id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 17 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 8
.3.c Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/5, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) -
Art. 8
.3.c Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/5, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Fiches 3 - 4 Bij de beoordeling van de wettigheid van de op grond van de bepalingen van artikel 74/5, § 1, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet en artikel 8.3.c Opvangrichtlijn genomen beslissing tot vasthouding in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats, die wordt genomen om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van een verzoeker om internationale bescherming om het grondgebied te betreden, mag het onderzoeksgerecht rekening houden met het feit dat door de verzoeker aan de grens valse documenten werden voorgelegd, zonder dat dit onderzoeksgerecht er moet van uitgaan dat het voorleggen van valse documenten slechts het niet-vervullen van een binnenkomstformaliteit betreft of eigen is aan de hoedanigheid van een verzoeker om internationale bescherming. Thesaurus CAS: VREEMDELINGEN Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) -
Art. 8
.3.c Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/5, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Wettelijke bepalingen: Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (herschikking) -
Art. 8
.3.c Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen - 15-12-1980 - Art. 74/5, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1980121550 Tekst van de beslissing Nr. P.26.0245.N M. D., vreemdeling, vastgehouden, eiser, met als raadslieden mr. Simon Decoster en mr. Claire Deveux, beiden advocaat bij de balie Brussel, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister bevoegd voor Asiel en Migratie, met kantoor te 1000 Brussel, Lambermontstraat 2, tussenkomende partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 12 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Jos Decoker heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 5 EVRM, de artikelen 1 tot en met 4 en 7 Handvest Grondrechten EU, de artikelen 8.1, 8.2 en 8.3 van de Richtlijn nr. 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (hierna Opvangrichtlijn) en artikel 74/5 Vreemdelingenwet: het arrest stelt ten onrechte vast dat er “geen sprake [is] van het louter vaststellen van het niet in het bezit zijn van de binnenkomstdocumenten en het niet kunnen overleggen van documenten ter staving van het doel en verblijfsomstandigheden van het voorgenomen verblijf” omdat “in tegenstelling tot hetgeen [de eiser] voorhoudt het hier niet enkel een geval van niet vervullen van binnenkomstformaliteiten [betreft], hetgeen artikel 8.3.a van de Opvangrichtlijn viseert, doch het trachten het Rijk binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 Vreemdelingenwet gestelde voorwaarden te voldoen én het doen van een verzoek om internationale bescherming aan de grens met gebruik van valse documenten”, nu het voorleggen van valse documenten bij het binnenkomen van België na een vlucht uit het land van herkomst eigen is aan de hoedanigheid van een asielzoeker, dit het niet-vervullen van de binnenkomstformaliteiten betreft, wat de vasthouding van een asielzoeker niet rechtvaardigt en er geen andere wettelijke basis werd aangehaald voor de bestuurlijke beslissing. Er wordt gevraagd om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Dienen de artikelen 8.2 en 8.3.c Opvangrichtlijn, gelezen in samenhang met de artikelen 5 en 52, eerste lid, Handvest Grondrecht EU, aldus te worden uitgelegd dat een lidstaat een verzoeker om internationale bescherming in bewaring mag stellen enkel na het uitvaardigen van een terugdrijvingsmaatregel na de loutere vaststelling dat de verzoeker niet in het bezit is van de binnenkomstdocumenten en dat hij geen documenten kan overleggen ter staving van het doel en de verblijfsomstandigheden van het voorgenomen verblijf?”
- Artikel 8.1 Opvangrichtlijn bepaalt dat de lidstaten een persoon niet in bewaring houden om de enkele reden dat hij een verzoeker is overeenkomstig Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming.
- Artikel 8.2 Opvangrichtlijn bepaalt dat, in de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, de lidstaten een verzoeker in bewaring mogen houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
- Volgens artikel 8.3 Opvangrichtlijn mag een verzoeker om internationale bescherming alleen in bewaring worden gehouden, onder meer: c) om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden.
- Artikel 74/5, § 1, eerste lid, 2°, Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling die tracht het Rijk binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 van de wet gestelde voorwaarden te voldoen en een verzoek om internationale bescherming doet aan de grens mag worden vastgehouden, in een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied, in afwachting van de machtiging om in het Rijk toegelaten te worden of van zijn terugdrijving van het grondgebied.
- Artikel 74/5, § 1, tweede lid, Vreemdelingenwet verduidelijkt dat geen vreemdeling mag worden vastgehouden om de enkele reden dat hij een verzoek om internationale bescherming heeft gedaan.
- Artikel 56 van de wet van 21 november 2017 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van de wet van 12 januari 2007 betreffende de opvang van asielzoekers en van bepaalde andere categorieën van vreemdelingen, heeft artikel 74/5 Vreemdelingenwet gewijzigd. Uit de wetsgeschiedenis van deze wet vloeit voort dat de wetgever artikel 8.3.c Opvangrichtlijn heeft omgezet, om de administratieve overheid toe te laten een verzoeker van internationale bescherming, die niet aan de voorwaarden voor toegang tot het grondgebied voldoet, in een welbepaalde plaats, gesitueerd in het grensgebied vast te houden, alsook om “in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker [van internationale bescherming] om het grondgebied te betreden”, zoals het vermelde artikel 8.3.c het voorziet.
- Bij de beoordeling van de wettigheid van de op grond van bovenvermelde bepalingen genomen beslissing tot vasthouding in een welbepaalde aan de grens gelegen plaats, die wordt genomen om in het kader van een procedure een beslissing te nemen over het recht van een verzoeker om internationale bescherming om het grondgebied te betreden, mag het onderzoeksgerecht rekening houden met het feit dat door de verzoeker aan de grens valse documenten werden voorgelegd, zonder dat dit onderzoeksgerecht er moet van uitgaan dat het voorleggen van valse documenten slechts het niet-vervullen van een binnenkomstformaliteit betreft of eigen is aan de hoedanigheid van een verzoeker om internationale bescherming.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 5) stelt vast dat de beslissing tot vasthouding is gesteund op volgende motieven: de vasthouding wordt noodzakelijk geacht om de eventuele terugdrijving van het grondgebied te waarborgen, de vasthouding is geenszins uitsluitend omdat om internationale bescherming werd verzocht; de vasthouding werd op individuele wijze beoordeeld aangezien werd getracht het Rijk binnen te komen zonder de bij artikel 2 Vreemdelingenwet vereiste documenten en zonder te voldoen aan de in artikel 3 van die wet gestelde voorwaarden én een verzoek tot internationale bescherming werd ingediend; de vasthouding wordt noodzakelijk geacht om een eventuele terugkeer door de verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij mogelijk te maken daar valse of misleidende informatie of andere onwettige middelen werden gebruikt in het kader van een procedure voor internationale bescherming. Het arrest oordeelt dat deze motieven overeenstemmen met de bepalingen van artikel 8.3.c en 8.3.d Opvangrichtlijn. Het arrest (p. 7) oordeelt ook dat de motivering van de beslissing tot vasthouding de beoordeling van de beginselen van noodzakelijkheid en subsidiariteit inhoudt en de vasthouding in het bijzonder noodzakelijk wordt geacht om de eventuele terugdrijving van het grondgebied te waarborgen. Concreet wordt volgens het arrest aangehaald dat de eiser het grondgebied probeerde binnen te komen met vervalste reisdocumenten én een verzoek om internationale bescherming indiende, een minder dwingende maatregel niet kan worden toegepast aangezien het automatisch opheffen van een vasthoudingsmaatregel bij een verzoek tot internationale bescherming aan de grens de grensbewaking van elk effect zou beroven en aangezien een eventuele terugkeer van de eiser door de verantwoordelijke luchtvaartmaatschappij mogelijk moet worden gemaakt. Het arrest (p. 8) oordeelt verder dat, in tegenstelling tot hetgeen de eiser voorhoudt, het hier niet enkel een geval van niet-vervullen van binnenkomstformaliteiten betreft, hetgeen artikel 8.3.a Opvangrichtlijn viseert, doch het trachten het Rijk binnen te komen zonder aan de in de artikelen 2 en 3 Vreemdelingenwet gestelde voorwaarden te voldoen én het doen van een verzoek om internationale bescherming aan de grens met gebruik van valse documenten en dat er derhalve geen sprake is van het louter vaststellen van het niet in het bezit zijn van de binnenkomstdocumenten en het niet kunnen voorleggen van documenten ter staving van het doel en verblijfsomstandigheden van het voorgenomen verblijf.
- Het middel dat niet al deze redenen in zijn kritiek betrekt, maar integendeel ervan uitgaat dat volgens de appelrechters het enkele feit van het niet-vervullen van binnenkomstformaliteiten de maatregel tot vasthouding rechtvaardigt, berust op een onjuiste lezing van het arrest. In zoverre mist het middel feitelijk grondslag.
- Met deze redenen verantwoorden de appelrechters voor het overige hun beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Artikel 267 VWEU verplicht een nationaal rechtscollege niet om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen wanneer de vraag niet relevant is voor de zaak waarvan het kennisneemt.
- Het Hof acht de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, gelet op de onjuiste lezing van het arrest waarvan het middel uitgaat, niet relevant voor de zaak, zodat de opgeworpen vraag niet dient te worden gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 17 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260317.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div