← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.14 Rolnummer: P.26.0354.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 493 - laatst gezien 2026-06-18 16:07 Versie(s): Vertaling samenvatting(

  1. en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
  2. en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: STRAF - VRIJHEIDSSTRAFFEN Tekst van de beslissing Nr. P.26.0354.N A. G., veroordeelde tot vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Brecht Pype, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2018 Antwerpen, Brusselstraat 51, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechter in de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 4 maart 2026. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering: het vonnis grondt het voorhanden zijn van de tegenaanwijzing van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden louter op de feiten waarvoor de eiser in strafuitvoering zit, terwijl die enkele verwijzing dit oordeel niet kan verantwoorden; uit het verslag van de psychosociale dienst (PSD) blijkt dat er geen elementen aanwezig zijn die wijzen op een dergelijk direct waarneembaar risico; de door de strafuitvoeringsrechter gegeven interpretatie is in strijd met de tekst van artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering en met de wil van de wetgever. 2. In zoverre het middel is gebaseerd op de inhoud van het PSD-verslag, verplicht het tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. 3. Artikel 98/13, eerste en tweede lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoeringsrechter de strafuitvoeringsmodaliteiten toekent onder meer op voorwaarde dat de veroordeelde beschikt over een verblijfplaats (voor het elektronisch toezicht) en er bij de veroordeelde geen direct waarneembaar risico bestaat voor de fysieke integriteit van derden waaraan niet kan worden tegemoet gekomen door het opleggen van bijzondere voorwaarden (voor de beperkte detentie, het elektronisch toezicht en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied). 4. Artikel 98/13, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat onder een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden wordt verstaan een risico dat op het eerste gezicht blijkt uit de actuele gedragingen van de veroordeelde of uit de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering. 5. Artikel 98/16, eerste lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de directeur de veroordeelde hoort en een dossier samenstelt dat de in de eerste alinea, 2°,
  3. a)(voor het elektronisch toezicht), en
  4. b)(voor de beperkte detentie) bepaalde informatie bevat, alsook een afschrift van de opsluitingsfiche, het advies van de directeur met de elementen die hij relevant acht voor de beoordeling van het direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden en een voorstel tot toekenning of afwijzing en in voorkomend geval de bijzondere voorwaarden die hij noodzakelijk acht om het risico op recidive te beperken of die noodzakelijk zijn in het belang van het slachtoffer. 6. Artikel 98/16, derde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank aan het dossier een geactualiseerd afschrift van het strafregister, een afschrift van de vonnissen en arresten van veroordeling en in voorkomend geval van de slachtofferfiches toevoegt. 7. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering blijkt dat de wetgever met de wettelijke omschrijving van deze tegenaanwijzing een extensieve interpretatie wilde tegengaan en dat de beoordeling van de tegenaanwijzing moet gebeuren: - op basis van actuele gedragingen van de veroordeelde waarmee wordt bedoeld het gedrag dat hij stelde in detentie, tijdens de arrestatie of op het ogenblik van de opsluiting, met uitsluiting van gedragingen tijdens vorige detentieperiodes; - of, op basis van de in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering vermelde stukken, zonder dat bijkomende stukken of adviezen mogen worden gevraagd. 8. De strafuitvoeringsrechter oordeelt onaantastbaar of de tegenaanwijzing voorhanden is van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden zoals omschreven in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering. Hij kan bij die beoordeling het gegeven betrekken van de afwezigheid van een reclassering, alsook de aard van de in het vooruitzicht gestelde tewerkstelling en het mogelijk verband met de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde een straf uitvoert. 9. De strafuitvoeringsrechter omkleedt de weigering om bij toepassing van artikel 98/13 Wet Strafuitvoering de strafuitvoeringsmodaliteiten van het elektronisch toezicht, de beperkte detentie en voor de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied toe te kennen regelmatig met redenen met de vaststelling dat de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering bedoelde tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden voorhanden is en door te vermelden op welke feitelijke gegevens hij die vaststelling steunt. 10. De feitelijke gegevens die de strafuitvoeringsrechter in zijn vonnis vermeldt, moeten gelet op de in artikel 98/13 Wet Strafuitvoering opgenomen omschrijving van de tegenaanwijzing zijn ontleend aan ofwel actuele gedragingen van de veroordeelde ofwel aan de stukken van het dossier bedoeld in artikel 98/16 Wet Strafuitvoering. 11. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 12. Het vonnis oordeelt dat de tegenaanwijzing van een direct waarneembaar risico voor de fysieke integriteit van derden als bedoeld door artikel 98/13 Wet Strafuitvoering voorhanden is en beslist tot de niet-toekenning van de strafuitvoeringsmodaliteiten van het elektronisch toezicht, de beperkte detentie en de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied. Het verwijst daarvoor weliswaar naar de feiten waarvoor de eiser werd veroordeeld en waarvoor hij de straf uitvoert, namelijk zijn betrokkenheid als eigenaar van een transportbedrijf bij de invoer van grote hoeveelheden cocaïne, maar het betrekt ook andere feitelijke gegevens bij de beoordeling van het voorhanden zijn van de tegenaanwijzing. Zo stelt het vast dat er geen reclassering van de eiser voorligt in Roemenië en evenmin in België en dat niet kan worden toegelaten dat de eiser in de transportsector werkt, maar dat hij een andere, best in dienstverband, tewerkstelling moet zoeken. Aldus verantwoordt het vonnis de beslissing over het voorhanden zijn van de voormelde tegenaanwijzing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel 13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 1138, 4°, Gerechtelijk Wetboek en artikel 98/13 Wet Strafuitvoering: het vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds dat er geen zicht is op eisers reclassering voor wat betreft de strafuitvoeringsmodaliteit van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied; het oordeelt anderzijds voor wat betreft de strafuitvoeringsmodaliteit van het elektronisch toezicht dat er werkgelegenheid in de transportsector mogelijk is, namelijk als zaakvoerder van een Roemeense transportfirma en dat hij die activiteit zou kunnen verderzetten door de inzet van chauffeurs; dit houdt een interne tegenstrijdigheid in; de financiële en sociale stabiliteit van de eiser blijkt uit een schrijven en stukken van zijn echtgenote die werden ingediend op de gevangenisgriffie en op de griffie van de strafuitvoeringsrechtbank; het vonnis oordeelt dat het niet zeker is dat de eiser wil terugkeren naar Roemenië, terwijl uit informatie van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat hij akkoord gaat met een verwijdering of overbrenging; de eiser heeft een verklaring van vrijwillige terugkeer ondertekend; een gebrek aan reclassering ligt niet ter beoordeling voor. 14. In zoverre het middel verwijst naar een schrijven en stukken van de echtgenote van de eiser en naar stukken waaruit de bereidheid van de eiser blijkt voor een terugkeer naar Roemenië, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. 15. Er is sprake van een tegenstrijdigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringsgebrek indien redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing elkaar teniet doen en bijgevolg opheffen. 16. Het vonnis oordeelt dat er voor België geen reclassering voorligt en dat er geen reclasseringsplan voorligt voor Roemenië. De vaststelling dat de eiser een transportbedrijf heeft in Roemenië en dat hij de activiteiten daarvan zou kunnen coördineren uit België doet deze vermeldingen niet teniet. Er is dan ook geen sprake van een tegenstrijdigheid. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.