id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 35
, eerste lid, 9° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het
Art. 35
, eerste lid, 9° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Wet 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het
Art. 35, eerste lid, 9° - 34 ELI link Pub nr 1986016195 Tekst van de beslissing Nr.
P.25.1624.N J. V.D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marie-Hélène Debaere, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, tegen
- G. B., burgerlijke partij, verweerder,
- K. V., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 7 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Op 24 februari 2026 heeft advocaat-generaal Dirk Schoeters ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie ingediend. Op de rechtszitting van 17 maart 2026 heeft raadsheer Jos Decoker verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 35, 9°, Dierenwelzijnswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat er niet noodzakelijk penetratie moet zijn voor het hebben van seksuele betrekkingen met een dier; uit de parlementaire voorbereidingen van deze bepaling blijkt dat onder “seksuele betrekkingen” moet worden verstaan, hetzij het bevredigen van het dier, hetzij penetratie van het dier of door een dier (eerste onderdeel), het arrest definieert en specificeert niet wat het hebben van seksuele betrekkingen met dieren inhoudt en het maakt ook niet het onderscheid met het stellen van seksuele handelingen op dieren (tweede onderdeel).
- Artikel 35, 9°, Dierenwelzijnswet, zoals hier van toepassing, stelt het hebben van seksuele betrekkingen met dieren strafbaar.
- Uit de wetsgeschiedenis van deze bepaling volgt niet dat het begrip “seksuele betrekkingen”, zoals bedoeld in artikel 35, 9°, Dierenwelzijnswet, penetratie door mens of dier vereist.
- Met seksuele betrekkingen in de zin van die bepaling worden integendeel alle daden op een dier bedoeld die de pleger van het misdrijf stelt met een voor hem onmiskenbaar seksuele bedoeling.
- Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de Vlaamse decreetgever deze bepaling, met de inwerkingtreding van artikel 24, eerste lid, 3°, Vlaamse Codex Dierenwelzijn van 17 mei 2024 op 1 januari 2025, heeft vervangen door het strafrechtelijk beteugeld verbod om “seksuele handelingen” met dieren te stellen, terwijl uit de wetsgeschiedenis van deze laatste bepaling blijkt dat het begrip “seksuele handelingen” nog ruimer is bedoeld dan het begrip “seksuele betrekkingen”.
- De rechter beoordeelt voor het overige onaantastbaar of er sprake is geweest van seksuele betrekkingen met een dier. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen onmogelijk te verantwoorden gevolgen afleidt.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 8, nr. 5) verwijst naar het oordeel van de eerste rechter dat het duidelijk is dat de eiser de hond met zijn geslachtsdeel heeft gepenetreerd of minstens de geslachtsdelen van zichzelf en de hond bij elkaar heeft gebracht en hierbij bewegingen van seksuele aard heeft uitgevoerd. Het arrest (p. 8, nr. 5) oordeelt verder dat nauwgezet nazicht van de camerabeelden door het hof van beroep aantoont dat de eiser op 24 juli 2023 seksuele handelingen heeft gesteld met de hond, zoals beschreven in het feitenoverzicht en de schuldoverwegingen van het beroepen vonnis. Het arrest (p. 10) oordeelt vervolgens: - om de schuld van de eiser vast te stellen in deze zaak, moet niet enkel zijn aangetoond dat hij seksuele handelingen met de hond stelde, maar ook dat hij met het dier seksuele betrekkingen had; - de eiser kan niet worden gevolgd dat, opdat er sprake is van het hebben van seksuele betrekkingen met een dier, moet zijn aangetoond dat het dier seksueel gepenetreerd werd of, maar hier niet van toepassing, dat het dier de mens seksueel penetreerde; - de vereiste van seksuele penetratie is niet bepaald in de Dierenwelzijnswet; - maar wel is het zo dat nog steeds moet aangetoond zijn dat de eiser seksuele betrekkingen had met het dier; - voor het bewijs van seksuele betrekkingen is het niet nodig dat er sprake was van uitgebreide of complexe handelingen; - evenmin moeten seksuele betrekkingen met een dier beantwoorden aan het beeld van seksuele betrekkingen met en tussen enkel mensen; - het volstaat dat de eiser feitelijk seksuele handelingen stelt met een dier op een wijze dat deze als seksuele betrekkingen zijn te aanzien; - hierbij moet rekening worden gehouden met het onvermogen van dieren om toestemming te geven, maar ook met het onvermogen om toestemming te weigeren; - op de in het arrest al uitgebreid beschreven beelden is te zien dat de eiser de achterpoten van het dier optilt, hij met zijn middel tegen het achterwerk van het dier komt te staan, terwijl de hond steunt op de voorpoten; - dan maakt de eiser met zijn bekken en middel horizontaal een vijftal stotende, pompende bewegingen tegen het achterwerk van de hond, alsof hij met het dier copuleert; - ook is te zien dat de eiser vooraf regelmatig zijn geslachtsdeel manipuleerde, hij het dier wenkte en hij het dier liet ruiken aan zijn geslachtsdeel; - dit samen maakt naar het oordeel van het hof van beroep het hebben van seksuele betrekkingen met het dier uit; - dat dit een kortstondige gebeurtenis was, belet niet dat er sprake was van seksuele betrekkingen met het dier.
- Met die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eiser seksuele betrekkingen had met een dier. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest kan niet zomaar oordelen dat het volstaat dat de eiser feitelijke seksuele handelingen stelt met een dier op een wijze dat deze als seksuele betrekkingen zijn te aanzien; het definieert en specificeert het hebben van seksuele betrekkingen met dieren niet en het maakt ook niet het onderscheid met het stellen van seksuele handelingen op dieren.
- Het middel is geheel afgeleid uit de met het eerste middel vergeefs aangevoerde wetsschendingen. Het middel is bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.2 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260317.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div