id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.13 Rolnummer: P.25.0612.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Bestuursrecht - Strafrecht - Overige - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2026-03-23 Raadplegingen: 551 - laatst gezien 2026-06-18 06:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR nog niet beschikbaar Fiches 1 - 3 De loutere omstandigheid dat na de vaststelling van een stedenbouwkundig misdrijf de vermoedelijke overtreder niet werd aangemaand om de nodige maatregelen te nemen zoals bedoeld in artikel 6.2.3, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, leidt niet tot de onontvankelijkheid van de strafvordering of van de herstelvordering; dat de verbalisanten ruimtelijke ordening vóór het instellen van de strafvordering te kennen hadden gegeven toepassing te willen maken van die bepaling, doet daaraan geen afbreuk. Thesaurus CAS: STEDENBOUW - SANCTIES Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.2.3, § 2 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: STEDENBOUW - HERSTEL VAN PLAATS IN DE VORIGE STAAT. BETALING VAN EEN MEERWAARDE Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.2.3, § 2 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Besluit van de Vlaamse Regering 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening - 15-05-2009 - Art. 6.2.3, § 2 - 36 ELI link Pub nr 2009A35738 Fiches 4 - 7 Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet volgt dat: (-) indien de rechter een verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende gronden daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing, (-) indien de beklaagde in een conclusie concrete elementen heeft aangevoerd tot staving van zijn verzoek om opschorting, de rechter die elementen moet beantwoorden zonder evenwel op elk argument te moeten ingaan, (-) de rechter de afwijzing van het verzoek om opschorting kan motiveren of mede motiveren door opgave van de redenen die hij vermeldt ter verantwoording van het uitspreken van straffen en (-) indien een beklaagde concrete elementen heeft aangevoerd betreffende de gevolgen van de straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering
(1).
(1)Zie Cass. 2 december 2025, AR P.25.0076.N, ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.13; Cass. 12 november 2024, AR P.24.0712.N, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 8 - 11 Wanneer een beklaagde om de opschorting verzoekt zonder dit verzoek nader te staven of hierbij bijzondere omstandigheden aan te voeren, kan de rechter de weigering van die opschorting regelmatig met redenen omkleden door de vermelding van de redenen waarom een bepaalde straf moet worden opgelegd; uit de loutere omstandigheid dat de rechter die beklaagde ook betrekt bij de motivering van de weigering van de opschorting ten aanzien van medebeklaagden die wel bijzondere omstandigheden tot staving van hun verzoek tot opschorting hebben aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de weigering tot opschorting niet op een voldoende wijze geïndividualiseerd zou zijn. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWONE OPSCHORTING Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wetboek van Strafvordering - Boek II, Titel I (Art. 137 tot en met 216septies) - 19-11-1808 - Art. 195 - 30 ELI link Pub nr 1808111901 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 3, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Tekst van de beslissing Nr. P.25.0612.N
- J. B., beklaagde,
- J. V., beklaagde,
- S. bv, beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Jewel De Vos, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 27 maart
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het arrest stelt vast dat de herstelvordering zonder voorwerp is. In zoverre tegen die beslissing gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van de beginselen van behoorlijk bestuur: door “wellicht enigszins impliciet” te oordelen dat de fase van de zogenaamde “zachte handhaving”, waarbij de vermoedelijke overtreder bij toepassing van artikel 6.2.3, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ertoe wordt aangemaand om de nodige maatregelen te nemen om het misdrijf te beëindigen en de gevolgen ervan ongedaan te maken, door de overheid, gelet op haar prerogatief, terecht werd overgeslagen aangezien de zogenaamde “harde handhavingsfase” reeds was ingezet door het opstellen van het proces-verbaal van 5 mei 2022, verantwoordt het arrest niet naar recht dat de overheid de beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft miskend; de “harde handhavingsfase” neemt niet noodzakelijk een aanvang met het opstellen van een proces-verbaal; het bestuur zelf erkent dat zij op 17 maart 2023 nog een aanmaning wilde versturen naar de eisers, zij het dat die aanmaning, die tot de “zachte handhaving” behoort, nooit werd verstuurd, waarna pas op 14 juli 2023 werd overgegaan tot de “harde handhavingsfase” door het inleiden van een herstelvordering bij het openbaar ministerie; hierdoor is het arrest ook niet regelmatig met redenen omkleed en berust het minstens op tegenstrijdige redenen, aangezien enerzijds het bestaan van de aanmaning van 17 maart 2023 wordt erkend maar anderzijds wordt aangenomen dat de “zachte handhaving” werd overgeslagen. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 6.2.3, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: het oordeel dat een aanmaning een instrument is van het preventieve handhavingsbeleid, is niet naar recht verantwoord; de aanmaning behoort immers niet tot het preventieve handhavingsbeleid maar wel tot het curatieve handhavingsbeleid, wat ook de wil van de wetgever was; het bestuur kan aldus ook nog overgaan tot een aanmaning nadat er reeds een proces-verbaal werd opgesteld.
- Het arrest oordeelt niet dat de fase van de “zachte handhaving” door de overheid, gelet op haar prerogatief, terecht werd overgeslagen. Het oordeelt wel (arrest, p. 9, derde alinea) dat “(h)et loutere feitenverloop, namelijk dat het stedenbouwkundige misdrijf reeds op 5 mei 2022 werd geverbaliseerd alvorens op 17 maart 2023 aan de vermoedelijke overtreders een aanmaning zou zijn verstuurd”, het desbetreffende verweer van de eisers in dit verband “zinledig (maakt)”. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- De appelrechters stellen vast (arrest, p. 8, nr. 2.2) dat de eisers aanvoeren dat de omstandigheid dat zij zonder enige aanmaning werden gedagvaard, strijdig is met de beginselen van behoorlijk bestuur en dat dit volgens hen een impact heeft op de ontvankelijkheid van de strafvordering, waarvan de herstelvordering deel uitmaakt, aangezien het kennelijk de intentie van de handhavers was om vooraf tot een aanmaning over te gaan in de zin van artikel 6.2.3, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening. Ze oordelen vervolgens (arrest, p. 8, nr. 2.3) dat die argumentatie niet wordt gevolgd en dat er geen reden is om de strafvordering niet-ontvankelijk te verklaren, op grond van onder meer de volgende redenen (arrest, p. 9): - de bevoegdheid tot aanmanen behoort tot het prerogatief van de toezichthoudende overheid; - te dezen kon een onmiddellijke opstart worden gerechtvaardigd door de vaststelling dat de flagrante overtreding (er was onder meer sprake van 500 m² aan niet-vergunde verhardingen) in landschappelijke waardevol agrarisch gebied zich al enige tijd bestendigde, met de verwachting dat de aanzienlijke ruimtelijke schade zou blijven bestaan of zelfs zou toenemen; - wat betreft het verwijt van de eisers dat meteen werd overgegaan tot het instellen van de strafvordering met herstelvordering waardoor hen de mogelijkheid werd ontnomen om te regulariseren, moet worden vastgesteld dat zij noch na kennisname van het aanvankelijk proces-verbaal van 5 mei 2022, noch na hun verhoor op 28 februari 2023 (cf. “wij willen regulariseren”) hun initiatief in die zin hebben geconcretiseerd. Een regularisatieaanvraag werd door de eisers pas op 25 maart 2024 ingediend, nadat zij op 19 september 2023 werden gedagvaard om te verschijnen voor de correctionele rechtbank.
- De loutere omstandigheid dat na de vaststelling van een stedenbouwkundig misdrijf de vermoedelijke overtreder niet werd aangemaand om de nodige maatregelen te nemen zoals bedoeld in artikel 6.2.3, § 2, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, leidt niet tot de onontvankelijkheid van de strafvordering of van de herstelvordering. Dat de verbalisanten ruimtelijke ordening vóór het instellen van de strafvordering te kennen hadden gegeven toepassing te willen maken van die bepaling, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden en is het bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 3 Probatiewet: de beslissing tot weigering van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling (hierna de opschorting) is niet regelmatig met redenen omkleed; hoewel de eisers allen om de opschorting hebben verzocht, werd in hun appelconclusie benadrukt dat een blanco strafblad vooral voor de eerste en de tweede eisers van belang is, aangezien zij als bestuurders van een ingenieursbureau vaak inschrijven op overheidsopdrachten en een strafrechtelijke veroordeling een signaal zou kunnen zijn voor opdrachtgevende besturen om inschrijvingen af te wijzen, wat de omzet drastisch zou doen dalen en een negatieve weerslag zou hebben op het personeelsbestand; het arrest maakt echter geen onderscheid tussen, eensdeels, de eerste eiser en de tweede eiseres en, anderdeels, de derde eiseres, zodat een geïndividualiseerde motivering voor elke eiser ontbreekt; in tegenstelling tot de eerste eiser en de tweede eiseres heeft de derde eiseres geen specifieke omstandigheden aangevoerd om het nadeel van een strafrechtelijke veroordeling te staven (eerste onderdeel); het oordeel dat de eisers al op voorhand wisten dat zij door een veroordeling op hun strafregister overheidsopdrachten zouden kunnen mislopen, is zeer algemeen en weinig geïndividualiseerd; uit een dergelijke algemene weigering, waardoor geen enkele beklaagde ooit nog aanspraak zou kunnen maken op een opschorting, kunnen de eerste eiser en de tweede eiseres niet afleiden waarom er geen rekening werd gehouden met de door hen aangevoerde omstandigheden en waarom hen de opschorting werd geweigerd; de opschorting werd aldus geweigerd op basis van een standaardformulering die geen belangenafweging inhoudt tussen, eensdeels, de belangen van de eerste eiser en de tweede eiseres en, anderdeels, de doeleinden van de strafvordering (tweede onderdeel).
- Uit artikel 3, vierde lid, Probatiewet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 149 Grondwet volgt dat: - indien de rechter een verzoek om opschorting van de uitspraak van veroordeling afwijst, uit zijn beslissing moet blijken dat hij dit verzoek en de stavende gronden daartoe in aanmerking heeft genomen en hij nauwkeurig de redenen vermeldt voor de weigeringsbeslissing; - indien de beklaagde in een conclusie concrete elementen heeft aangevoerd tot staving van zijn verzoek om opschorting, de rechter die elementen moet beantwoorden zonder evenwel op elk argument te moeten ingaan; - de rechter de afwijzing van het verzoek om opschorting kan motiveren of mede motiveren door opgave van de redenen die hij vermeldt ter verantwoording van het uitspreken van straffen; - indien een beklaagde concrete elementen heeft aangevoerd betreffende de gevolgen van de straf voor zijn reclassering en resocialisering, uit de rechterlijke beslissing een afweging moet blijken tussen eensdeels de zwaarwichtigheid van de te beoordelen feiten en de persoonlijkheid van de beklaagde en anderdeels de nadelige effecten van een al dan niet effectieve bestraffing voor zijn reclassering en resocialisering.
- Wanneer een beklaagde om de opschorting verzoekt zonder dit verzoek nader te staven of hierbij bijzondere omstandigheden aan te voeren, kan de rechter de weigering van die opschorting regelmatig met redenen omkleden door de vermelding van de redenen waarom een bepaalde straf moet worden opgelegd. Uit de loutere omstandigheid dat de rechter die beklaagde ook betrekt bij de motivering van de weigering van de opschorting ten aanzien van medebeklaagden die wel bijzondere omstandigheden tot staving van hun verzoek tot opschorting hebben aangevoerd, kan niet worden afgeleid dat de weigering tot opschorting niet op een voldoende wijze geïndividualiseerd zou zijn.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 12, nr. 5) oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Het motiveert de aan de eisers opgelegde straffen en de verwerping van de door de eisers gevraagde opschorting als volgt : - de eisers zijn gepokt en gemazeld in de vastgoedsector. Zij gaven blijk van een eigengereid optreden. De eisers meenden dat zij hun zin konden doen en de ruimtelijke ordening naar hun specifieke wensen mochten inrichten. Hun afkeurenswaardige ingesteldheid bestond erin zich niets aan te trekken van omgevingsvoorschriften en vervolgens een regularisatie trachten af te dwingen; - gelet op de beroepsbezigheden van de eisers is de vaststelling dat zij zich aan dergelijke feiten hebben bezondigd een verzwarende factor. Van de eisers mocht immers worden verwacht dat zij de wetgeving kenden en stipt toepasten; - bij de straftoemeting houdt het hof van beroep rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waarin de feiten plaatsvonden, de inmiddels verstreken tijd sinds de feiten en met het blanco strafrechtelijk verleden van de eisers; - het opschorten van de uitspraak van de veroordeling, zoals door de eisers in hoofdorde gevraagd, zou de doeleinden van de strafvordering niet verwezenlijken. Dat de eisers door de vermelding van een veroordeling op hun strafregister overheidsopdrachten zouden kunnen mislopen, wisten zij al op voorhand en zij hadden het risico kunnen vermijden. Deze omstandigheid kan dan ook geen reden zijn om de uitspraak van de strafrechtelijke veroordeling op te schorten: - de door de eerste rechter aan ieder van de eisers opgelegde geldboete is wettig en noodzakelijk om hen te doen inzien dat zij niet naar eigen goeddunken konden beschikken over het kwestieuze onroerend goed en dat zij de stedenbouwkundige normen, die een goede ruimtelijke ordening beogen, moeten naleven, alsook om herhaling te voorkomen; - de eisers voldoen aan de voorwaarden gesteld door artikel 8 Probatiewet. De omstandigheden van de zaak laten een reclassering van de betrokkenen verhopen, zodat in het bestreden vonnis elk van de eisers terecht een uitstel van de tenuitvoerlegging ten belope van de helft van de op te leggen geldboete wordt verleend. De helft van de geldboete blijft effectief, om de eisers tot het inzicht te brengen dat het niet loont om de opgelegde omgevingsvergunningsvoorwaarden te omzeilen. Met die redenen, die geen standaardformulering inhouden maar in het licht van de appelconclusie van de eisers voldoende precies en geïndividualiseerd zijn en de eisers toelaten de beslissing te begrijpen, omkleden de appelrechters de weigering tot het verlenen van opschorting regelmatig met redenen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 5 Strafwetboek: met de enkele reden dat de derde eiseres strafrechtelijk verantwoordelijk is voor de bewezen telastlegging aangezien het misdrijf een intrinsiek verband heeft met de verwezenlijking van haar maatschappelijk doel en voor haar rekening is gepleegd, verantwoorden de appelrechters de schuldigverklaring van de derde eiseres niet naar recht en omkleden zij de beslissing in dit verband niet regelmatig met redenen; de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van de rechtspersoon is geen loutere afgeleide van die van de natuurlijke personen, maar houdt een autonome verantwoordelijkheid in; het arrest bevat evenwel geen feitelijke en concrete motivering voor de schuld van de derde eiseres maar beperkt zich tot een herneming van de bewoordingen van de wet.
- Bij afwezigheid van specifiek aangevoerd verweer over de in artikel 5 Strafwetboek bepaalde vereisten voor de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van een rechtspersoon, dient de rechter niet in het bijzonder te motiveren waarom hij die verantwoordelijkheid bij de rechtspersoon voorhanden acht. Door te oordelen dat aan die vereisten, omschreven in de bewoordingen van de wet, is voldaan, verantwoordt de rechter de schuldigverklaring van de rechtspersoon naar recht en is die beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241112.2N.26 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div