id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.13 Rolnummer: P.25.1765.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 530 - laatst gezien 2026-06-18 15:40 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAFVORDERING Tekst van de beslissing Nr. P.25.1765.N C. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gert Warson, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 19 november 2025. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging, het beginsel van tegenspraak, het beginsel van de bewijslast en de bewijskracht van akten: het bestreden vonnis oordeelt dat het horen op de rechtszitting van de getuigen R. en H. twee jaar na de feiten geen gedetailleerd en betrouwbaar bewijselement meer zou opleveren; die motivering is onwettig en miskent het recht van verdediging; de appelrechters laten immers hun beoordeling steunen op gegevens waarover zij beschikken op basis van persoonlijke kennis; het feit dat de getuigenverklaringen twee jaar na de feiten geen gedetailleerd en betrouwbaar bewijselement meer zouden kunnen opleveren blijkt immers niet uit de strafinformatie; die mening van de appelrechters is evenmin gebaseerd op wetenschappelijk onderbouwde kennis die algemeen gekend is; bovendien heeft de eiser niet de kans gekregen hierover tegenspraak te voeren. 2. In zoverre het middel schending aanvoert van de bewijskracht van akten zonder deze grief nader uit te werken, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 3. Het is van algemene bekendheid dat een aanzienlijk tijdsverloop de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring kan beïnvloeden. De rechter die een verzoek om het horen van getuigen afwijst omdat door het tijdsverloop dit verhoor geen betrouwbaar bewijselement kan opleveren, steunt dan ook niet op persoonlijke kennis. Een dergelijk gegeven moet precies omdat het van algemene bekendheid is en dus door iedereen is gekend of geacht gekend te zijn niet aan specifieke tegenspraak worden onderworpen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 4. Voor het overige is het middel afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 27 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het bestreden vonnis is wat betreft het redelijketermijnverweer van de eiser niet behoorlijk gemotiveerd; het stelt vast dat de procedure heeft stilgelegen tussen het laatste proces-verbaal en het bevel tot dagvaarding en het verduidelijkt niet waarom een periode van stilstand van meer dan twaalf maanden in een eenvoudig dossier niet als nutteloos moet worden beschouwd; het biedt ook geen antwoord op eisers verzoek om remediëring. 6. De rechter oordeelt onaantastbaar of het recht op een behandeling van een strafvervolging binnen een redelijke termijn is gerespecteerd. Hij houdt daarbij rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de met opsporing, vervolging en berechting belaste overheden, de houding van de beklaagde en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde. Hij hoeft bij die beoordeling niet noodzakelijk al die elementen te betrekken. 7. Het loutere feit dat er een zekere periode van stilstand is geweest in de strafprocedure heeft niet tot gevolg dat de rechter noodzakelijk moet aannemen dat de redelijke termijn is overschreden. Een zekere periode van stilstand kan worden gecompenseerd door een voortvarend optreden in latere fases van de strafprocedure. 8. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 10. Uit de vaststellingen van de appelrechters blijkt dat er een zekere periode van stilstand is geweest tussen het einde van het opsporingsonderzoek en het bevel tot dagvaarding. Zij onderzoeken evenwel ook het verdere verloop van de procedure en oordelen dat de strafvervolging werd afgerond binnen een termijn van twee jaar voor zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep. Op grond daarvan kunnen zij wettig oordelen dat de redelijke termijn niet is overschreden. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 11. Gelet op het oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, dienen de appelrechters niet in te gaan op eisers verzoek om remediëring. In zoverre kan het onderdeel evenmin worden aangenomen. Tweede onderdeel 12. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd: het oordeelt enerzijds dat een tijdsverloop van twee jaar ernstig afbreuk doet aan de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van getuigenverklaringen, waarmee het impliciet erkent dat het tijdsverloop relevant en nadelig is voor de waarheidsvinding en het recht van verdediging; het oordeelt anderzijds dat er geen overschrijding is van de redelijke termijn. 13. Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek in de zin van artikel 149 Grondwet indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar tenietdoen en bijgevolg opheffen. Dat is niet het geval met de door het onderdeel geviseerde oordelen. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 14. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 80,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.