanvoert. Het oordeelt enkel dat een reclassering in Nederland tot de mogelijkheden kan behoren op basis van dit Kaderbesluit. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het vonnis, mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div