id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.19 Rolnummer: P.26.0362.N Zaak: E. contra Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 554 - laatst gezien 2026-06-18 15:44 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: WRAKING Tekst van de beslissing Nr. P.26.0362.N N, verzoeker tot wraking, beklaagde, aangehouden, met als raadsman mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie Gent, IN DE ZAAK VAN DE PROCUREUR DES KONINGS TE ANTWERPEN, afdeling Antwerpen, tegen N, reeds vermeld, beklaagde, aangehouden, tevens inzake 1. Y, 2. D, 3. S, 4. N, 5. F, 6. R, beklaagden, medeopgeroepenen overeenkomstig artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, beoogt de wraking van D. kamervoorzitter in het hof van beroep te Antwerpen (hierna de kamervoorzitter) in zaak 2026/AR/269 (hierna het voorliggende wrakingsverzoek). De kamervoorzitter heeft de door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring afgelegd, waarbij hij aangeeft zich niet van de zaak te willen onthouden. De verzoeker heeft een conclusie ingediend. Voorzitter Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Feitelijke gegevens 1. De verzoeker wordt in de zaak met notitienummer AN.36.L2.971/2019 vervolgd voor de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. Die zaak stond op de rechtszitting van 29 januari 2026 voor behandeling door de AC10-kamer van het door de eiser ingestelde verzet. In die procedure werd de eiser bijgestaan door de raadsman die het voorliggende wrakingsverzoek heeft ingediend en door mr. L, advocaat bij de balie Gent. De verzoeker heeft op 2 februari 2026 een verzoekschrift tot wraking ingediend tegen de drie rechters die zetelden in de AC10-kamer. Dit verzoekschrift werd ondertekend door de raadsman die het voorliggende wrakingsverzoek heeft ingediend. De drie rechters hebben verklaard zich niet te willen onthouden. 2. Aan de raadsman van de verzoeker en aan de verzoeker zelf werd bij brieven van 19 februari 2026 kennisgegeven van de rechtsdag die werd bepaald voor de behandeling van het wrakingsverzoek, namelijk op 2 maart 2026 door de B1M-kamer van het hof van beroep te Antwerpen. Ook aan mr. L werd een dergelijke kennisgeving verstuurd. 3. Met een brief van 23 februari 2026, gericht aan de voorzitter van de B1M-kamer, heeft de raadsman die het voorliggende wrakingsverzoek heeft ingediend, meegedeeld dat “gelet op het feit dat ik die dag afwezig ben wegens een reeds lang ingeplande familiale aangelegenheid in het buitenland” en gevraagd om “een kort uitstel op één week”. 4. Het proces-verbaal van de rechtszitting van 2 maart 2026 bevat onder meer de volgende vermelding “Mr. G loco mr. RIEDER Hans, advocaat te GENT, Raadsman van [de verzoeker] (…). Mr. RIEDER heeft het hof gevraagd om de zaak met een week uit te stellen wegens familiale aangelegenheid in het buitenland.” Volgens dit proces-verbaal werd de rechtszitting geschorst, werd beraadslaagd over de vraag tot uitstel, werd beslist de zaak te behandelen en niet in te gaan op het verzoek tot uitstel, werd verslag uitgebracht, werd de verzoeker gehoord in zijn opmerkingen, werd de advocaat-generaal gehoord in zijn opmerkingen, kregen de aanwezige partijen de gelegenheid om te reageren op de conclusie van het openbaar ministerie en werd de zaak in beraad genomen en voor uitspraak vastgesteld op de rechtszitting van 9 maart 2026. 5. De verzoeker heeft op 5 maart 2026 een verzoek tot heropening van het debat ingediend wegens de ontdekking van een nieuw stuk of feit van overwegend belang. 6. Op 9 maart 2026 om 08.58 u heeft de verzoeker ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen het verzoekschrift tot wraking ingediend. Het verzoekschrift is ondertekend door mr. Hans Rieder, advocaat bij de balie Gent, die er meer dan tien jaar is ingeschreven. 7. Op de rechtszitting van 9 maart 2026 heeft de B1M-kamer de uitspraak van het arrest uitgesteld naar de rechtszitting van 30 maart 2026 “wegens verzoek tot wraking tegen de kamervoorzitter”. 8. De kamervoorzitter heeft in zijn door artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde verklaring het volgende gesteld: - het gevraagde uitstel op de rechtszitting was door mr. Rieder aangekondigd bij schrijven van 23 februari 2026 en dit wegens “een reeds lang ingeplande familiale aangelegenheid in het buitenland”, wat ter rechtszitting van 2 maart 2026 werd herhaald door de medewerkster van mr. Rieder, mr. G; - het openbaar ministerie heeft zijn verwondering uitgedrukt over de vraag tot uitstel aangezien de verzoeker tot wraking over verschillende raadslieden beschikte, wat op de rechtszitting niet werd tegengesproken; - na schorsing en beraadslaging werd beslist geen uitstel te verlenen, waarop mr. G verzocht om telefonisch contact te kunnen opnemen met de dominus litis, wat werd toegestaan voor een duur van vijftien minuten; - na die tijdspanne werden mr. G en het openbaar ministerie gehoord, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld; - een wrakingsgrond moet tijdig worden voorgedragen, dit is van zodra de grond tot wraking is gekend. Die grond was gekend op 2 maart 2026. De verzoeker heeft tot 9 maart 2026 gewacht om zijn wrakingsverzoek in te dienen, terwijl hij op 5 maart 2026 een verzoek tot heropening van het debat had ingediend; - er werd geen uitstel verleend omwille van de aard en het dringend karakter van de wrakingsprocedure. Het wrakingsverzoek 9. In het verzoekschrift wordt onder meer het volgende aangevoerd: - reeds voor de ontvangst van de kennisgeving van de rechtsdag had de raadsman van de verzoeker een uitnodiging ontvangen van een school in Engeland in het kader van de inschrijving van zijn twee minderjarige kinderen voor het schooljaar 2026-2027, wat een vooraf vastgelegde afspraak betrof die verband hield met een belangrijke familiale aangelegenheid; - de raadsman heeft deze omstandigheid tijdig aan het hof van beroep meegedeeld en verzocht om een beperkt uitstel van de behandeling van de zaak. Uit de mededeling bleek bovendien dat zelfs een uitstel van één dag volstond; - het verzoek om uitstel was niet dilatoir; - het hof van beroep wist dat enkel de raadsman van de verzoeker optrad als raadsman en dat de verzoeker uitdrukkelijk wenste dat zijn zaak door deze specifieke raadsman werd behandeld; - dat is des te relevanter aangezien deze raadsman specialist is van de miskenning van het recht van de verzoeker op onpartijdige en onafhankelijke rechters. Specifiek in deze zaak blijven de rechters van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, volharden in het laten kiezen door het openbaar ministerie van hun rechters, wat strijdig is met artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 47 Handvest Grondrechten EU en artikel 13 Grondwet; - de verzoeker heeft recht op de vrije keuze van een raadsman en het recht om zich door die raadsman te laten vertegenwoordigen. Wanneer die raadsman wegens een ernstige familiale verplichting tijdelijk verhinderd is, kan een verzoek om uitstel worden gedaan; - er was in dit geval sprake van een objectieve verhindering die tijdig werd meegedeeld; - in de concrete context van de zaak, waarin de verzoeker de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechterlijke samenstelling betwist, levert de weigering om uitstel te verlenen voor een redelijk en een objectief waarnemer de gewettigde indruk op dat de vereiste onpartijdigheid niet langer is gewaarborgd. De conclusie van de verzoeker 10. De verzoeker voert in zijn conclusie aan dat de verklaring van de kamervoorzitter een hoge graad van vijandschap bewijst tegen hem en zijn raadsman omdat de kamervoorzitter heeft voorgehouden dat hij meerdere raadslieden heeft, hij van oordeel is dat het wrakingsverzoek laattijdig is en dat de verzoeker het recht wordt onthouden om de namen te kennen van de kamervoorzitter en de raadsheren die zetelden in de zaak. Voorafgaandelijk 11. Artikel 835 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat op straffe van nietigheid de vordering tot wraking wordt ingeleid bij een ter griffie neergelegde akte die de middelen bevat en die is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven. 12. Artikel 836 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter wiens wraking wordt gevraagd onderaan de wrakingsakte moet verklaren of hij in de wraking berust dan wel weigert zich te onthouden, met zijn antwoord op de middelen van wraking. 13. Daaruit volgt dat de wrakingsrechter slechts uitspraak kan doen op grond van de middelen die in de wrakingsakte zijn opgenomen en die aan de tegenspraak van de rechter wiens wraking wordt gevraagd, zijn onderworpen. 14. Aanvullende wrakingsmiddelen die worden aangevoerd in een in het kader van de wrakingsprocedure ingediende conclusie zijn dan ook niet ontvankelijk. 15. De omstandigheid dat die aanvullende wrakingsmiddelen zijn gesteund op gegevens die zijn opgenomen in de verklaring van de rechter wiens wraking wordt gevraagd, of die zouden kunnen blijken uit documenten die dateren van na de wrakingsakte, laten niet toe anders te oordelen. 16. Waar in de wrakingsakte wordt voorgehouden dat tegen de kamervoorzitter gewettigde verdenking bestaat in de zin van artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek op basis van wat werd aangevoerd in de wrakingsakte, wordt in de conclusie op basis van het antwoord dat de kamervoorzitter heeft verstrekt op de wrakingsakte en op basis van de weigering door de griffie op instructie van de eerste voorzitter van het hof van beroep om de samenstelling van de zetel die reeds had gezeteld niet mee te delen, voorgehouden dat de wrakingsgrond van een hoge vijandschap in de zin van artikel 828, 12°, Gerechtelijk Wetboek tegen de kamervoorzitter bewezen is. 17. In de mate dat het verzoek tot wraking is gesteund op deze niet in de wrakingsakte vermelde omstandigheden, is het niet ontvankelijk. De gegrondheid van het wrakingsverzoek 18. Artikel 828, 1°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter kan worden gewraakt wegens gewettigde verdenking. 19. Er is gewettigde verdenking indien de aangevoerde feiten bij de verzoeker tot wraking, de partijen en derden de verdenking kunnen wekken dat de betrokken magistraat niet langer op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak kan doen. Die verdenking moet evenwel objectief gerechtvaardigd zijn. 20. De rechter wordt vermoed onafhankelijk en onpartijdig te zijn. Dit vermoeden is weerlegd indien uit vaststaande feitelijke gegevens het tegendeel blijkt. 21. Het Hof moet nagaan of dit het geval is. 22. Het recht op vrije keuze van een raadsman en het recht zich door die raadsman te laten vertegenwoordigen hebben geen absoluut karakter. Uit die rechten kan niet worden afgeleid dat een verzoeker die aanvoert dat zijn raadsman niet beschikbaar is op de vooraf bepaalde rechtszitting wegens een ernstige familiale verplichting, zonder meer recht heeft op een uitstel van behandeling van de zaak. 23. De bepaling van het tijdstip waarop een zaak zal worden behandeld, is afhankelijk van de in de regelgeving bepaalde zittingsdagen en de beschikbaarheid van de magistraten die over de zaak moeten oordelen. 24. Een behoorlijke rechtsbedeling is onmogelijk indien het tijdstip van de behandeling van een zaak louter afhankelijk is van de beschikbaarheid van de raadsman van een partij. 25. Het komt de rechter toe te bepalen of er omstandigheden zijn die het noodzakelijk maken dat niet wordt ingegaan op een verzoek om uitstel. Daarbij kunnen onder meer de volgende elementen van belang zijn: de aard en het daaruit volgend spoedeisend karakter van de zaak; het gegeven of een partij wordt of werd bijgestaan door meerdere raadslieden en de reden van het verzoek om uitstel en desgevallend de tot staving daarvan ingediende stukken. 26. Een wrakingsprocedure is uit haar aard spoedeisend. Dit blijkt uit de korte termijnen waarin wordt voorzien voor het indienen van het wrakingsverzoek (artikel 833 Gerechtelijk Wetboek), de termijn voor de overhandiging van het wrakingsverzoek (artikel 836, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek), de termijn voor de rechter om een verklaring op te stellen (artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek), de termijn om de zaak over te zenden (artikel 838, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek) en de termijn om uitspraak te doen (artikel 838, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek), alsook uit het in beginsel schorsend effect van het meedelen van het wrakingsverzoek aan de rechter (artikel 837, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek). Een wrakingsverzoek heeft in beginsel een stremmend effect op de procedure waarin ze wordt ingediend. 27. Bijzonder in deze zaak is dat het wrakingsverzoek door de verzoeker werd ingediend in het kader van een wrakingsprocedure. De verzoeker beoogt niet enkel de wraking van de rechters in de tegen hem ingestelde strafvervolging, maar ook de wraking van de magistraat die over dat eerste wrakingsverzoek moet oordelen. Derhalve zijn zowel de wrakingsprocedure zelf als de strafprocedure waarin het eerste wrakingsverzoek werd ingediend gestremd. 28. De verzoeker wist of minstens kon weten dat de behandeling van zijn wrakingsverzoek snel zou worden vastgesteld. 29. Uit de stukken blijkt dat de verzoeker in de strafprocedure waarin het eerste wrakingsverzoek werd ingediend niet enkel werd bijgestaan door de raadsman die het voorliggend verzoek heeft ondertekend, maar ook door een tweede raadsman. 30. Anders dan door de verzoeker in het wrakingsverzoek wordt aangevoerd, heeft hij voor de kamervoorzitter niet voorgehouden dat een uitstel met één dag volstond, maar heeft hij om een uitstel verzocht met één week. 31. Uit de stukken blijkt dat de verzoeker als reden voor het uitstel een reeds lang ingeplande familiale aangelegenheid in het buitenland heeft opgegeven. In het wrakingsverzoek wordt vermeld dat dit een uitnodiging betrof van een school in Engeland in het kader van de inschrijving van zijn twee minderjarige kinderen voor het schooljaar 2026-2027, alsook dat dit een vooraf vastgelegde afspraak betrof betreffende een belangrijke familiale aangelegenheid. Er blijkt evenwel niet dat de verzoeker die elementen heeft aangevoerd bij zijn verzoek om uitstel. Er blijkt evenmin dat hij enig stavend stuk in dat verband heeft overgelegd. Evenmin worden dergelijke stukken overgelegd in de voorliggende procedure. 32. De afwijzing door de kamervoorzitter en twee raadsheren, die dienen te oordelen over een uit haar aard spoedeisende wrakingsprocedure, van een verzoek om uitstel van behandeling van de zaak dat enkel wordt gemotiveerd met verwijzing naar een reeds lang ingeplande familiale aangelegenheid in het buitenland, kan bij de verzoeker tot wraking, de partijen en derden, objectief gezien, niet de verdenking wekken dat de betrokken magistraat niet langer op onafhankelijke en onpartijdige wijze uitspraak kan doen over het wrakingsverzoek. Het wrakingsverzoek in de voorliggende zaak is dan ook ongegrond. Toepassing van artikel 838, derde lid, Gerechtelijk Wetboek 33. Artikel 838, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien een geldboete wegens een kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond wrakingsverzoek kan verantwoord zijn, een rechtsdag wordt bepaald op een nabije datum, waarop dit punt dan zal worden behandeld. 34. Het Hof bepaalt die rechtsdag op 14 april 2026 om 09.30 u. Dictum Verwerpt het wrakingsverzoek. Bepaalt bij toepassing van artikel 838, derde lid, Gerechtelijk Wetboek de rechtsdag waarop het desgevallend verantwoord kunnen zijn van een geldboete zal worden behandeld op dinsdag 14 april 2026 om 09.30 u. Zegt dat de griffier de verzoeker tegen die datum per gerechtsbrief zal oproepen om schriftelijk zijn opmerkingen mee te delen. Zegt dat de griffier overeenkomstig artikel 838, laatste lid, Gerechtelijk Wetboek dit arrest zal ter kennis brengen van de partijen per gerechtsbrief. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.19 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260414.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.