id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 19 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 828
, 1° en 9° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 2 Hoewel de omstandigheid dat een rechter eerder in kort geding heeft geoordeeld over een zaak niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat hij nadien niet meer ten gronde kan oordelen over het geschil, is dat wel het geval wanneer hij zich in kort geding reeds een oordeel heeft gevormd over geschilpunten waarover hij ten gronde dient te oordelen. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 828
, 1° en 9° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 3 Dat de kortgedingrechter slechts prima facie oordeelt of een voldoende schijn van recht bestaat om een maatregel in kort geding te verantwoorden en dat zijn beslissing de rechter ten gronde niet bindt, doet in dergelijk geval niet eraan af dat hij reeds eerder kennis heeft genomen van het geschil in de zin van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek en dat gewettigde twijfel kan bestaan over zijn geschiktheid om nog op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen; de mogelijkheid om na de oordeelsvorming in kort geding, onafhankelijk en onpartijdig ten gronde te oordelen omtrent hetzelfde geschil, is dan minstens ogenschijnlijk in het gedrang. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 828
, 1° en 9° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Fiche 4 Een beoordeling in kort geding en vervolgens ten gronde staat in geval dat gewettigde twijfel kan bestaan over de geschiktheid van de rechter om nog op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen niet gelijk met het gewone verloop van opeenvolgende fases van een procedure, waarop de in artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzonderingen doelen, zoals het geval waarbij een rechter in een eerste fase met toepassing van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek onderzoeksmaatregelen of louter bewarende maatregelen treft en in een tweede fase ten gronde oordeelt. Thesaurus CAS: WRAKING Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Deel IV: BURGERLIJKE RECHTSPLEGING. (art. 664 tot 1385octiesdecies) -
Art. 828, 9° - 04 ELI link Pub nr 1967101055 Tekst van de beslissing Nr.
C.26.0064.N STELLANTIS BELUX nv, met zetel te 1130 Brussel, Bourgetlaan 20 bus 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.461.107, verzoekster tot wraking, met als raadsman mr. Ariane Destrycker, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 235, in de zaak aanhangig voor de kamer B8E1 van het hof van beroep te Antwerpen, met rolnummer 2024/AR/1653, tussen: STELLANTIS BELUX nv, voornoemd, geïntimeerde, met als raadsman mr. Ariane Destrycker, voornoemd, en E.C.B. – CARS bv, met zetel te 2910 Essen, Kapelstraat 40, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0459.826.124, appellante, met als raadsman mr. Hans Van de Wal, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Scheldestraat
- I. VORDERING Het verzoek tot wraking is neergelegd op de griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 februari 2026 en overeenkomstig artikel 836, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek overhandigd aan de gewraakte magistraat. Het verzoekschrift is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven. De gewraakte magistraat, kamervoorzitter B. P., heeft op 20 februari 2026 de in artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven verklaring gedaan, volgens welke zij weigert zich van de zaak te onthouden. II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. III. BESLISSING VAN HET HOF
- De verzoekster vordert de wraking van kamervoorzitter B. P. in een zaak voor behandeling in de kamer B8E1 van het hof van beroep te Antwerpen. Zij vordert die wraking wegens wettige verdenking in de zin van artikel 828, 1° en 9°, Gerechtelijk Wetboek.
- De zaak ten gronde betreft de verderzetting van de contractuele relatie tussen enerzijds STELLANTIS BELUX nv als invoerder in België en Luxemburg van voertuigen en onderdelen van bepaalde automerken en anderzijds E.C.B. – CARS bv die als erkende hersteller deel uitmaakt van het distributienetwerk van de invoerder. Omdat de hersteller weigert zich neer te leggen bij de door de invoerder gegeven opzegging tegen 30 juni 2023 en gelet op de weigering door de invoerder van een nieuw contract vanaf 1 juli 2023, startte de hersteller bij dagvaarding van 21 juni 2023 een procedure ten gronde voor de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, om de invoerder te verplichten een nieuw contract te sluiten op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tegelijk startte de hersteller een procedure in kort geding voor de voorzitter van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, teneinde, in afwachting van de uitspraak ten gronde, de invoerder te doen veroordelen om de contractuele relatie verder te zetten en hem zodoende, zonder afbreuk te doen aan de uiteindelijke rechten van de partijen, verder opdrachten te laten toevertrouwen. De kortgedingrechter willigde deze vordering in, met bevestiging in hoger beroep bij arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 november
- In afwachting van een uitspraak ten gronde werd de invoerder veroordeeld om aan de hersteller verdere opdrachten toe te vertrouwen, en dit onder verbeurte van een dwangsom. Voormeld arrest werd, in kort geding, gewezen door kamervoorzitter B. P.. Ten gronde werd de vordering van de hersteller evenwel afgewezen bij vonnis van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 21 juni
- Bij verzoekschrift van 7 november 2024 stelde de hersteller hoger beroep in.
- Daar waar blijkt dat de zaak in hoger beroep ten gronde zou worden behandeld door kamervoorzitter B. P., die reeds in kort geding heeft geoordeeld, voert de invoerder aan dat de gegeven omstandigheden meebrengen dat kamervoorzitter B. P. niet meer in staat is of blijkt op een onafhankelijke of onpartijdige wijze uitspraak te doen over de zaak. De invoerder stelt zich genoodzaakt te zien kamervoorzitter B. P. te wraken aangezien zij reeds tussen dezelfde partijen omtrent hetzelfde geschil, weliswaar in kort geding en zodoende prima facie, heeft geoordeeld dat de invoerder op onrechtmatige wijze de contractuele relatie heeft verbroken, inzonderheid een nieuw contract heeft geweigerd, waarna de eerste rechters ten gronde andersluidend hebben geoordeeld, wat vervolgens door de hersteller wordt beroepen. Mede gelet op de motivering die kamervoorzitter B. P. bij haar beoordeling en beslissing in kort geding heeft meegegeven, zou haar rechterlijke vrijheid om in hoger beroep tegen de andersluidende eerstelijnsbeslissing ten gronde te oordelen en te beslissen minstens ogenschijnlijk in het gedrang zijn.
- Krachtens artikel 828, 1° en 9°, Gerechtelijk Wetboek kan een rechter worden gewraakt wegens wettige verdenking dan wel wanneer hij zich als rechter reeds eerder een oordeel heeft gevormd over hetzelfde geschil. De wraking onderstelt dat de rechter die nog over het geschil moet oordelen, niet in staat is of blijkt op een onafhankelijke of onpartijdige wijze daarover verder uitspraak te doen, dan wel bij de openbare opinie gewettigde twijfel wekt aangaande zijn geschiktheid om op die wijze uitspraak te doen.
- Hoewel de omstandigheid dat een rechter eerder in kort geding heeft geoordeeld over een zaak niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat hij nadien niet meer ten gronde kan oordelen over het geschil, is dat wel het geval wanneer hij zich in kort geding reeds een oordeel heeft gevormd over geschilpunten waarover hij ten gronde dient te oordelen. Dat de kortgedingrechter slechts prima facie oordeelt of een voldoende schijn van recht bestaat om een maatregel in kort geding te verantwoorden en dat zijn beslissing de rechter ten gronde niet bindt, doet in dergelijk geval niet eraan af dat hij reeds eerder kennis heeft genomen van het geschil in de zin van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek en dat gewettigde twijfel kan bestaan over zijn geschiktheid om nog op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak te doen. De mogelijkheid om na de oordeelsvorming in kort geding, onafhankelijk en onpartijdig ten gronde te oordelen omtrent hetzelfde geschil, is dan minstens ogenschijnlijk in het gedrang. Een beoordeling in kort geding en vervolgens ten gronde staat in dergelijk geval niet gelijk met het gewone verloop van opeenvolgende fases van een procedure, waarop de in artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek bedoelde uitzonderingen doelen, zoals het geval waarbij een rechter in een eerste fase met toepassing van artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek onderzoeksmaatregelen of louter bewarende maatregelen treft en in een tweede fase ten gronde oordeelt.
- Bij arrest van 15 november 2023 heeft kamervoorzitter B. P. in hoger beroep de beschikking van de kortgedingrechter bevestigd waarbij de invoerder werd veroordeeld om, onder verbeurte van een dwangsom, verder onderhoudsopdrachten toe te vertrouwen aan de hersteller alsof de contractuele relatie werd verdergezet. In dat kader oordeelde kamervoorzitter B. P. onder meer dat, prima facie: - de invoerder pas op het allerlaatste moment heeft gecommuniceerd dat aan de hersteller geen nieuwe overeenkomst zou worden gegund en de hersteller terecht stelt dat deze weigeringsbeslissing is gebaseerd op betwistbare motieven; - de hersteller rechtmatig erop mocht vertrouwen dat hij opnieuw een overeenkomst zou mogen sluiten en zich niet eraan diende te verwachten dat de invoerder betwistbare motieven zou inroepen om hem de overeenkomst te weigeren; - de eerste rechter terecht oordeelde dat de invoerder niet tot een zorgvuldig onderzoek van de kandidatuur van de hersteller is overgegaan; - hoewel de invoerder zijn netwerk van distributeurs vrij mag samenstellen, dit moet gebeuren op basis van een consequente en transparante toepassing te goeder trouw. Aldus heeft kamervoorzitter B. P. zich ogenschijnlijk reeds een oordeel gevormd over geschilpunten waarover zij in de procedure ten gronde, waarin de hersteller vordert dat de invoerder wordt veroordeeld om onder verbeurte van een dwangsom met hem een nieuwe overeenkomst te sluiten, zal dienen te oordelen, zodat zij reeds eerder over het geschil heeft geoordeeld in de zin van artikel 828, 9°, Gerechtelijk Wetboek en gewettigde twijfel kan bestaan over haar geschiktheid om onafhankelijk en onpartijdig over het geschil te oordelen. Het verzoek tot wraking is gegrond. Dictum Het Hof, Verklaart verzoek tot wraking gegrond. Beveelt dat kamervoorzitter B. P. zich zal onthouden van de zaak aanhangig voor de kamer B8E1 van het hof van beroep te Antwerpen, met rolnummer 2024/AR/
- Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, anders samengesteld. Beveelt dat dit arrest bij gerechtsbrief binnen achtenveertig uur aan de partijen ter kennis zal worden gebracht. Legt de kosten ten laste van de Belgische Staat. Bepaalt de kosten voor de verzoeker op 26 euro voor het begrotingsfonds van de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Bart Wylleman, als voorzitter, en de raadsheren Ilse Couwenberg, Sven Mosselmans, Ann De Wolf en Eva Van Hoorde, en in openbare rechtszitting van 19 maart 2026 uitgesproken door sectievoorzitter Bart Wylleman, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Elien Van Isterdael. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260319.1N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div