id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026
Art. 31
.1 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Verdrag van Wenen van 18 april 1961, goedgekeurd bij de wet
Art. 37
.1 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Verdrag van Wenen van 18 april 1961, goedgekeurd bij de wet
Art. 39
.2 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Thesaurus CAS: DIPLOMATEN EN CONSULS Wettelijke bepalingen: Verdrag van Wenen van 18 april 1961, goedgekeurd bij de wet
Art. 31
.1 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Verdrag van Wenen van 18 april 1961, goedgekeurd bij de wet
Art. 37
.1 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Verdrag van Wenen van 18 april 1961, goedgekeurd bij de wet
Art. 39
.2 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Wettelijke bepalingen: Verdrag van Wenen van 18 april 1961, goedgekeurd bij de wet
Art. 31
.1 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Verdrag van Wenen van 18 april 1961, goedgekeurd bij de wet
Art. 37
.1 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Verdrag van Wenen van 18 april 1961, goedgekeurd bij de wet
Art. 39
.2 - 01 Link Justel databank 19610418-01 Fiches 4 - 6 Artikel 433quinquies, § 1, eerste lid, 3°, Strafwetboek bepaalt dat de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, het nemen of de overdracht van de controle over hem met als doel het verrichten van werk of het verlenen van diensten, in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, het misdrijf van mensenhandel oplevert; het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of deze handelingen werden gesteld met als doel het verrichten van werk in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid maar het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: MENSENHANDEL Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 433quinquies, § 1, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALGEMEEN. BEGRIP. MATERIEEL EN MOREEL BESTANDDEEL. EENHEID VAN OPZET Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 433quinquies, § 1, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 433quinquies, § 1, eerste lid, 3° - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.24.1702.N
- H. K. A. A., beklaagde, eiser,
- S. A., beklaagde, eiseres, beiden met als raadslieden mr. Dimitri De Béco en mr. Marie Bassine, advocaten bij de balie Brussel, tegen T. Z., burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 21 november
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Bruno Lietaert heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. De eisers hebben op 19 maart 2026 ter griffie van het Hof een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eisers voor de feiten omschreven onder de telastlegging B, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 31.1, 37.1 en 39.2 Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van vonnissen en arresten: het arrest stelt verkeerdelijk vast dat de tewerkstelling van de verweerster geen verband hield met de diplomatieke zending van de eiser 1; het had moeten nagaan of de verweten feiten handelingen zijn die werden gepleegd in het kader van de uitoefening van zijn diplomatieke zending (eerste onderdeel); in hun appelconclusie voerden de eisers aan dat ook als wordt aangenomen dat het huishoudelijk werk verricht door de verweerster geen verband hield met de diplomatieke missie, dit niet impliceert dat de feiten niet bijkomstig zijn aan het dagelijkse leven van de eiser 1 als diplomatiek ambtenaar en zij geen onderdeel vormden van de uitoefening van zijn functies; het arrest beantwoordt deze argumenten niet (tweede onderdeel).
- Artikel 31.1 Verdrag van Wenen van 18 april 1961 bepaalt dat de diplomatieke ambtenaar immuniteit geniet ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende Staat. Artikel 37.1 van hetzelfde Verdrag bepaalt dat de inwonende gezinsleden van een diplomatieke ambtenaar, indien zij geen onderdaan zijn van de ontvangende Staat, de in de artikelen 29 tot en met 36 omschreven voorrechten en immuniteiten genieten. Uit artikel 39.2 volgt dat wanneer de taak van een persoon die voorrechten en immuniteiten geniet is beëindigd, deze voorrechten en immuniteiten normaal ophouden te bestaan, maar dat de immuniteit van kracht blijft met betrekking tot de door zulk een persoon in de uitoefening van zijn functie als lid van de zending verrichte handelingen.
- Het arrest (p. 10) oordeelt dat: - de verweerster de eisers hoofdzakelijk moest helpen in het huishouden en moest zorgen voor hun kinderen; - haar tewerkstelling geen verband hield met de diplomatieke zending van de eiser 1; - de verweerster de eisers op geen enkel ogenblik moest bijstaan om de Staat K. te vertegenwoordigen; - het feit dat zij sporadisch de deur moest openen voor de chauffeur van de eiser 1 of post voor hem in ontvangst nam, daaraan geen afbreuk doet.
- Met deze redenen geeft het arrest te kennen dat de verweten feiten geen handelingen zijn die betrekking hebben op de door de eiser 1 in de uitoefening van zijn functie als lid van de zending verrichte handelingen, zodat de eisers geen strafrechtelijke immuniteit meer genoten. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest bovendien het door het middel bedoelde verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van vonnissen en arresten: het arrest spreekt de eisers vrij voor het feit onder de telastlegging B (wederrechtelijke vrijheidsberoving) omdat hetgeen de verweerster daarover meedeelde niet bewezen is en er twijfel bestaat over de juistheid van haar verklaringen; niettemin baseert het arrest de veroordeling van de eisers voor het feit onder de telastlegging A (mensenhandel) onder meer op de verklaringen van de verweerster; dit houdt een tegenstrijdige motivering in; de andere elementen die het arrest bij de beoordeling van de telastlegging A betrekt, volstaan niet om te oordelen dat er sprake was van mensenhandel.
- Er is slechts sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar teniet doen en aldus opheffen.
- De enkele omstandigheid dat de rechter op gemotiveerde wijze aan bepaalde verklaringen van een partij geen geloof hecht en aan andere verklaringen van dezelfde partij wel, levert geen tegenstrijdigheid in de motivering op.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest (p. 12, randnr. 2) wijst op bepaalde onwaarheden in de verklaringen van de verweerster en oordeelt (p. 13, derde alinea) dat er twijfel bestaat of de tewerkstelling van de verweerster heeft plaatsgevonden zoals door haar geschetst. Het arrest (p. 13, laatste alinea) vermeldt vervolgens een aantal vaststellingen die, samen genomen (p. 14, eerste alinea) doen besluiten dat de tewerkstelling van de verweerster in strijd was met de menselijke waardigheid en de feiten omschreven onder de telastlegging A bewezen zijn.
- Het arrest (p. 14, laatste alinea, p. 15, eerste tot derde alinea) oordeelt verder dat de verweerster in België sociaal geïsoleerd was en dat moet worden aangenomen dat zij niet zomaar bij iemand anders terecht kon als zij weg wilde uit de woning van de eisers, maar dat die omstandigheden niet gelijk te stellen zijn met een wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van artikel 434 Strafwetboek aangezien niet is bewezen dat de eisers de verweerster daadwerkelijk hebben willen beletten de woning te verlaten en dat zij hiervoor dwangmiddelen zouden hebben gebruikt, zodat de feiten omschreven onder de telastlegging B niet bewezen zijn. Die redenen doen elkaar niet teniet en heffen elkaar bijgevolg niet op, zodat zij niet tegenstrijdig zijn. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 433quinquies Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van vonnissen en arresten: het hebben van een precair verblijfsstatuut en het niet genieten van sociale rechten en bescherming volstaan niet om te aanvaarden dat de arbeidsomstandigheden van de verweerster in strijd waren met de menselijke waardigheid; het arrest legt niet uit waarom de tewerkstelling in strijd was met de menselijke waardigheid; wat haar bewegingsvrijheid betreft, oordeelt het arrest in verband met de telastlegging B (wederrechtelijke vrijheidsberoving) dat haar verklaringen niet geloofwaardig waren; haar afhankelijkheidspositie berust enkel op beweringen van de verweerster zelf waarvan het arrest tegelijk zegt dat ze niet-betrouwbaar zijn; aldus volstaat de motivering van het arrest niet om het feit van de telastlegging A (mensenhandel) bewezen te verklaren (eerste onderdeel); het arrest leidt onterecht uit het precair verblijfsstatuut van de verweerster af dat de eisers hadden moeten weten dat het voor haar moeilijk was om andere voorwaarden voor haar tewerkstelling af te dwingen (tweede onderdeel).
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het tweede middel moet het om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen worden verworpen.
- Artikel 433quinquies, § 1, eerste lid, 3°, Strafwetboek bepaalt dat de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, het nemen of de overdracht van de controle over hem met als doel het verrichten van werk of het verlenen van diensten, in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid, het misdrijf van mensenhandel oplevert.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of deze handelingen werden gesteld met als doel het verrichten van werk in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- Het arrest (p. 13) grondt de schuldigverklaring van de eisers aan het feit van mensenhandel zoals omschreven onder de telastlegging A op de vaststellingen dat: - de verweerster naar België is gereisd met een toeristenvisum voor drie maanden en dat zij nadien geen verblijfsrecht had; - de eiser 1 betrokken was bij de aanvraag voor het toeristenvisum en zeer goed op de hoogte was van het precaire verblijfsstatuut van de verweerster; - de verweerster in de privéwoning verbleef van de eisers en geen benul had van waar zij zich precies bevond en dat zij, eenmaal door Fedasil opgevangen, zelfs niet bij benadering de woning kon situeren en ook de namen van haar werkgevers niet kende; - de eisers de indiensttreding van de verweerster nooit elektronisch hebben gemeld zodat zij geen sociale bescherming genoot en geen rechten opbouwde; - zij voor haar inkomen afhing van de welwillendheid van de eisers en dat er geen loonfiches of andere bewijzen zijn die de tijdige betaling van loon aantonen. Het arrest (p. 14) oordeelt dat de verweerster volledig afhankelijk was voor onderdak en levensonderhoud, dat zij geen enkele garantie genoot op betaling van haar loon en dat haar tewerkstelling, zonder sociale rechten en bescherming tegen willekeur van haar werkgevers, strijdig was met de menselijke waardigheid.
- Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de eisers het door artikel 433quinquies, § 1, eerste lid, 3°, Strafwetboek bedoelde misdrijf van mensenhandel hebben gepleegd. Aldus is het arrest naar recht verantwoord en regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de motivering van vonnissen en arresten en van het beginsel van het vermoeden van onschuld: hoewel de eisers aantoonden dat ze inkomsten naar E. stuurden, oordeelt het arrest dat deze geldtransferten niet kunnen worden aangemerkt als de tijdige betaling van loon; de aanvoering van de eisers dat ze de rest in contanten betaalden, werd door het arrest niet beantwoord; het arrest legt zodoende de bewijslast bij de eisers en miskent het vermoeden van onschuld.
- Het arrest oordeelt niet enkel dat geen verder onderzoek werd verricht naar de geldtransferten en naar wie de werkelijke bestemmelingen waren, maar ook dat deze hoe dan ook niet als de tijdige betaling van loon kunnen worden aanzien. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het door het middel bedoelde verweer, zonder dat een nadere redengeving is vereist. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- De rechter die een door een beklaagde aangevoerd verweer verwerpt omdat die beklaagde dit verweer niet aannemelijk maakt, miskent niet het vermoeden van onschuld van die beklaagde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt dat de bewering van de eisers dat een afgesproken loon in contanten werd betaald door de eisers niet aannemelijk wordt gemaakt aan de hand van loonfiches of kwitanties. Aldus legt het aan de eisers geen niet-toegelaten bewijslast op, maar oordeelt het enkel over de aannemelijkheid van hun verweer. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 117,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, de raadsheren Eric Van Dooren, Steven Van Overbeke, Bruno Lietaert en Jos Decoker, en in openbare rechtszitting van 23 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260323.2N.99 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div