id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 7
, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen:
Art. 7
, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 3 - 5 Indien de beklaagde in een regelmatig ingediende conclusie uitdrukkelijk heeft gewezen op het disproportioneel karakter van een straf in de zin van artikel 7, § 2, tweede lid, Strafwetboek, alsook op ongewenste neveneffecten als bedoeld door artikel 7, § 2, derde lid, Strafwetboek, moet uit de rechterlijke beslissing blijken dat de rechter die aanvoeringen bij zijn beoordeling heeft betrokken, alsook waarom ze niet van aard waren om anders te oordelen; die motiveringsverplichting vloeit in dat geval voort uit artikel 149 Grondwet; het is daarbij evenwel noodzakelijk dat de beklaagde uitdrukkelijk aangeeft dat de door hem aangevoerde gegevens ongewenste neveneffecten zijn als bedoeld door artikel 7, § 2, derde lid, Strafwetboek. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048
Art. 7
, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048
Art. 7
, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Wettelijke bepalingen: De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 149 - 30 ELI link Pub nr 1994021048
Art. 7, § 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.26.0068.N E. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 9 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 7, § 2, Strafwetboek: het arrest maakt geen melding van dit artikel bij de toegepaste wetsbepalingen; uit de motieven van het arrest blijkt niet dat de appelrechters de ongewenste neveneffecten van de straf voor de eiser zelf (de onmogelijkheid om nog zijn job als geneesheer te kunnen uitoefenen met verlies van de enige bron van inkomen tot gevolg voor een termijn van tien jaar), zijn omgeving en de samenleving (onder meer zijn patiënten en de artsen in opleiding die hij opleidt en begeleidt en zijn algemene beschikbaarheid) in overweging hebben genomen, noch dat zij op grond daarvan de proportionaliteit van de straf hebben beoordeeld; de eiser had in zijn appelconclusie aangevoerd dat een ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen een bijzonder disproportionele straf-maatregel zou zijn, daar waar het voorschrijfgedrag van de eiser zich heeft beperkt tot één geïsoleerde en zeer specifieke situatie en er geen sprake was van een daadwerkelijk misbruik, laat staan op grote schaal, dat een beroepsverbod zou kunnen verantwoorden; de eiser heeft ook aangevoerd dat hij al 37 jaar huisarts is, dat hij een onberispelijke staat van dienst heeft, hij een erg uitgebreid patiëntenbestand heeft, hij veel wachtdiensten doet en hij geregeld instaat voor het opleiden en begeleiden van huisartsen in opleiding.
- Artikel 7, § 2, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter binnen de grenzen van de wet moet zoeken naar een rechtvaardige proportionaliteit tussen het misdrijf en de straf.
- Artikel 7, § 2, derde lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter alvorens een straf uit te spreken niet enkel de in het eerste lid van die bepaling vermelde doelstellingen in overweging moet nemen, maar ook de ongewenste neveneffecten ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving.
- Die bepalingen schrijven weliswaar voor met welke elementen de rechter bij de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat rekening moet houden, maar zij bevatten zelf geen motiveringsverplichting.
- Bovendien volgt uit de omstandigheid dat de rechter niet uitdrukkelijk de ongewenste neveneffecten ten aanzien van de rechtstreeks betrokken personen, hun omgeving en de samenleving in zijn beslissing heeft vermeld, niet dat hij deze niet bij zijn beoordeling heeft betrokken.
- Indien de beklaagde in een regelmatig ingediende conclusie uitdrukkelijk heeft gewezen op het disproportioneel karakter van een straf in de zin van artikel 7, § 2, tweede lid, Strafwetboek, alsook op ongewenste neveneffecten als bedoeld door artikel 7, § 2, derde lid, Strafwetboek, moet uit de rechterlijke beslissing blijken dat de rechter die aanvoeringen bij zijn beoordeling heeft betrokken, alsook waarom ze niet van aard waren om anders te oordelen. Die motiveringsverplichting vloeit in dat geval voort uit artikel 149 Grondwet.
- Het is daarbij evenwel noodzakelijk dat de beklaagde uitdrukkelijk aangeeft dat de door hem aangevoerde gegevens ongewenste neveneffecten zijn als bedoeld door artikel 7, § 2, derde lid, Strafwetboek.
- In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het verweer dat de eiser heeft gevoerd betreffende de tegen hem uitgesproken ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen, is opgenomen onder punt IV.7 (“Middel 7: Uiterst ondergeschikt. Met betrekking tot de strafmaat. Wat betreft het opgelegde levenslange beroepsverbod”) van zijn appelsyntheseconclusie (p. 38-40, randnr. 198-212). Hij maakt daarbij geen melding van het verlies van de enige bron van inkomen en evenmin van het gegeven dat hij artsen in opleiding opleidt en begeleidt en of van zijn algemene beschikbaarheid. Hij vermeldt weliswaar onder punt II (“In feite”) van zijn appelconclusie (p. 3-4, randnr. 10-15) dat hij al 37 jaar huisarts is met een zelfstandige praktijk, een onberispelijke staat van dienst heeft, een zeer gerespecteerd en gewaardeerd arts is, die bekend staat als een zeer bekwaam medicus, met een grote luisterbereidheid, steeds paraat, steeds bereikbaar en zeer hardwerkend, hij een erg uitgebreid patiëntenbestand heeft, hij daarenboven ook veel wachtdiensten doet en hij ook geregeld instaat voor het opleiden en begeleiden van huisartsen in opleiding. De eiser heeft deze zelf gemaakte beschrijving van zijn persoonlijkheid niet aangevoerd in het kader van zijn verweer betreffende de bijkomende straf van de ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van de appelsyntheseconclusie van de eiser en mist het feitelijke grondslag.
- De eiser heeft betreffende de ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen wel het volgende aangevoerd: - het opleggen van een beroepsverbod is een facultatieve straf of maatregel die enkel ingeval van manifeste misbruiken is verantwoord; - de eiser heeft nooit andere bedoelingen gehad dan het verstrekken van de nodige medische zorgen aan zijn patiënte; - hij heeft in eer en geweten alles in het werk gesteld om zijn patiënte te helpen en aan haar hulpvraag tegemoet te komen; - de eiser is een gerespecteerde en toegewijde arts die een bijzondere waardering geniet van zijn patiënten, die voor veel patiënten een belangrijke vertrouwenspersoon is en die vertrouwen geniet in de medische beroepssector; - een beroepsverbod lijkt in het licht van de feiten helemaal niet aan de orde; - dit zou een bijzonder disproportionele straf of maatregel zijn, daar waar het voorschrijfgedrag van de eiser zich in casu heeft beperkt tot één geïsoleerde en zeer specifieke situatie; - er is geen enkele reden om te twijfelen aan de waarachtigheid dat de herhaalde verklaringen van wijlen L. dat haar medicatie door haar familie of broer werd weggenomen, zodat het voorschrijfgedrag van de eiser met de nodige nuance moet worden beoordeeld; - volgens de bij het RIZIV bekende statistieken betreffende het voorschrijfgedrag bevindt de eiser zich klaarblijkelijk perfect op het gemiddelde en is hij geen veelschrijver; - er is dan ook geen sprake van een daadwerkelijk misbruik, laat staan op grote schaal, dat een beroepsverbod zou verantwoorden.
- Er blijkt niet dat de eiser met die aanvoeringen het appelgerecht uitdrukkelijk heeft gewezen op ongewenste neveneffecten in de zin van artikel 7, § 2, derde lid, Strafwetboek van de bijkomende straf van de ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen. Het appelgerecht is dan ook niet ertoe gehouden ter zake standpunt in te nemen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - er bestaat niet de minste redelijke twijfel over dat de eiser als arts misbruik maakte van het voorschrijven, toedienen of afleveren van geneesmiddelen die slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotrope stoffen bevatten welke afhankelijkheid kunnen teweegbrengen, onderhouden of verergeren, door de onder de telastlegging B nader omschreven medicatie, die tot deze categorieën behoort, onterecht voor te schrijven aan wijlen L.; - uit het deskundigenverslag komt naar voor dat de voormelde geneesmiddelen voorgeschreven door de eiser middels de voorschriften bedoeld onder de telastlegging B medisch gezien niet verantwoord waren, geen therapeutisch doel dienden en vooral niet passend en correct voor wijlen L. konden worden beschouwd; - de eiser schreef volgens het deskundigenverslag met deze voorschriften medicatie voor die haar verslaving in de hand werkte en niet aangewezen was in het licht van haar medische problematiek en zelfs gevaarlijk was; - het verweer van de eiser dat de door hem voorgeschreven medicatie een therapeutisch doel diende, is niet aannemelijk; - het is in het licht van de strafinformatie zonneklaar dat het afleveren door de eiser van de voorschriften aan L., niettegenstaande hij op de hoogte was van haar problematiek, niks te maken had met een door hem gemaakte professionele inschatting van de therapeutische noden van wijlen L., maar enkel werden ingegeven door zijn wens om haar ter wille te zijn om redenen die aan dit laatste volledig vreemd waren; - meer bepaald beoogde de eiser tijdens de geïncrimineerde periode klaarblijkelijk een relatie aan te gaan of verder te zetten met wijlen L.; - er wordt vastgesteld dat het ook voor derden manifest duidelijk was dat er een rechtstreeks verband bestond tussen het gemak waarmee L. grote aantallen voorschriften voor de medicatie verkreeg en haar abnormaal dichte relatie met de eiser; - uit berichten bleek dat de eiser zijn liefde betuigde aan wijlen L. en haar terzelfdertijd bepaalde medicatie beloofde, waarvoor hij het voorschrift meermaals zelf in de brievenbus ging stoppen en dat de eiser daarbij simpelweg de medicatie voorschreef die wijlen L. wenste te verkrijgen; - de conclusie is dat de eiser tijdens de geïncrimineerde periode bedoeld onder de telastlegging B als arts misbruik maakte van het voorschrijven, toedienen of afleveren van geneesmiddelen die slaapmiddelen, verdovende middelen of psychotrope stoffen bevatten welke afhankelijkheid kunnen teweegbrengen, onderhouden of verergeren, door de onder de telastlegging B bedoelde geneesmiddelen onterecht voor te schrijven aan wijlen L., meer bepaald zonder dat zulks een daadwerkelijk medisch-therapeutisch doel diende, maar enkel omdat zij om deze medicatie had verzocht, waarbij de eiser slechts beoogde haar ter wille te zijn teneinde met haar een liefdesrelatie te kunnen aangaan of verderzetten; - uit de strafinformatie blijkt dat de eiser grote hoeveelheden voorschriften afleverde, ook zonder dat er sprake van was dat de burgerlijke partij D. geneesmiddelen zou hebben weggenomen; - terwijl het medisch dossier van wijlen L. wemelde van de verwijzingen naar haar verslavingsproblematiek, onder meer betreffende slaapmiddelen en benzodiapines, en haar mentale toestand de laatste maanden van haar leven kennelijk steeds verder achteruit ging, vond de eiser er niets beter op dan haar simpelweg voor te schrijven wat zij wenste, met als enige bedoeling om haar te behagen teneinde een intieme relatie met haar te kunnen aangaan of te kunnen verderzetten; - dit getuigt van een aanstootgevende lichtzinnigheid en een elementair gebrek aan professioneel en deontologisch fatsoen, dat tevens een gevaar voor de volksgezondheid teweegbrengt; - de eiser moet bij toepassing van artikel 4, § 2, Drugwet worden ontzet van het recht van de uitoefening van de geneeskunde gedurende een termijn van tien jaar, ontzetting die noodzakelijk is nu de eiser als arts blijk heeft gegeven van een zeer verregaande lichtzinnigheid en onverantwoordelijkheid in de uitoefening van de geneeskunde; - er is geen sprake van een éénmalige fout of blunder, de eiser heeft maandenlang L., die manifest middelenverslaafd was, alle medicatie voorgeschreven die zij maar wenste, met als enige bedoeling om haar te behagen teneinde een intieme relatie met haar te kunnen aangaan of verderzetten; - de mentaliteit waarvan de eiser blijk gaf, impliceert een gevaar voor de volksgezondheid en de ontzetting zal dit gevaar neutraliseren en is derhalve noodzakelijk. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het door de eiser gevoerde verweer betreffende de bijkomende straf van de ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen en maakt het de eiser duidelijk waarom die bijkomende straf niet disproportioneel is. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM: de ontzetting van het recht de geneeskunde uit te oefenen wordt uitgesproken met enige reden dat dit noodzakelijk zou zijn om een gevaar voor de volksgezondheid te neutraliseren; uit het arrest blijkt evenwel dat de veroordeling van de eiser betrekking heeft op het voorschrijfgedrag ten aanzien van één welbepaalde patiënte in een specifieke context en niet ten aanzien van verschillende of alle patiënten die hij behandelt; door op die enkele grond en zonder over te gaan tot een onderzoek van de ongewenste neveneffecten van deze ontzetting voor de eiser zelf, zijn omgeving en de samenleving wordt de vermelde verdragsbepaling geschonden.
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit de vergeefs met het eerste onderdeel aangevoerde wetsschendingen en is dan ook bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 130,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div