id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 24 maart 2026 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.2 Rolnummer: P.25.1693.N Zaak: A. contra K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2026-03-30 Raadplegingen: 510 - laatst gezien 2026-06-18 16:42 Versie(s): Vertaling samenvatting(
- en)FR nog niet beschikbaar Fiche Samenvatting(
- en)nog niet beschikbaar Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Tekst van de beslissing Nr. P.25.1693.N S. A., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Louis De Groote, advocaat bij de balie Gent, tegen N. K., burgerlijke partij, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 november 2025. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Sectievoorzitter Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Isabelle De Tandt heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. In zoverre gericht tegen de beschikkingen die haar vrijspreken van de telastlegging A en gedeeltelijk van de telastlegging B, is het cassatieberoep van de eiseres bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1, 6.3.a en 6.3.b EVRM, de artikelen 152, 190 en 211 Wetboek van Strafvordering en artikel 748bis Gerechtelijk Wetboek, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres zich in de verdere rechtspleging niet langer kon beroepen op een exceptie afgeleid uit de gebrekkige omschrijving van de ten laste gelegde feiten, aangezien zij in haar eerste conclusie van 15 juli 2024 voor de eerste rechter geen expliciete melding heeft gemaakt van de exceptio obscuri libelli, noch heeft aangevoerd dat de strafvordering niet ontvankelijk was; de eiseres heeft echter wel degelijk reeds in haar eerste conclusie voor de eerste rechter en alleszins in haar syntheseconclusie voor de eerste rechter, als repliek op de door het openbaar ministerie gevraagde heromschrijving van de telastleggingen, aangevoerd dat de telastleggingen onduidelijk waren, zodat haar recht van verdediging werd miskend. 3. Het arrest verwerpt het verweer van de eiseres op basis van de onduidelijkheid van de telastleggingen niet enkel omdat de eiseres dit verweer niet voorafgaand aan elk ander verweer (“in limine litis”) heeft aangevoerd voor de eerste rechter, maar ook op grond van de redenen die het (p. 7-8, nr. 2.2.4.) verder vermeldt en waarmee het oordeelt dat de telastleggingen wel duidelijk zijn. Het middel dat geen rekening houdt met die laatst vermelde redenen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 432 Strafwetboek: enerzijds verklaart het arrest de eiseres schuldig aan de overtreding van artikel 432, § 3, Strafwetboek wegens de niet-naleving van het vonnis van de familierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 25 mei 2020, dat een gedeeltelijke akkoordconclusie heeft gehomologeerd aangaande het tussen de partijen bepaalde omgangsrecht over hun gemeenschappelijk kind; anderzijds geeft het arrest (p. 3) te kennen enkel te zijn gevat om te oordelen over strafbare feiten zoals bedoeld in artikel 432, § 1, Strafwetboek, dat betrekking heeft op de onttrekking van een kind aan de jeugdbescherming; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd en verantwoordt het de beslissing niet naar recht. 5. De eiseres is onder de telastlegging B, zoals door het arrest aangepast voor wat betreft de incriminatieperiode, vervolgd wegens: “als vader of moeder, zijn (haar) minderjarig kind niet te hebben afgegeven aan degene(
- n)die het recht had(den) dit kind op te eisen, (art. 100 ter en 432 § 1 lid 1 en 2 Sw), (…) te 9000 Gent, 9230 [Wetteren] en bij samenhang te Turkije in de periode van 1 augustus 2022 tot en met 27 september 2022, ten nadele van [het kind], ten nadele van [de vader]”. 6. De verwijzing naar artikel 432, § 1, Strafwetboek maakt geen noodzakelijk onderdeel van die telastlegging uit, maar vormt enkel een toelichting erbij. Die onjuistheid van die toelichting kan geen tegenstrijdigheid in de redenen van het arrest opleveren wanneer er nooit onduidelijkheid heeft bestaan over het werkelijke voorwerp van de vervolging, waarop de eiseres zich heeft verdedigd. 7. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat er in de stukken van het strafdossier die ten grondslag liggen aan de feiten zoals omschreven in de akte van aanhangigmaking of in het debat voor de vonnisrechters sprake is geweest van feiten waaruit de toepasselijkheid van artikel 432, § 1, Strafwetboek zou kunnen voortvloeien. Het onderdeel voert dat ook niet aan. Uit de redenen van het arrest, waaronder de van het beroepen vonnis overgenomen feiten, blijkt integendeel dat het debat voor de vonnisrechters betrekking had op de naleving door de eiseres van de verplichting, haar opgelegd door de vonnissen van de familierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 25 mei 2020 en van 28 september 2022, tot afgifte van het kind aan de verweerder en dat de eiseres zich enkel heeft verdedigd op de telastleggingen, begrepen als overtredingen van artikel 432, § 3, Strafwetboek. 8. Hieruit volgt dat de vermelding in de telastleggingen van artikel 432, § 1, Strafwetboek in plaats van artikel 432, § 3, Strafwetboek geen enkele andere reden van het arrest tenietdoet en derhalve opheft. Aldus is het arrest niet tegenstrijdig gemotiveerd en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 432 Strafwetboek en de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiseres schuldig aan de telastlegging B, namelijk het als moeder niet-afgeven van een minderjarig kind aan degene die het recht had dit kind op te eisen voor de periode van 1 augustus 2022 tot en met 27 september 2022; het steunt die beslissing op het vonnis van de familierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 25 mei 2020, terwijl dat vonnis niet vervat was in de gedinginleidende akte; aldus oordelen de appelrechters buiten hun saisine; de strafrechter mag een telastlegging niet aanvullen met de door de beklaagde miskende rechterlijke uitspraak. 10. Het arrest heromschrijft de telastlegging B niet door daaraan de vermelding van het in het middel vermelde vonnis toe te voegen, maar preciseert enkel het voorwerp van die telastlegging door in de stukken van het strafdossier het vonnis aan te wijzen waaruit de verplichting voortvloeit waarvan de miskenning aan de eiseres wordt verweten. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag. 11. De rechter oordeelt op grond van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking en van de stukken waarop deze is gebaseerd en die aan tegenspraak zijn onderworpen, onaantastbaar wat precies het feit is dat het voorwerp van de in die akte bedoelde telastlegging uitmaakt, alsook of dit voldoende duidelijk is zodat de beklaagde kan weten waartegen hij zich dient te verweren. 12. Het misdrijf van het niet-afgeven van kinderen, zoals bepaald in artikel 432 Strafwetboek, heeft als constitutieve bestanddelen het bestaan van een uitvoerbare rechterlijke beslissing over het omgangsrecht met het kind, het niet-afgeven van het kind aan een persoon aan wie het is toevertrouwd of die een omgangsrecht kan uitoefenen en het wetens en willens miskennen van de rechterlijke beslissing. 13. De akte van aanhangigmaking dient niet de rechterlijke beslissing aan te duiden waarvan de niet-naleving aan de beklaagde wordt verweten met toepassing van artikel 432 Strafwetboek, in zoverre die beslissing blijkt uit de stukken van het strafdossier waarop de vervolging steunt en de beklaagde zich erop kan verdedigen. De rechter die ingevolge een betwisting van de beklaagde de telastlegging preciseert door die rechterlijke beslissing aan te wijzen in het strafdossier, overschrijdt zijn saisine niet. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 14. Het arrest (p. 7-8) oordeelt onder meer dat, onder de aan de eiseres gekende strafinformatie, zich het vonnis bevindt van de familierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 25 mei 2020, houdende de homologatie van een gedeeltelijke akkoordconclusie tussen de eiseres en de verweerder inzake hun wederzijdse ouderlijke rechten en verplichtingen met betrekking tot hun gemeenschappelijk kind, alsook dat de eiseres zich daarop kon verdedigen. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de appelrechters, door het betrekken van onder meer dat vonnis bij de schuldbeoordeling van de eiseres, de telastlegging B niet onwettig aanvullen, noch bij hun beoordeling feiten of gedragingen betrekken waarvoor de eiseres niet werd verwezen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel 15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1, 6.3.a en 6.3.b EVRM, artikel 432 Strafwetboek en de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen dat zij de beide vonnissen van de familierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 25 mei 2020 en 28 september 2022 in hun beoordeling over de schuld mogen betrekken en dat zij daardoor de telastleggingen niet onwettig aanvullen, noch feiten of gedragingen betrekken waarvoor de eiseres niet werd verwezen; de akte van aanhangigmaking vermeldt geen van deze rechterlijke beslissingen en bevat als voorlopige kwalificatie bovendien enkel het misdrijf bedoeld in artikel 432, § 1, Strafwetboek, dat betrekking heeft op andere soorten beslissingen en maatregelen dan rechterlijke beslissingen van de familierechter en dat te onderscheiden is van het misdrijf bedoeld in artikel 432, § 3, Strafwetboek; de eiseres heeft niet de mogelijkheid gehad om, na de vaststelling door de appelrechters welke rechterlijke uitspraak het voorwerp uitmaakt van de telastleggingen en welke rechterlijke beslissing de eiseres niet heeft nageleefd, nog (schriftelijk) verweer te voeren, hoewel elke beklaagde het recht heeft om tijdig op de hoogte te worden gesteld van die informatie. 16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres niet tijdig op de hoogte is gesteld van de aard en de reden van de tegen haar ingebrachte beschuldigingen omschreven onder de telastleggingen A en B, noch dat zij niet over voldoende tijd en faciliteiten heeft beschikt om de berechting van haar zaak voor te bereiden. Uit die stukken, waaronder de door de eerste rechter verhaalde feiten waarnaar het arrest verwijst en die het overneemt, blijkt integendeel dat de eiseres, ongeacht de vermelding in de telastlegging van een onjuiste paragraaf van artikel 432 Strafwetboek, reeds voorafgaand aan de procedure in hoger beroep op de hoogte was van de feiten waarvoor zij is vervolgd en dat zij bijgevolg over voldoende tijd en faciliteiten heeft beschikt om haar verdediging met betrekking tot die feiten voor te bereiden. Bovendien oordeelt het arrest, zonder desbetreffend te worden betwist, dat in de concrete omstandigheden die het vermeldt, niets de eiseres belette zich te verdedigen op de niet-naleving van elk van de in het middel vermelde vonnissen, die beide betrekking hadden op de verplichting van de eiseres tot afgifte van het kind aan de verweerder. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel 17. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1, 6.3.b en 6.3.c EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest verwerpt het verzoek van de eiseres om de behandeling van de zaak op te schorten of uit te stellen totdat zij de mogelijkheid heeft persoonlijk ter rechtszitting aanwezig te zijn omdat zij het voorwerp uitmaakt van een uitreisverbod uit Turkije; het oordeelt dat de eiseres vrijwillig heeft verzaakt aan haar recht om persoonlijk ter rechtszitting aanwezig te zijn en zij dus afstand heeft gedaan van dat recht; elke beklaagde heeft het recht om aan de rechtszitting deel te nemen teneinde zichzelf persoonlijk te verdedigen, met voldoende tijd en faciliteiten om die verdediging voor te bereiden; de eiseres heeft in haar syntheseconclusie verwezen naar beslissingen van de rechtbank te Izmir (Turkije), waaruit prima facie blijkt dat zij in de onmogelijkheid verkeerde om naar het buitenland te reizen door het inhouden van haar buitenlandse identiteitskaart en paspoort en dat haar eveneens een uitreisverbod is opgelegd, zodat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij wel degelijk aanwezig wenste te zijn bij de behandeling van haar zaak, maar dat niet kon door redenen buiten haar eigen wil; bijgevolg kan het arrest niet wettig oordelen dat de eiseres afstand heeft gedaan van haar recht op persoonlijke aanwezigheid bij de behandeling van haar zaak. 18. Uit artikel 6.1 en 6.3.c EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, alsook het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces, volgt dat een beklaagde het recht heeft om aanwezig te zijn bij het tegen hem gevoerde strafproces. 19. In beginsel is de rechter ertoe gehouden om de behandeling van de zaak uit te stellen indien dit noodzakelijk is om de beklaagde die dat wil, effectief zijn proces te laten bijwonen. 20. Dit recht is evenwel niet absoluut. Indien een beklaagde de uitoefening van het recht om persoonlijk aanwezig te zijn onmogelijk maakt of de rechter van oordeel is dat rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, zoals de onredelijke proceshouding van de beklaagde of de redelijke verwachtingen van andere bij de zaak betrokken partijen, de behandeling van de strafvordering geen verder uitstel duldt, kan hij het verzoek van een beklaagde om uitstel teneinde persoonlijk aanwezig te zijn bij de behandeling van de zaak afwijzen. In dat geval moet de rechter wel erop toezien dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces rekening houdend met de gehele rechtspleging voldoende is gewaarborgd. 21. Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of, rekening houdend met alle concrete elementen van de gehele rechtspleging, het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van een beklaagde voldoende zijn gewaarborgd, indien hij zijn strafproces geheel of gedeeltelijk niet zelf heeft kunnen bijwonen en zijn verzoek om uitstel werd afgewezen. 22. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. 23. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 24. Het arrest (p. 8-11) oordeelt op grond van de concrete gegevens die het vermeldt, waaronder de door de eiseres voorgelegde documenten, dat de eiseres niet heeft aangetoond dat het haar onmogelijk was om persoonlijk de rechtspleging bij te wonen, maar integendeel dat zij daartoe ruimschoots de tijd en de gelegenheid heeft gehad. Het stelt bovendien vast dat de eiseres zich op de rechtszittingen heeft laten vertegenwoordigen door haar raadsman, die haar belangen heeft verdedigd en haar verweer heeft uiteengezet, alsook dat de verweerder en het openbaar ministerie zich verzetten tegen een uitstel. Op grond van die redenen kan het arrest wettig het verzoek om uitstel van de eiseres verwerpen omdat zij vrijwillig heeft verzaakt aan haar recht op persoonlijke aanwezigheid ter rechtszitting. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 23.1 van het verdrag van Den Haag van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, alsook van de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat hoe dan ook uit document (iii) hoogstens kan blijken dat aan de eiseres het verbod zou zijn opgelegd om samen met het kind naar het buitenland te reizen, maar niet dat aan de eiseres het verbod zou zijn opgelegd om zonder het kind naar het buitenland te reizen; de beslissing van de familierechtbank te Izmir (Turkije) vermeldt duidelijk en woordelijk dat de voorzorgsmaatregel zowel genomen werd tegen de eiseres zelf en het minderjarige kind en het vertrek van beiden, zowel gezamenlijk als apart, wordt verhinderd door het verbod om gebruik te maken van hun identiteitskaarten en paspoorten; bijgevolg verantwoordt het arrest de weigering van het verzoek tot uitstel van de eiseres niet naar recht. 26. Artikel 23.1 van het verdrag van Den Haag bepaalt: “De door de autoriteiten van een verdragsluitende staat genomen maatregelen worden van rechtswege in alle andere verdragsluitende staten erkend.” 27. Met de redenen die het bevat, oordeelt het arrest niet dat die bepaling niet van toepassing is, noch geeft het een onjuiste uitlegging van die bepaling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 28. Het arrest (p. 9) oordeelt onder meer: “[De eiseres] verwijst tot staving van dit middel naar haar stuk nr. 20, neergelegd met haar syntheseconclusie op 17 oktober 2025. Onder dit stuk nr. 20 heeft [de eiseres] vier documenten bijgebracht: (i-
- ii)(…) (iii) een document in de Nederlandse taal waarop is vermeld dat het een eensluidende vertaling betreft opgemaakt door de beëdigd vertaler [G.] op 20 oktober 2024, en (
- iv)(…)”. Het oordeelt verder: “Het Turkse origineel waarvan de vertaling door beëdigd vertaler [G.] wordt bijgebracht als document (iii), is niet gevoegd. Hoe dan ook kan uit document (iii) hoogstens blijken dat aan [de eiseres] het verbod zou zijn opgelegd om samen met het kind […] naar het buitenland te reizen (“…door hun toegang en vertrek naar het buitenland tijdelijk te verbieden…”) – niet dat aan [de eiseres] het verbod zou zijn opgelegd om zonder haar dochter naar het buitenland te reizen. Er valt overigens ook niet in te zien waarom aan [de eiseres] een verbod van laatstgenoemde aard zou zijn opgelegd.” 29. Verder oordeelt het arrest (p. 9-10) als volgt: “Dat het voormeld document hoogstens in die zin kan worden begrepen, komt trouwens ook naar voor uit het door [de eiseres] bijgebrachte emailverkeer ([…]), waarin zij zelf op 17 oktober 2025 – hetzij drie dagen voor de terechtzitting van 20 oktober 2025 – aan haar advocaat in Turkije de vraag stelt: “Hoe kan ik dringend bewijzen dat het reisverbod voor [L.] nog steeds van kracht is? Wat zijn de mogelijkheden hiervoor?”, en waarop haar advocaat antwoordt : “Zolang de rechtszaak nog niet is afgerond en definitief is geworden, kan [het kind] niet naar het buitenland reizen.” Er moet worden vastgesteld dat [de eiseres] in haar emailbericht geen vragen stelt over het gebeurlijk bestaan van een reisverbod voor haarzelf, hoewel zij in de namens haar neergelegde syntheseconclusie voorhoudt dat lastens haar een dergelijk reisverbod werd uitgevaardigd. Ook in het door [de eiseres] bijgebrachte vonnis van de familierechtbank te Izmir (Turkije) van 6 november 2023 is enkel sprake van een uitreisverbod voor het kind ([…]). Het bestaan van een uitreisverbod voor [de eiseres] persoonlijk blijkt niet uit dit document. Het door [de verweerder] bijgebrachte vonnis van dezelfde rechtbank van 10 december 2024 ([…]), waarop ook [de eiseres] zich beroept in het kader van haar verweer, vermeldt in dit verband nog als volgt: “(…) De advocaat van de gedaagde heeft op 30/10/2024 een verzoek ingediend om de actuele status van het uitreisverbod te bepalen. Op 18/11/2024 heeft onze rechtbank van het Grenscontrolebureau van de Provinciale Politie Izmir vernomen dat het uitreisverbod voor [het kind] nog steeds van kracht is. (…)”. Ook in deze rechterlijke beslissing is dus nergens sprake van een uitreisverbod voor de beklaagde persoonlijk. Gelet op wat voorafgaat, toont de beklaagde niet aan dat zij in de onmogelijkheid verkeert om de huidige rechtspleging persoonlijk bij te wonen.” 30. Hieruit volgt dat het arrest geen uitlegging geeft van de bewoordingen van het document (iii), maar daaruit enkel gevolgen afleidt in samenlezing met andere documenten die het in de redenering betrekt. Aldus kan het arrest de bewijskracht van het document (iii) niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde onderdeel 31. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 IVBPR, artikel 8 Taalwet Gerechtszaken en de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: de appelrechters oordelen dat zij uit de documenten (
- i)en (
- ii)niets kunnen afleiden, vermits geen vertaling is bijgevoegd; het recht op een eerlijk proces vereist dat elke partij in een strafproces de mogelijkheid moet krijgen om haar argumenten voor te leggen en zich aldus in de loop van het debat te beroepen op welk stuk ook waarvan het gebruik regelmatig is; de eiseres heeft zowel de inhoud van de stukken mondeling ter rechtszitting toegelicht als de inhoud ervan gestaafd met andere beslissingen van dezelfde Turkse rechtbank die het beëdigd heeft laten vertalen en waarvan zij de inhoud heeft vermeld in haar syntheseconclusie; geen enkele bepaling van de Taalwet Gerechtszaken ontslaat de strafrechter ervan kennis te nemen van stukken die in een andere taal dan die van de procedure zijn gesteld of desgevallend de vertaling ervan te bevelen. 32. In zoverre het onderdeel niet preciseert hoe en waarom het arrest de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 33. De redenen vermeld onder het eerste en het tweede onderdeel schragen de beslissing dat het de eiseres niet onmogelijk was de rechtszitting in persoon bij te wonen en er dus geen reden bestond om de zaak op haar verzoek uit te stellen. In zoverre het onderdeel die redenen niet in de kritiek betrekt, kan het niet tot cassatie leiden en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Vierde middel 34. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, de artikelen 2 en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inzake de autonomie van de procespartijen: het arrest neemt de beslissing van de eerste rechter met betrekking tot de burgerlijke vordering integraal over en bevestigt deze; de verweerder vorderde in eerste aanleg 10.000,00 euro als morele schade voortvloeiend uit de beide telastleggingen A en B, hetgeen door de eerste rechter werd ingewilligd in die zin dat de schadevergoeding door de eerste rechter werd geënt op de beide telastleggingen en dit voor de bewezenverklaarde feiten in de periode van 26 juni 2022 tot en met 27 september 2022 en 7 november 2022 tot en met 12 april 2024; de verweerder heeft in hoger beroep geen incidenteel beroep ingesteld, maar op burgerlijk gebied enkel de bevestiging van het beroepen vonnis gevraagd en dit voor de feiten zoals bewezen verklaard door de eerste rechter; het arrest spreekt de eiseres echter vrij voor de telastlegging A en het kort de incriminatieperiode voor de bewezen feiten onder de telastlegging B in; bijgevolg kan het arrest zich, zonder ultra petita te oordelen, niet uitspreken over de schade voortkomend uit de telastlegging A en de feiten onder de telastlegging B voor de periode van 26 juni 2022 tot 1 augustus 2022. 35. De rechter die oordeelt over de rechtsvordering van een burgerlijke partij tegen een beklaagde miskent het beschikkingsbeginsel, zoals vervat in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek, wanneer hij meer of iets anders toekent dan werd gevorderd of wanneer hij een betwisting opwerpt waarvan het bestaan door de partijen in conclusies is uitgesloten. 36. Dat beginsel belet als dusdanig niet dat het appelgerecht dat een beklaagde vrijspreekt voor bepaalde door de eerste rechter bewezenverklaarde feiten of dat de incriminatieperiode van in beide aanleggen bewezenverklaarde feiten inkort, voor de in hoger beroep nog bewezenverklaarde feiten eenzelfde schadevergoeding aan de burgerlijke partij toekent als de eerste rechter, wanneer het appelgerecht van oordeel is dat die schadevergoeding het geheel van de door de burgerlijke partij geleden schade dekt die is opgeleverd door de nog bewezenverklaarde feiten. Daarvoor is het niet vereist dat de burgerlijke partij incidenteel beroep instelt, maar volstaat het dat zij de bevestiging van het beroepen vonnis op burgerlijk gebied vraagt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 37. Eensdeels stelt het arrest niet vast dat de burgerlijke vordering van de verweerder specifiek was gemotiveerd door de duur van de aan de eiseres ten laste gelegde feiten. Anderdeels oordeelt het arrest dat de door de eerste rechter bepaalde schadevergoeding van 10.000,00 euro billijk en redelijk voorkomt, rekening houdend met de verzuchtingen van iedere ouder voor wat betreft de gewone fysieke omgang met zijn nakomelingen. Aldus kent het arrest aan de verweerder geen vergoeding toe voor schade die hij niet geëist heeft, noch kent het schade toe die volgt uit feiten waarvoor het de eiseres vrijspreekt, maar oordeelt het dat de schade van de verweerder ingevolge de in hoger beroep nog bewezen gebleven feiten passend wordt vergoed de met de door de eerste rechter toegekende schadevergoeding en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek 38. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit voorzitter Filip Van Volsem, als voorzitter, raadsheer Peter Hoet, sectievoorzitter Erwin Francis, de raadsheren Eric Van Dooren en Bruno Lietaert, en in openbare rechtszitting van 24 maart 2026 uitgesproken door voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Isabelle De Tandt, met bijstand van griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260324.2N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.